Blog

Arm zijn
‘Ben ik heel hip aan het ontspullen of ben ik gewoon arm?’, vraagt iemand zich deze week in de Volkskrant af. Een anachronisme, zo zie ik zo’n vraag midden december, de maand waarin de meeste aankopen van het jaar worden gedaan en je, als je pleisters nodig hebt, in een rij met dertig karren vol spullen moet staan. Arm zijn we zeker niet aan het worden.
Ik vraag me ook af of ik de enige ben die de onbedoelde humor in zo’n krantenkop ziet – meer dan het anachronisme alleen: in een tijd waarin we de aantallen met veel nullen kennen over de kindersterfte in Jemen, vragen we ons in de krant af of we arm zijn omdat we spullen weggeven. Op welke planeet moet je leven om jezelf in de krant af te vragen of je arm bent of alleen maar aan het ontspullen? Ik dacht dat je arm was als je geen boodschappen kunt doen of als je maar één broek hebt. Als je op je zus wacht tot ze uit school komt om dan haar schoenen aan te doen, omdat jullie samen het enige paar delen. De definitie van arm zijn in Ghana is anders dan de definitie van arm zijn in Nederland. Een paar duizend kilometer verderop is de definitie ook anders. Nee, we zijn niet arm. Misschien zijn we minder rijk aan het worden, armer dan het land in de jaren negentig was.
Als je om je heen kijkt, voel je je wangen rood worden. Stel je voor dat je midden in de Bijenkorf staat. Je weet niet met welke verdieping je moet beginnen en ineens komt het woord bij je op dat veel mensen de laatste tijd gebruiken: Jemen. Het irriteert je als een mug onder je laken ’s nachts na twaalven, je doet alles om het woord uit je systeem te krijgen. De eerste aankoop helpt: schoenen, een bloesje of een dure merkspijkerbroek. En daarna komt het vanzelf: Jemen lijkt zo’n neologisme dat je toch nooit zult gebruiken, wat voor zin heeft het om te onthouden? Kun jij de wereld veranderen? Heb jij de macht om de wereld beter te maken?
Ik ben ooit arm geweest in de ware zin van het woord, tegenwoordig heb ik spullen voor twee levens en ben ik ietsje armer dan vorig jaar. Maar als ik niet plotseling van hoger dan de vierde verdieping val, zal ik ongeveer alles overleven, ook deze maand december.
En als dat anachronisme (lees: hypocrisie, lees: decadentie) in de krant mij niet enorm had geïrriteerd, had ik nu niets over de aankoopmaand december gezegd. Pleisters heb ik begin november al gekocht.
Fijne dagen allemaal!

Den Haag Centraal, 13 december 2018

Haags verhaal
“Ik ben wel benieuwd,” zegt een meneer met een grote hoed als hij van zijn fiets afstapt.
Ik sta buiten bij het Venduehuis in hartje Den Haag. Het is vijf over zes, het regent. Benieuwd naar wat de heer met de hoed zo benieuwt. “Nou,” zegt hij, “nieuwsgierig naar het verhaal van vanavond, ik kom zelf uit Den Haag, maar dit verhaal ken ik niet.” Lachend gaat hij naar binnen.
Binnen is er soep. Kippensoep, tomatensoep, Turks brood erbij. Ik krijg een kop en ga een plekje zoeken. Ik groet bekenden en onbekenden. Door de soep raak je makkelijker in gesprek met elkaar. We zouden overal soep moeten krijgen, bedenk ik. Bij de apotheek, bij je schoonmoeder, bij ongemakkelijke gesprekken. Soep maakt tongen losser dan alcohol doet.
Iets na zevenen lopen we met z’n allen, ongeveer zestig soepeters, naar de andere vleugel van het Venduehuis. Want daar, boven, gaat het gebeuren en zal het Haagse verhaal van vandaag worden verteld, het verhaal dat de Hagenaar met de hoed zo benieuwd maakte.
Peter Meefout, directeur van het Venduehuis, heet ons welkom en Astrid Feiter, het gezicht van het project Haags Verhaal, onthult het thema van vanavond: ‘Oude spullen’. Gelach in de zaal. En dan volgt het dubbelinterview: Gerard van het Venduehuis en Hansey van een kringloopwinkel. ‘Interview’ is hier misschien minder op z’n plaats, want wat Astrid doet, is vooral haar gasten op hun gemak stellen, hun het gevoel geven dat wat hier voor de ogen van zestig mensen gaat gebeuren niets anders is dan de voorgesprekken die ze al driemaal met Astrid hebben gehad. En dan horen we de verhalen van mensen zoals u en ik. Je ziet hun kinderfoto’s, hoort hun dromen. Het voelt als een middagje bij een kennis thuis, met een glaasje chocolademelk erbij. Of soep. Twee mensen vertellen hun levensverhaal en met hun verhaal geven ze jou hetzelfde gevoel als Astrid hun geeft: we zijn allemaal mensen, dit is mijn leven maar het had het jouwe kunnen zijn. Iemand in de zaal juicht wanneer een of andere straat in Den Haag wordt genoemd, een ander meent er in de jaren tachtig zelf te hebben gewoond. De zaal lacht, doet mee en voelt zich goed.
Het is een apart verhaal, dit Haags Verhaal. Iedere keer een andere locatie, iedere keer mensen samengebracht die elkaar anders waarschijnlijk nooit zouden ontmoeten. Iets tussen een interview en een vertelcafé, een concept dat Hagenaars en Hagenezen benieuwd maakt. En hun huizen uit krijgt, ook wanneer het regent. Geen moeilijke filosofie: we zijn allemaal mensen en we hebben elkaar nodig.
Den Haag Centraal, 6 december 2018

A.F.Th.
Je zou kunnen zeggen dat Gebed Zonder End als straatje te klein zou zijn voor zo’n bijzonder feest: veertig jaar schrijverschap A.F.Th. van der Heijden. Toch is er in heel Amsterdam voor zo’n avond geen geschiktere straat te vinden. Alleen al als je kijkt naar de woorden in de naam, die – letterlijk! – een korte definitie van het begrip literatuur lijken te vormen.
Tweeëntwintig jonge auteurs van onder en rond de veertig, onder wie ikzelf, waren benaderd met de vraag om Adri een brief, kaart of email te schrijven die in een boekje zouden worden samengebracht.
Het bundeltje zou verschijnen wanneer Van der Heijden op de dag af veertig jaar geleden bij uitgeverij Querido had gedebuteerd. In een oplage van welgeteld één exemplaar. Een unica, alleen voor Adri. Maandag was het zover. En er werd nog iets gevierd: de terugkeer van A.F.Th. bij Querido.
Het gebeurde allemaal in het restaurant Kapitein Zeppos. Annette Portegies van Querido verwelkomde iedereen bij de deur: schrijvers en boekhandelaren. Rechts van de deur zat de gevierde auteur, links, op een hoge tafel, lag zijn laatste boek; de schoonheid van de titel wedijverde met de naam van de straat: ‘Mooi doodliggen’.
Wij van onder en rond de veertig zaten aan de tafels, af en toe gingen we een sigaretje roken. Op een schrijversfeest is het belangrijk dat je rookt: de leukste verhalen hoor je buiten. Hegel noemde onze leeftijd ooit ‘l’âge de la gloire’; ik noem hem ‘l’âge du fumer’. De glorie komt na veertig jaar schrijven, kalmeerde ik mezelf met een sigaret. Van der Heijden bedankte iedereen, las voor uit zijn nieuwe boek en zei dat we hem mochten lastigvallen bij de bar. Om elf uur die avond ging ik huiswaarts. Zonder sigaretten, maar vol hoop.
‘Beste A.F.Th. van der Heijden,’ had ik hem geschreven, ‘vandaag heb ik twee boeken van u gelezen. Omdat ik anders niet de moed had om u te schrijven. ‘Het leven uit een dag’ en het bijzondere ‘Gevouwen woorden’. Door het gesprek van de priester in uw roman moest ik aan Settembrini van Thomas Mann denken. En als ik aan Settembrini moet denken, is er uit het boek geen weg terug. Ik houd van brieven in de buik van een boek; de brief van Gini heb ik een paar keer gelezen. Het is niet waar dat een ander lettertype de aandacht van de lezer verstoort, bedacht ik ook. Het boekje met uw brieven, een eenmalige uitgave ter gelegenheid van uw vijftigste verjaardag, deed me denken aan een jonge Balzac, die de zoet-monsterlijke routine van zijn leven al kende: schrijven, schrijven, schrijven. Tot zijn woorden ‘over de aarde verspreid zijn’, zoals u zelf in een van uw brieven schrijft. Hartelijks,
Den Haag Centraal, 29 november 2018

Picasso-gate
Ik noem het Picasso-gate. Niet veroorzaakt door mij, maar zoals jullie weten heb ik er, zonder te weten, wel een belangrijke rol in gespeeld. Iedereen vraagt me hoe het voelt, nu ik weer thuis ben. Eigenlijk weet ik niet precies hoe ik me voel. Ik heb er letterlijk een nachtje over geslapen, maar misschien moet ik er meer nachtjes over slapen.
Velen van jullie vragen me hoe ik me in godsnaam heb laten beetnemen door twee Belgen. Ik heb altijd een zwak voor Belgen gehad. Maar niet alle Belgen verdienen mijn sympathie, moet ik concluderen. Zo gaat het met generalisaties, daar moet je mee oppassen. Zoals met alles in het leven: je moet oppassen. Misschien moet je ook oppassen met brieven die je per post krijgt.
Maar ik heb er geen spijt van dat ik naar Roemenië ben afgereisd. Op zoek naar oude koeien.
‘Dat past bij jou,’ zeggen sommigen die mij menen te kennen. Zal best, denk ik. ‘Ik voelde me verplicht om het te checken,’ zeg ik tegen iedereen. Nee, ik heb er geen spijt van. Zo’n adrenalinelawine had ik in mijn leven niet gevoeld. Zo’n gevoel van kameraadschap als die vier dagen met Frank Westerman in Roemenië ook niet. Samen op de achterbank met een Picasso bij ons in de auto, samen urenlang verhoord door de Roemeense politie, samen geschrokken van de slechte grap van die twee Belgen. Ik denk dat soldaten zich bij open vuur op het slagveld ook zo hebben gevoeld. Dank, Frank, voor het vertrouwen in een wereld waarin een dief een Picasso teruggeeft.
Voor anderen heb ik mezelf belachelijk gemaakt. Wat zij niet weten, is dat dat niet de eerste keer is. Wie mij meent te kennen, weet dat ook dat bij mij past. Vier dagen lang was je volledig jezelf, zei mijn man trots. Trots op mij. En dat betekent veel voor me.
Nee, het is geen Picasso. Maar voor mij wel. Ik zal die nep-Picasso opeisen bij de Roemeense politie. Per slot van rekening heb ik hem gevonden, hij is nu van mij. Ik wil hem ergens ophangen in huis.
Hij zal me er altijd aan herinneren dat ik op mijn knieën, op een koude winterdag in een bos in Roemenië, met mijn handen in de aarde heb zitten wroeten, op zoek naar een verloren Picasso.
Hij zal me eraan herinneren dat er toen zoveel mensen met me hebben meegeleefd, oh, zoveel dat ik nu weet dat ik mijn vertrouwen in de mens nooit verliezen zal. Dank aan jullie die mij bewonderden! Dank aan jullie die mij belachelijk vonden!
Ik ben een mens en ik mag mezelf zijn. En dat heb ik tot in de miljoenste macht gevoeld, dankzij het Picassogate.
Amen.
Den Haag Centraal, 22 november 2018

Wordt vervolgd
Wordt vervolgd. Eigenlijk had ik mijn vorige column zo moeten besluiten. Want het leven bleek weer eens spontaner dan de journalistiek. Stiekem was ik zo trots dat ik twee sporten beoefende – hardlopen en boksen, hoe amateuristisch ook – maar eergisteren moest ik abrupt een pauze inlassen. Na een val van de trap. En niet zomaar een. Nee, uitgerekend in een ziekenhuis, waar ik helemaal niet was gekomen om te checken of de homo erectus die ik dacht te zijn, ook kon vliegen. Maar dat gebeurde: van boven aan de trap, toen mijn man al beneden was, met zijn rug naar mij; hij kon me dus niet vangen. Toen ik hem als een slee op mijn buik bijna voorbijschoof, vroeg hij me alleen wat geïrriteerd: ‘Wat ben je nou allemaal aan het doen?’
Sinds mijn kindertijd heb ik niet meer zo gehuild en meermalen dacht ik zelfs dat ik van mijn stokje zou gaan. De dokter met wie ik een afspraak had, wilde me voor een foto naar de gipsafdeling sturen, maar na een uur kreupelde ik alweer op blote voeten over de gangen en wilde ik geen dokter meer zien. Buiten trok ik mijn hooggehakte schoenen aan (omdat ik geen andere bij me had), hoewel ik voelde hoe mijn benen almaar dikker werden – een gevoel dat ik eigenlijk al kende, alleen dan niet in mijn benen, maar in mijn borsten, van toen ik mijn dochter voedde. En omdat ik het gevoel toch al kende, ben ik helemaal niet meer naar de dokter gegaan.
Mijn man heeft mijn benen zelf een paar keer onderzocht en denkt nog steeds dat ik naar een arts zou moeten. Hij is bang dat er misschien een splinter van het bot gesprongen is, wat ik niet geloof. Mijn vader heeft ooit een splinter in zijn oog gehad en moest toen meteen worden geopereerd. Geen splinter dus! En niets gebroken! Over een paar dagen zal de zwelling zeker verdwijnen. Ik heb nu wel twee rubensiaanse benen, wat een komisch effect geeft als je mijn lichaam ziet. En ze zien eruit alsof iemand ze gegrild heeft, je ziet de lijnen van de grilplaat. Ik heb ook het gevoel dat de grond niet helemaal vast meer onder mijn benen zit.
Als ik thuis de trap oploop, maakt mijn hond een geluid dat ik goed ken, een soort blaffen met zijn bek dicht. Dat doet hij altijd als hij iets niet leuk vindt. En de manier waarop ik nu loop, vindt hij blijkbaar niet leuk. Ik ook niet, maar ik ben blij dat ik het kan. Elke ochtend zes kilometer hardlopen zit er even niet in. Boksen wel. Vooral uit frustratie, omdat hardlopen niet gaat. Zoals alles in het leven: wordt vervolgd.
Den Haag Centraal, 15 november 2018

Sporten
Bijna een jaar lang elke ochtend zes kilometer hardlopen stelt voor een sporter niets voor. Daaraan kun je zien dat ik geen sporter ben. Mijn linkerheup heeft na elke zes kilometer wel iets te klagen en de laatste tijd klaagt ze ook vóór de zes kilometer. En de afgelopen twee weken klaagt ze niet alléén, maar samen met mijn rechterenkel. Ik heb daarom gel voor mijn heup gekocht en een soort zwachtel voor mijn enkel. Ingezwachteld en een beetje mank doe ik nog elke ochtend de zes kilometer. Maar behalve de pijn die ik voel, zie ik dat de laatste tijd zelfs de ganzen die onder de Hoornbrug slapen allebei hun ogen opendoen en een soort troepenbeweging maken wanneer ik langsloop, iets wat in het verleden niet gebeurde. Ik denk dat ik zo’n beetje als Forrest Gump ben gaan lopen.
Ik moest een oplossing vinden voor het uurtje sporten waarmee ik de dag begin. En omdat ik op mijn manier een doorzetter ben, heb ik me georiënteerd. Meer dan dat: het afgelopen weekend ben ik naar de Decathlon geweest, waar ik kon kiezen tussen zwachtels voor al mijn lichaamsdelen en wat anders. Ik geef om die gezellige ganzen onder de Hoornbrug en betwijfel of ze wel zouden kunnen wennen aan een Michelinvrouwtje om acht uur ’s ochtends. Het werd dus wat anders. Eerst kocht ik de handschoenen. Omdat ze roze waren. Een soort ‘Hello Kitty’-handschoenen, maatje 1. “Ze passen precies,” zei ik tegen de verkoopster, die onder de indruk leek van mijn zelfverzekerdheid. “En nu de zak,” zei ik. “De bokszak,” herhaalde ze. Ze hadden geen roze, helaas. Ik moest kiezen tussen een zwarte en een rode. Het werd geen van beide, want mijn man meende dat onze gipsplaten plafonds geen bokszak zouden houden, wat ik niet geloof.
Maar mijn man heeft het niet zo op met boksers en soms moet je een compromis sluiten, vooral als het om plafonds gaat. De verkoopster suggereerde – en mijn man vond het gelijk goed – dat zo’n juniorboksbal op een standaard beter zou zijn voor mij. Voor kinderen van vijf tot twaalf, wat ik ver onder mijn niveau vind, maar wel geschikt voor mijn lengte van 1,57 meter. Mijn man zette het ding in elkaar, ik wachtte ongeduldig met mijn ‘Hello Kitty’-handschoenen aan. Het ging vanzelf. En tegen de verwachting van mijn man in liep ik geen bloedneus op. De bal sloeg ik kapot en mijn neus wist ik steeds te beschermen. Ik heb wel kapotte vingers, vooral aan mijn rechterhand. En mijn handen zijn opgezwollen. Ik hou ze nu in een kom met ijs en ik kan niet wachten tot ik de handschoenen weer pas. Tot dan wordt het hardlopen langs de ganzen.
Den Haag Centraal, 8 november 2018

Wie ben ik?
De afgelopen maanden heb ik me meer dan ooit afgevraagd wie ik precies ben. En niet zozeer de vraag verontrust me, als wel het antwoord. Want dat was altijd ongeveer hetzelfde – en het gebeurde vaak dat ik me de vraag stelde – maar het laatste jaar bots ik met het antwoord, een antwoord dat niet past bij de vraag. Het valt me ook op dat anderen het antwoord sneller klaar hebben dan ik. Alsof vreemden me beter kennen dan ikzelf. Wat ik raar vind. Vaak ook ongepast. “Zo gaat het nu eenmaal,” hoor ik dikwijls. “Met een systeem kun je niet vechten.” Of: “Heb ik ook meegemaakt, je moet het loslaten.” “Het kost tijd, bij mij duurde het een jaar.” Alsof ik dagelijks bij de huisarts zit. Want als je buikgriep hebt, zegt die: “Duurt een week, neem rust.” Of, als je een pees hebt gescheurd: “Je moet een scan laten maken; als het erg is, moet je worden geopereerd.” En je gelooft hem/ haar op zijn/haar woord.
Maar het leven is geen huisartsenpost. Het lijkt soms alsof iemand anders antwoord heeft op jouw niet eens duidelijk geformuleerde vraag. Het valt me ook op dat de meeste antwoorden een vleugje negativiteit bevatten. Ik weet nog dat ik mezelf tijdens mijn zwangerschap kalmeerde met de zin: Miljoenen vrouwen hebben dit meegemaakt, jou zal het ook lukken! Maar soms wil je er zeker van zijn dat je iets hebt wat je uniek maakt, iets wat je kracht en vertrouwen geeft omdat het uit je binnenste komt, iets wat jou maakt wie je bent. Het verontrust mij niet dat ik een van de duizenden vrouwen in Den Haag ben, een van de vele blond geworden brunettes, dat ik misschien al over de helft van mijn leven ben. Maar het verontrust mij wel dat er op mijn vraag wie ik ben, al een antwoord klaarstaat. Ik zou, volgens deze maatschappij, volgens de statistieken, volgens…, iemand zijn in wie ik mezelf eigenlijk niet herken. Zijn we niet meer dan klonen van elkaar? Ooit wist ik beter wat mij uniek maakte. Ligt het aan mij? Ben ik mezelf kwijt? Weet ik nog wie ik ben? In mijn strijd om mezelf terug te vinden heb ik een soort troepenbeweging meegemaakt. Vrienden die vooraan stonden, zijn wat opgeschoven en andere, van de tweede rij, naar voren gekomen. Het meeste leren we in moeilijke tijden.
Het gaat nu om mezelf, maar het kan ook om jou gaan. De nachten zijn langer geworden, de antwoorden liggen klaar en we slikken ze met chocolademelk erbij. Het is moeilijk om je eigen antwoord los te maken van de vele andere. Zal het mij lukken? Wie ben jij?
Den Haag Centraal, 1 november 2018

Beste gemeente Rijswijk,
Ik geloof dat het gezegde ‘Waar je niet aan doodgaat, maakt je sterker’ in het algemeen klopt. Maar in sommige situaties gaat het niet op. Ik woon in de buurt van de Hoornbrug. Ja, vlakbij dat kruispunt met zo veel ongelukken, misschien een van de gevaarlijkste van Rijswijk. Dat het gevaarlijk is, weten jullie ook; dat jullie daar tot nu toe geen oplossing voor hebben gevonden, is iets anders. Er is wel gepuzzeld om het aantal ongelukken te laten dalen (na ruim een halfjaar duisternis hebben jullie zelfs de straatverlichting aan de praat gekregen!), maar vooral in de zin van: minder dode/gewonde fietsers óf chauffeurs? Ik heb geen statistieken, want ik weet niet wat er met de slachtoffers gebeurt. Soms zie ik het vanuit huis gebeuren, soms maak ik foto’s. En zo’n beetje elke maand krijgen we weer een brief, gericht ‘aan de bewoners van dit pand’. Ik open jullie enveloppen niet eens meer, ik weet wat de boodschap is: jullie gaan de puzzel weer aanpassen. Zou het deze keer om minder gewonde pizzabezorgers gaan?
Er is (afgezien van de scheuren in onze muren) ook een neveneffect van jullie acties: de bijna voortdurende aanwezigheid van stratenmakers. Het langst dat ze aaneengesloten aan het werk waren, was een jaar, het kortst een ochtend. Afgelopen zaterdagochtend. Het ergste in deze jaren was het ecotoilet pal voor mijn deur, het mildste dat ze mijn kleine blauweregen voor de veranda bedreigden maar uiteindelijk toch niet vernietigden.
Zaterdagochtend werd ik even na zevenen wakker van een steenzaagmachine. Eerst dacht ik aan een fanatieke buurman, maar toen ik uit het raam keek, zag ik het: weer werkzaamheden aan de weg! Vijf of meer mannen, van wie er welgeteld twee aan het werk waren, de rest was luidruchtig aan het kletsen over een meisje dat voorbijliep. Zaterdagochtend om zeven uur. De afgelopen dagen was er geen ongeluk gebeurd. Nee, de inzet van vandaag bestond uit wat verschoven straatstenen die blijkbaar niet op een andere dag of ander tijdstip konden worden vastgelegd. Dus nog steeds geen echte oplossing voor het verkeersgedrocht. ‘Doen jullie het deze keer goed?’ vroeg ik de mannen. ‘Als je meedoet,’ riep de mondigste, een van de twee die niet hun handen in hun zakken hadden.
Tot nu toe kregen de klinkers in het pleintje geen kans om zich te hechten; om de paar weken komt er immers wel iemand namens de gemeente die ze er weer uit haalt. Hoe vaak moet iets provisorisch worden gedaan tot het definitief kan?
Los het een keer op en laat ons slapen, vooral op zaterdagochtend!
Den Haag Centraal, 25 oktober 2018

Held Jerry en tante Jenny
Het is bijna november. De heksenjacht is weer begonnen. Wie afgelopen week ‘RTL Late Night’ met la grande dame Jenny Douwes (lees alstublieft de ironie) heeft gezien, moet zich niet vergissen. Deze mevrouw van de blokkeerfriezen is iemand die Nederland ‘great again’ wil maken, niet alleen Friesland. En ja, in de stijl van Trump, maar met de arrogantie die ze duidelijk met de paplepel ingegoten heeft gekregen. Maak Friesland ‘great again’. In de naam van de blonde kindertjes die geen kindertijd hebben als ze begin november geen diepzwarte Piet zien om hun leventjes perfect te maken. ‘O, tempora, o mores,’ had ik willen roepen. In de Nederlandse woestijn. Want wat tante Jenny in haar haaten-venijnspuiterij gebruikt, gebruiken alle dictators ook. Ook hij die mij een perfecte, communistische kindertijd wilde bezorgen: Ceaușescu. Mijn hele kindertijd heb ik moeten aanhoren dat alles, maar dan ook alles (lees: de misdaden van de communisten) werd gedaan in de naam van een volmaakte kindertijd. Als tante Jenny Nederland is, moet Nederland zich schamen. Want de kinderen van nu moeten juist geen venijn, haat en racisme ingegoten krijgen. De kinderen van nu moeten het beter doen dan hun op een RTL-stoel geklauterde tante Jenny. De kinderen van nu voeren actie voor een beter milieu, zijn feministisch op een manier waarop ze veel feministen nog een lesje leren, zijn minder of helemaal niet racistisch als ze het niet van hun ouders meekrijgen.
Ze zijn – in één woord – beter dan wij, hun ouders. Wat tante Jenny in de naam van een verkeerde, zieke, racistische ideologie doet, corrumpeert haar kinderen. ‘Help de kinderen van Friesland, de kinderen van tante Jenny’ zou een geschikt thema zijn voor RTL.
Ik ben geen psycholoog, maar zet het geluid van het programma met tante Jenny eens uit en kijk naar haar gebaren, als je haar in haat gedompelde woorden niet meer kunt (aan)horen. Dat heb ik gedaan. Ik zag een nogal hysterische tante die na elke zin manisch haar glas van tafel pakte. Haar advocaat deed haar na en zo zag je twee tantes die drank nodig hadden, want hun woorden en haat maakten hen dorstig.
En hun tegenpool: de kalme, beheerste Jerry. Nederig en rustig, met gezond verstand. Nederland wil de schijn ophouden dat ook de andere kant van het pietenprobleem aan het woord kan komen en nodigt Jerry uit om aan te schuiven. Wat een voorbeeld voor je kinderen ben je, Jerry! Je bent eigenlijk een voorbeeld voor alle kinderen van Nederland, ongeacht hun ouders! Hulde!
Den Haag Centraal, 18 oktober 2018

Rosita
Een levensles, hoe vaak krijgen we die? Niet vaak genoeg, denk ik, om er alles uit te lepelen en wijzer van te worden. Ik in ieder geval niet. De laatste jaren tast ik, als Diogenes de Griek, met een lantaarn door het duister op zoek naar mensen. Niet dat er geen mensen op mijn pad komen, welnee. Ik ontmoet redelijk veel mensen, leuke, minder leuke. Meestal lijken we op elkaar, we delen dezelfde zorgen, juichen bij dezelfde overwinningen, concurreren met elkaar en doen ons best om mens te blijven. Een strijd die ons vaak uitput en minder mens maakt. Zoveel conjuncturele vrienden, zoveel mensen met wie ik dezelfde passies deel! Iedereen voor zich, min of meer, iedereen totaal geabsorbeerd door zijn eigen innerlijk, zijn eigen competitie, zijn eigen kansen in het leven. We delen ook dezelfde zorgen, soms over Europa, soms over vluchtelingen, soms over verkiezingen. We voelen ons machteloos bij beelden van stervende kinderen in de derde wereld: het leven is hard, overal. We duwen de steen van Sisyphus met dezelfde razernij waar ook de mieren in een mierennest hun korreltjes mee voortduwen.
Maar bij het duwen van mijn eigen korreltje werd ik voor boekhandel Van Stockum onderbroken. Iemand riep mijn naam en toen ik mijn hoofd draaide, herkende ik haar: Rosita! Rosita is Surinaamse, is vrolijk en kleurig gekleed, altijd in een nieuw Tshirt dat ze voor één euro ergens in de stad koopt en met een nieuwe armband die ze voor vijftig cent bij een kringloopwinkel bemachtigt. Altijd met een brede, brede, brede glimlach, een die mij niet zou lukken.
Rosita keek naar me en verzekerde me dat ze die dag jarig was. Ik feliciteerde haar. Wat ze op haar verjaardag deed? Nou, eerst het T-shirt gekocht, daarna loempia’s gegeten in ChinaTown en nu haastte ze zich naar huis om te koken: rijst met eend. “Eend!”, herhaalde ze nog een keer. En nog een keer en nog een keer, en ze lachte bij elke eend. Koken voor wie? Voor haar begeleidster, die vanavond kwam eten, zei Rosita en ze schaterde weer.
Jarenlang kwam Rosita me elke donderdag bezoeken op mijn vorige werkplek. We kenden elkaar niet, we leerden elkaar kennen. Vijf minuten voor sluitingstijd verscheen ze met haar brede lach en haar verhalen. Zij had menselijk contact nodig en ik genoot van haar brede lach en de enorme energie waarmee ze om 19.55 uur uit de lift kwam en ‘Hallo Mira!’ riep. En daarna die lach.
Nog iets bijzonders over Rosita: ze is vaak jarig, elke donderdag zeker. Haar geluk verwarmt mijn hart. Haar brede lach is een les. Eend ben ik niet van plan te koken, maar wanneer was ik voor het laatst jarig?
Lang, heel lang geleden.
Den Haag Centraal, 11 oktober 2018

De stilte en de waarheid
Er zouden meer Sigrid Kaags in de wereld moeten zijn. Wanneer hoorden we voor het laatst zo’n discours ‘van boven’? Het onprettige gezoem van de politieke bijenkorf zit vol Thierry’s, Wildersen en Bloks, van wie ik me ver probeer te houden zoals je ook bij wespen uit de buurt blijft. Al zo lang was er geen verandering in het politieke gezoem waarneembaar. Tot de Abel Herzberglezing van Sigrid Kaag. ‘Maar er is ook een andere stilte,’ zegt Kaag daarin. ‘Een die verre van heilzaam is. De stilte van wel weten wat er speelt. Maar het er niet over hebben. En er ook niet echt iets aan doen. De stilte van het zwijgen voor het gemak.’
Oh, het is niet nodig om naar het verleden te kijken om te zien hoeveel mensen die in het afgelopen decennium meer moeite op de wc dan met eigen hun geweten hebben gedaan, haar woorden verademend vinden en vervolgens hun eigen naaste neersteken. We leven in een land waarin iedereen zijn eigen waarheid mag hebben, waarin geen waarheid boven onze hoofden hangt, als een Poolster, waar iedereen zwanger van zijn eigen waarheid is, als van een versteende en al in de eerste zwangerschapsfase doodgebleven foetus. Onze kleine waarheden deugen niet. De echte waarheid is dat we meestal doof zijn voor de behoeften van onze naasten. Dat we ons eigen welzijn, onze eigen positie, ons eigen eigen volgen. In de publieke sfeer lopen er farizeeërs die bij alles jaknikken en alles goed vinden, vooral dat we leven in een ‘vrij’ en ‘rijk’ land waar iedereen ‘welkom’ is.
Onlangs had ik de eer om gedichten voor te dragen op een avond waar ook een bijzondere man een verhaal vertelde. De rock-’n-rollzeiler, noemde hij zichzelf, en zo zag hij er ook uit. Sommigen in zijn buurt vonden dat hij ook zo rook. Met een halve ketting in zijn oor en getatoeëerde armen deed hij zijn verhaal. Het was geen Abel Herzberglezing, maar zijn boodschap was ongeveer dezelfde als die van Sigrid Kaag: ‘Het is niet meer vanzelfsprekend dat deze woorden worden begrepen.’
De rock-’n-rollzeiler was alles kwijt in zijn leven, maar niet het recht om de waarheid te spreken. En omdat hij de waarheid sprak en zijn waarheid als een bom boven onze hoofden hing, was hij in mijn ogen waardiger dan iedereen in de zaal. Na afloop verdween hij snel.
Het verbaasde me niet, de waarheid is meestal niet gezellig. Even dacht ik dat hij profeteerde in de woestijn, maar daarna las ik de lezing van Sigrid Kaag en begreep ik dat de waarheid die boven onze hoofden hangt, hoorbaar is, zelfs in het gezoem van Thierry, Blok en de miljoenen zoals zij.
Wie oren heeft, die hore.
Den Haag Centraal, 4 oktober 2018

Migratiemuseum
Ik schrijf dit stuk te midden van hamergeluiden, in het Haagse Migratiemuseum. Nog in aanbouw en toch al officieel open, in het weekend, en spontaan mijn favoriete museum in Den Haag geworden. Waarom? Omdat ik in wat ik zie ook iets van mezelf herken. Niet alleen een geschiedenis die niet de mijne is, die ik wel wil respecteren en begrijpen, maar die niet diep in mij zit, simpelweg omdat zij niet de mijne is. Mijn mensen hebben nooit iemand gekoloniseerd. Ze waren ook geen Nederlanders-doorzetters, om die tv-reclame te citeren.
Eigenlijk weet ik allang niet meer wie ‘mijn mensen’ zijn. Maar in het Migratiemuseum krijg ik zo’n idee: dit zijn mijn mensen! Zij die migreren, die alles achterlaten om in een ander land opnieuw te beginnen, mijn mensen zijn zij, degenen die familie achterlaten en met ingehouden adem hopen ergens anders een dak boven hun hoofd te krijgen. De pijn die je als migrant je leven lang meedraagt, is hier in het Migratiemuseum te zien, bijvoorbeeld in de beelden over Indonesiërs die tegen wil en dank Nederlander werden.
Toen ik binnenkwam, was directeur Wim Manuhutu druk met van alles: al verwikkeld in een gesprek, twee kunstenaars kwamen een expositie openen en behalve ik nog een bezoeker. Toch maakte hij tijd voor een gesprek. Tekenend was zijn opmerking dat ze openden ondanks dat er maar geld voor een jaar is. Om te laten zien wat het museum kan. Zo on-Nederlands! Dit is de migrantenfilosofie, beste lezer! Precies de filosofie van de migrant die zich in het onbekende stort, maar vertrouwen heeft. Waarin? In faith, in zichzelf… Terwijl een Nederlander niet eens op vakantie gaat als hij niet genoeg geld heeft om zeker te zijn wat hij ervoor terugkrijgt, heeft een migrant de filosofie van directeur Manuhutu: “We’ll see.” Als wij thuis niet genoeg geld hebben voor vakantie, gaat mijn Nederlandse man liever een jaar niet. Ik daarentegen: hoe minder geld, hoe groter het vakantieavontuur!
Den Haag heeft dus een Nederlandse primeur: het Migratiemuseum. Een plek waar meer dan dertig procent van de Haagse inwoners zich kan herkennen in alle verhalen die voor een Nederlander exotisch kunnen klinken, maar niet voor ons, die dertig procent. Het zijn onze verhalen, want het verhaal van de Indonesiër is ook mijn verhaal, net als dat van de Egyptenaar of de Syriër. Want misschien namen we verschillende wegen, uiteindelijk zijn we allemaal naar Holland gekomen, het land van melk en honing. En de pijn die we meedragen, delen wij ook allemaal.
Kabinet, word wakker! Het was allang tijd dat er een Migratiemuseum kwam voor die dertig procent Nederlander geworden doorzetters.
Den Haag Centraal, 27 september 2018

Vlooienmarkt
“Mevrouw, ik heb geen 50 cent bij me. Mag ik toch naar de wc?”
De toiletjuffrouw deed haar best om lelijk naar mij te kijken. ‘Soms moet je hard zijn,’ citeerde ik Rutte in mijn hoofd, met volle blaas. ‘Maar alsjeblieft niet vandaag, mevrouw!’, smeekte ik haar in mijn hoofd.
Ze leek tijd nodig te hebben om erover na te denken, en hoewel ik van mijn ene been op mijn andere ging staan, was ik blij dat ze mij hoop gaf.
Ik was een van de duizenden bezoekers van de grootste vlooienmarkt van Nederland, in Amsterdam Noord, en terwijl ik nodig naar de wc moest, keek ik van boven vanaf een terras naar al die studenten die stoelen boven hun hoofd of op hun fiets droegen, of tassen vol broeken van 1 euro per stuk. Als er niet geschoten wordt, is zo’n vlooienmarkt de mooiste metafoor van het leven. Je vindt zeker iets kleins, een kopje dat je blij maakt, je ziet de vergankelijkheid van het leven, de vergane glorie in al die aangeboden spulletjes van dertig jaar geleden. En dat stemt je melancholiek, maar net niet genoeg om niet te genieten van het mooie weer en de mierenhoop van mensen. Het leven is ook met alle vergane spullen in volle gang, ondanks een mogelijke nieuwe Europese crisis, Brexit, Rutte, Orbán.
Ik stel me voor dat deze vlooienmarkt het land is, ongeacht welk land. Maakt het uit wat voor nationaliteit al deze studenten met hun stoelen op hun hoofd of op hun fiets zijn? Maakt het uit wie wij zijn, zolang we van het weer of van een koopje genieten?
Ik stel me ook voor dat er dertig jaar geleden, in de jeugd van de meeste van deze spullen, minder kopers waren. En dat ze meestal op elkaar leken en ongeveer dezelfde spullen hadden. In het dorp waar we vlak na onze komst in Nederland hebben gewoond, waren de klanten van de vlooienmarkt vooral Turken. “Kom,” spoorde mijn man me aan, “we moeten er zijn voordat de Turken komen.” En ik moest lachen, want ik dacht dat we alleen in Roemenië bang voor de Turken waren. Nu, afgaand op de vlooienmarkt in Amsterdam Noord, zijn we allemaal Turk geworden.
Waarom kan het leven geen vlooienmarkt zijn? Ik zag er alleen maar leuke mensen, geen gemaar, geen politici, iedereen had er een beetje baat bij, iedereen leek tevreden, Lili en Howick waren we allemaal.
“Mag ik, mevrouw?”, vroeg ik aan de dame die de wc bewaakte.
“Denk je dat je de enige met zo’n verhaal bent? Ik heb al zoveel mensen zoals jou binnengelaten.”
Zo’n stemming maakt me zo blij! En na het gebruik van de wc was ik inderdaad diep gelukkig.
Den Haag Centraal, 20 september 2018

Jas
De manier waarop ik met mijn bijna 16-jarige dochter spreek, doet me soms denken aan een politiek regime. Vier van de vijf zinnen die ik zeg, veroorzaken revolte. Daarom baseer ik me minder op woorden, meer op feiten. Een van de feiten: een maand geleden liet ik mijn dochter in de Bijenkorf een jas zien, die ze niet alleen mooi vond, ze zei zelfs: “Die zou ik ook wel willen dragen, dan delen we hem.” Het magische woord: delen. Een jas delen met mijn dochter betekende dooi in de koude oorlog van de puberteit.
Sparen dus. In de Haagse Bijenkorf vertelde de verkoopster dat ze de jas hooguit twee dagen apart kon houden. Hoop verloren. Maar in de Amsterdamse Bijenkorf hield de aardige verkoopster met dezelfde naam als mijn dochter de jas vijf dagen apart. Hoop terug. Maar na vijf dagen kon ik de jas nog niet kopen. Hoop weer verloren. Dezelfde aardige verkoopster adviseerde me om de vijfde dag nogmaals te bellen en de reservering te verlengen. Hoop terug.
Ik belde. Een meisje met de naam van een woestijn, de enige woestijn die ik ken, verzekerde me dat de jas op me wachtte, in de Bijenkorf in Amsterdam. In een kast, klaar om gedeeld te worden. Ik bedankte haar en noteerde haar naam voor de feedback over hoe ik was geholpen. Op haar verzoek. Ik kreeg ook een e-mail dat de jas nog steeds in de kast op mij wachtte. Maar ik werd ziek en de wil om de jas te hebben werd overschaduwd door de wil om te genezen. Eenmaal beter ging ik onze stad in. In de Bijenkorf kwam ik een pop tegen die onze jas aanhad, precies de maat die mijn dochter en ik zouden delen. En om mijn genezing te vieren deed ik een impulsaankoop. Ik kocht de jas en vroeg de Haagse medewerker om de Amsterdamse medewerker te bellen om de jas daar uit de kast te halen.
Thuis vroeg ik eerst mijn dochter voorzichtig: “En? Zou je die jas nog willen delen?” Zij: “Jij vond hem leuk. Als jij hem zo graag wil, koop hem!”
In mijn inbox vond ik een e-mail van de Amsterdamse Bijenkorf: mijn jas was niet meer gereserveerd. De dag daarop belde een medewerker met de naam van een bijzondere Duitse filosoof, die gelukkiger leek dan ik toen hij hoorde dat ik de jas al had. Had de medewerker uit Den Haag hem niet gebeld om de gereserveerde jas te dereserveren? Nope. “Maar zou u ons feedback willen geven, aangezien u de jas hebt?”
Ik heb hem. Ja. Ik hou hem nog in de kast, want de jas heeft wollen mouwen en we hebben weer motten in huis.
Den Haag Centraal, 13 september 2018

Woorden
Ik vraag me af wie van ons na 8 september nog over Lili en Howick zal praten. Wie nog naar de moeder of de Armeense autoriteiten zal bellen om te vragen hoe het met de kinderen gaat. Wie van ons zich zorgen zal maken als de in Nederland opgegroeide kinderen niet zo makkelijk in hun vaderland zullen kunnen aarden. Geen van ons allen – nu nog met onze armen ten hemel geheven, zoals Mozes toen hij boos op God was. We zullen andere Lili’s en Howicks vinden; er zijn er nog zo veel. Ik verbaas me hoeveel woorden er zijn gezegd over het besluit om deze kinderen uit te zetten. En toch blijkt dat de zee van woorden niets verandert in onze bloeiende democratie.
Woorden in kranten hebben naar mijn gevoel nog nooit zó weinig gedaan. Ik, die onder het communistische regime in mijn geboorteland moest oppassen wat ik zei, verbaas me hoe slap het vrije woord in het vrije Westen en de westerse democratie is. Minister Blok blijft ondanks het geuite misnoegen van het multicultivolk zijn racistische meningen geven, Lili en Howick vertrekken naar Armenië, ondanks het publieke smeekgebed van hetzelfde volk, en als je verder dan je eigen tuin kijkt, zie je Trump wiens kapsel intact blijft ondanks de stormen die hij zelf veroorzaakt. In mijn geboorteland werd de gendarmerie en de regering deze zomer ook geen sanctie opgelegd nadat ze traangas en waterkanonnen hadden ingezet tegen demonstranten. Zelfs Europa lijkt versteend.
Misschien ligt het niet alleen aan Europa of de politici, maar ook aan onszelf, aan ons, die na 8 september, vermoed ik, over Lili en Howick geen woord meer zullen zeggen. Er zal geen publiek debat komen over het uitzetten van kinderen, we zijn Canada niet. Zal iemand een voorstel doen voor aanpassing van de wet als het gaat om uitzetting van kinderen? Nee, ik vrees dat we verdergaan naar de volgende Lili en Howick. De wereld zit vol vreselijke gebeurtenissen.
Als je nog steeds gelooft dat religie het opium voor het volk is, vergis je je in het tijdperk. Alles kan vandaag de dag het opium voor het volk zijn, zelfs het goede westerse leven. We hebben een goed leven, we winden ons even op, maar verder doen we niets. Zonde van onze tijd. Ik vraag me ook af hoe belangrijk in onze bloeiende democratie de mening van het volk is. En ik vraag me af hoeveel van de mensen die nu op Facebook om Lili en Howick geven, zouden komen naar een protest op het Plein om hen hier te houden?
Wind je niet op, hoor, het is maar een vraag! Ik weet dat de helft van het land met vakantie is.
Den Haag Centraal, 6 september 2018

Verleden uitzoeken
Voor een land dat in de afgelopen honderd jaar niet langer dan vijf jaar in oorlog was en geen regime hoefde te overleven, is Nederland een vrij geheimzinnig land als het gaat om zijn verleden. En nu hebben we het over min of meer recent verleden. Je zou denken dat een land gemakkelijker spijt kan betuigen dan een individu, omdat er wijze mensen aan de macht zijn. Een land heeft ook iets van een huwelijk. Stel je eens voor dat je op een gegeven moment beseft dat je met iemand getrouwd bent die geen sorry kan zeggen. Absurd, want er zijn geen heiligen op de aarde, vooral niet in een huwelijk. Maar als je je hebt gewapend met geduld en je hebt toekomstplannen met je partner, ga je in discussie. Ik hoor mijn man al zeggen: ‘Praten? Alweer praten?’
Ook voor een land is praten een manier om de verschillende groeperingen/minderheden aan het woord te laten komen. Het publieke debat heeft iets van gezinstherapie, therapie die ieders rol in een gezin duidelijk maakt, als dat niet vanzelfsprekend is of wanneer het gezin iets meemaakt wat de rolverdeling doet verschuiven. Zo gaat het ook in de maatschappij: het debat over Zwarte Piet begon toen de ontevredenen hun stem verhieven.
De grote teleurstelling die ik over mijn geboorteland voelde, was niet het communisme zelf. Maar het feit dat het na de val van de Muur nog bijna dertig jaar heeft geduurd tot het communisme tot een misdadig regime werd verklaard. En dat helaas nog met sotto voce.
Maak het verleden bespreekbaar, zou ik zeggen. De geschiedenis onder het tapijt houden is niemand ooit gelukt, ook al wordt het vijftig jaar lang geprobeerd. De geschiedenis heeft een lange adem, duurt langer dan opeenvolgende generaties. De waarheid heeft iets van een zwangerschap: je kunt haar niet te lang geheimhouden. De geschiedenis is altijd zwanger van de waarheid, alleen duurt zo’n zwangerschap veel langer dan bij haaien. Elk jaar rond 4 mei, 15 augustus en 6 december heeft de geschiedenis een soort miskraam. Tot nu toe in ieder geval. Maar het publieke debat begint toch langzamerhand pootjes te krijgen. Misschien moeten we niet meer wachten op die drie data in het jaar. Ik lees dat Rotterdam zijn eigen verleden tot op de bodem laat uitzoeken. Vrij uniek in Nederland, zo niet in Europa.
Den Haag, komt er bij ons een Migratiemuseum of niet? Of is het net als met Sinterklaas: hij komt alleen als je braaf bent geweest? In dat geval kennen we het antwoord. Laten we hopen dat het voorbeeld van Rotterdam besmettelijk wordt.
Den Haag Centraal, 30 augustus 2018

Waarom worden vrouwen als Anne Faber geofferd aan het tbs-systeem?
Klinkt dat alleen mij bekend in de oren? Was het niet amper een jaar geleden dat Michael P. Anne Faber martelde, verkrachtte en vermoordde terwijl hij ‘werkte aan zijn terugkeer in de maatschappij’? En werd niet in 2016 nog een 21-jarige vrouw verkracht door tbs’er-op-verlof Henk van der V., die in 2000 de 16-jarige Ankie had vermoord?
Nu willen behandelaars opnieuw een dader van een vreselijk misdrijf begeleid verlof geven, hoewel volgens de kliniek de kans op herhaling groot is. Wik H. vermoordde in 2000 de 10-jarige Nienke én bijna ook haar vriendje van elf. Later probeerde hij ook nog verschillende vrouwen te verkrachten.

Ik heb Anne Faber niet gekend, maar vergeten zal ik haar nooit: een jonge vrouw in het begin van haar leven, popelend om een toekomst op te bouwen. In enge sprookjes uit mijn kindertijd werden elk jaar onschuldige meisjes geofferd aan zevenkoppige draken, totdat het monster na een strijd op leven en dood door de mannelijke held werd gedood. Die sprookjes las ik in mijn moedertaal in een land dat met diverse monsters worstelde.
Maar in Nederland zitten de kleine meiden op hockey of voetbal en hebben ze feministische vaders, dacht ik.
Hoe komt het dan toch dat ze worden geofferd aan de draak? Want dat is wat er gebeurt. Waarom zien we niet dat het systeem meisjes doodt? Mensen als Michael P. en Henk van der V. worden door het systeem geholpen te verkrachten of te doden. Hen met verlof sturen vergroot juist de kans op herhaling, blijkt uit de bovenstaande voorbeelden.
En als je hoort dat ook Wik H. misschien verlof krijgt, denk je: wie is de volgende Anne Faber? Wie is de volgende dochter die van haar fiets gerukt wordt, gemarteld, verkracht, gedood? Omdat een begeleider vindt dat het leven van een dader fijner zou zijn als hij verlof krijgt?

Anne Faber is niet alleen Anne Faber, ze is een van ons, een van onze dochters. Haar dood had moeten bijdragen tot hervorming van het falende systeem, een keerpunt moeten zijn in de geschiedenis van het strafrecht en het tbs-systeem. Rechters, begeleiders, minister, vrezen jullie niet voor jullie dochters en kleindochters?
De zaak van Anne Faber is geen zaak om te vergeten. Als ik de rechter was die destijds geen tbs heeft opgelegd aan Michael P., had ik haar foto op mijn bureau gezet naast een foto van mijn eigen kinderen. Om me mijn eigen falen en het falende systeem dagelijks te herinneren. Want dat falende systeem betekent verwoeste levens.
En begeleiders: hebben jullie geen empathisch vermogen? Want als ik me moet voorstellen wat Nienke en Anne en al die andere vrouwelijke slachtoffers die het systeem allang vergeten heeft, hebben moeten doorstaan, wil ik weer emigreren, ditmaal naar de maan.
De vermoorde Nienke uit Schiedam zou nu 28 zijn geweest, Anne Faber een jaar jonger. In Nederland moet iedereen een fijn leven hebben, zelfs moordenaars van kinderen en jonge vrouwen, maar hoeveel weegt het verloren leven van Anne of Nienke? Wat betekenen zij voor ons, die hen niet hebben kunnen helpen? Niets, omdat ze niet meer zijn? Niets, omdat ze gewoon pech hebben gehad?
Trouw, 22 augustus 2018

Wat kun je zeggen over de oude geschiedenis als de recentere pijnlijker is?
De woorden gingen afgelopen vrijdag en zaterdag in Boekarest voor de helft op. Ze waren inderdaad talrijk, de Roemenen die tegen de huidige regering kwamen protesteren: meer dan honderdduizend Roemenen uit de diaspora, onder wie ook ik, waren naar Boekarest gekomen om te demonstreren tegen de regering en leider van de regeringspartij, een Roemeense Erdogan.
Samen met een Roemeense schrijfster liep ik naar het plein voor het regeringsgebouw, waar ik de Nederlandse vlag van de Roemenen uit Nederland zocht. Een paar keer zag ik hem, maar de massa zoog me naar binnen en voerde me steeds een andere kant op.
Het enthousiasme dat ik met al die honderdduizend mensen deelde, was sterker dan wapens zoals het traangas, de granaten of de waterkanonnen op de pantserwagens waarmee de Roemeense regering de Roemenen uit de hele wereld ontving.

“Kijk de tanks daar”, zei de Roemeense schrijfster en ik vroeg me af hoe ernstig de situatie zou kunnen worden. Toen de gendarmerie traangas inzette, keek ik om me heen, naar de kinderen, de vele kinderen op de ruggen en schouders van hun ouders. Mijn Nederlandse man en kind, die mee naar Boekarest waren gekomen maar niet naar het eerste protest, sms’ten ik zodra mijn keel en ogen begonnen te branden: ‘Blijf waar je bent, niet in de massa’.
Soms is een land net een man en met een Roemeense man heb ik nooit willen trouwen. Ik hield wel van hen, van de Roemeense mannen, maar niet tot aan trouwen toe. En ik ontmoette mijn minder macho Nederlander, op wie ik verliefd werd. En hij bracht een nieuw land met zich mee, een land waarin mijn grootste angst is dat de Scheveningse duinen op een dag zullen worden overspoeld en niet dat de gendarmerie je versuft met traangas en waterkanonnen. Een land waar, zoals bij veel mannen en landen, veel te verbeteren valt, maar waar je waardigheid en kansen krijgt om jezelf te zijn.
In Boekarest werd ik de ochtend na het protest wakker met hoofdpijn en duizeligheid, een paar uur kon ik niet in een rechte lijn lopen. Gelukkig was ik niet een van de vijfhonderd mensen die medische hulp nodig hadden en niet een van de kinderen die zich aan de nek van hun vader vastklampten toen de mensen begonnen te rennen. Mijn kind zat op de eerste avond van de protesten veilig in een boekhandel in de omgeving.

Volgend jaar is het dertig jaar na de val van de Muur en ik plande een reportage voor de Nederlandse media. Maar wat kun je zeggen over de oude geschiedenis als de recente geschiedenis pijnlijker is?
Een land is soms net een man: je wilt een betere, een bij wie je je veilig voelt, een die je waardeert, een met wie je je gelijk voelt, een die je na een reis thuis niet ontvangt met traangas en waterkanonnen.
Een Roemeense vrouw uit de diaspora vroeg aan de gendarme die haar met traangas verblindde waarom hij dat deed: “Wat wilde je dan, dat ik je neukte?”, antwoordde de man met de missie.
Trouw, 15 augustus 2018

Hoe is het om jou te zijn?
Niet zo lang geleden noemde iemand me de ‘Roemeens-Nederlands-Zuid-Afrikaanse schrijfster’, omdat ik sinds twee jaar naast Roemenië en Nederland nog een land heb om van te houden, het derde in het rijtje. Ik vond het leuk, misschien ook wel omdat ik geloof dat hoe meer identiteiten je hebt, hoe minder je je vastklampt aan een ervan. Hoe minder ze iets betekenen. Hoe vrijer je bent.
Nadat in het communistische Roemenië van de jaren tachtig een bekende zangeres was betrapt bij een poging naar Berlijn te vluchten, werd ze op de nationale radio met veel ironie ‘de Berlijnse zangeres’ genoemd. Het was toen een doodzonde om van je heilige nationaliteit af te willen. En als ik nu, meer dan dertig jaar later, om me heen kijk, zie ik die heiligheid nog steeds. Het is zo belangrijk wat we zijn, alsof we wie we zijn zouden kunnen verbergen achter ‘wat’ we zijn.
Het was in Zuid-Afrika dat ik Adama ontmoette, een Senegalese marktkoopman van wie ik na lang onderhandelen een tas kocht. Van Roemenië had hij nog nooit gehoord en Holland zei hem ook niet veel. Europa wel, dat leek het magische woord. Hij was spraakzaam, vlot, jongleerde met zijn tassen en sprak als een veilingmeester, het had me niet eens verbaasd als in de hocuspocus ineens mijn portemonnee foetsie was geweest. Mijn hersenen waarschuwden me, maar het spektakel was veel te vrij om me zulke aardse zorgen te maken. Adama stelde me zijn drie broers voor, aan wier vingers ook gekleurde tassen groeiden en het woord ‘Europa’ hing ook ergens in de lucht. Misschien was ik nooit méér Europeaan in iemands ogen geweest dan toen in de ogen van Adama en zijn broers.
En ik werd niet bestolen op de markt door hen. Nee, dat gebeurde in de buurt van de ‘Magische Boer’, een disco in Bloemfontein, door een andere jongen. Een jongen met een enorme angst in zijn ogen. Hij had mijn rugzak geopend en pakte mijn telefoon, maar ik voelde het en draaide me om. Toen zag ik die enorme angst. Ik griste de telefoon terug en hij begon te roepen ‘This is mine!’ En ik: ‘Where is mine?’ Mijn eigen telefoon bleek in zijn mouw te zitten en we staken gelijk over. Ik zal die jongen nooit vergeten. Niet omdat hij mij had bestolen, maar vanwege de angst in zijn ogen. Toen hij in de koude Zuid-Afrikaanse nacht verdween, vroeg ik me af hoe het zou zijn om hem te zijn. Hoe zou dat zijn? In de discotheek, waar mijn drie collega’s en ik de enige blanken waren, dacht ik nog steeds aan die angst in zijn ogen. Hoe is het om de ander te zijn? “L’enfer, c’est les autres”, zei Sartre ooit en die nacht in Bloemfontein wist ik dat ook.
In mijn studententijd, toen we bij Frans ‘Lettres Persanes’ lazen, zagen we alleen de humor ervan: ‘Hoe kun je nou een Pers zijn?’ vraagt het Franse personage zich af, terwijl het Perzische karakter zich juist afvraagt: ‘Hoe kun je nou Frans zijn?’
Vandaag de dag doorleef ik de serieuze, bijna dramatische kant van die retorische vragen van de twee personages van Montesquieu. Hoe is het om Perzisch te zijn?
Wíe we zijn is veel interessanter dan wát we zijn. Wie ben je? En hoe is het om jou te zijn?
Trouw, 8 augustus 2018

Deze wereld heeft geen sokkels voor vrouwen, maar sekswerker Evelyn Rochel verdient er één
Deze wereld heeft geen sokkels voor vrouwen als Evelyn Rochel Villalba, in ieders ogen gewoon een prostituee. Maar zij is een heldin! Voor degenen die het interview met haar in NRC (19 juli) niet hebben gelezen: Evelyn Rochel Villalba (43) is een Colombiaanse sekswerker in Madrid, die strijdt voor de rechten van sekswerkers in Spanje.
In 2017 spande ze een rechtszaak aan tegen haar bazen in een Madrileense club, wat haar haar baan, haar huis en bijna haar leven kostte. Ze beschuldigde hen van schending van de mensenrechten. “Omdat íemand het moet doen”, zegt ze er zelf over, bewust dat ze zo’n zaak mogelijk niet gaat winnen.
Evelyn Rochel is een mengeling van Don Quichot en Erin Brockovich, maar is vooral zichzelf: een vrouw die de uitbuiting zat was, een strijdster die doorging, zelfs toen haar collega’s haar aanvielen.
Toch is het iets anders in het verhaal van deze fantastische vrouw wat mij diep raakt. Twintig jaar lang stuurde Evelyn Rochel geld naar huis voor de studies van haar neefjes en nichtjes. Een is inmiddels advocaat, een ander architect. Op zich al heel mooi. Maar zij deed nóg iets bijzonders, wat boven alle hulporganisaties en regeringen en Europese Unies uitstijgt: bij notariële akte liet ze vastleggen dat haar nichtjes, de advocaat en de architect, op hun beurt hetzelfde met hun eigen kinderen zullen doen: hun studies betalen. Zorgen dat de kinderen educatie krijgen.
Want Evelyn Rochel, een meisje afkomstig uit een arme wijk in Colombia, een in opstand gekomen prostituee in Madrid, weet dat educatie dé sleutel voor een beter leven is, een leven waarin je rechten als mens misschien niet zomaar geschonden worden. Van haar werk als prostituee betaalde ze dus geen villa, ze schonk haar neefjes geen auto of vakanties. Nee, ze betaalde hun studies.
Misschien lijkt dat ons in het Westen – niet wetend hoe het is om niet naar school te kunnen of mogen gaan – geen big deal. Maar dat is het juist wel, het is net zo’n big deal als de reis naar de maan.
Denk aan alle kinderen in de wereld die al op hun vijfde werken, denk aan de kinderen die in een Afrikaans land zelfgemaakte windmolentjes van ijzerdraad verkopen langs de weg, denk ook aan de zevenjarige herdertjes in Oost-Europese landen: herder geboren – herder gebleven. Denk aan al diegenen die het ook zouden willen: elke zomer schoolspullen kopen en een nieuw lesrooster krijgen.
De wereld zit vol mogelijkheden die nooit zullen uitkomen. Als ik de Belastingdienst was, zou ik een speciale aftrekpost voor de rijken instellen: belastingaftrek voor studiebeurzen ten behoeve van kansarme kinderen, minder belasting betalen als ze een toekomst voor arme kinderen mogelijk maken. Dat is wat Evelyn Rochel deed. Niet alleen voor haar neefjes en nichtjes, maar ook voor hún kinderen. Alsof ze direct uit een van de theorieën van socioloog Pierre Bourdieu komt, wist Evelyn Rochel hoe belangrijk cultureel kapitaal is, waarin het kind een opleiding, vaardigheden en kennis krijgt.
De rechtszaken tegen haar voormalige baas gaat ze misschien verliezen. Of niet. Wie weet? Misschien wil de rechter die haar zaak behandelt ook geschiedenis schrijven en stelt hij haar in het gelijk, in de naam van alle uitgebuite prostituees ter wereld. Dat weten we niet. Wat we wel weten is dat Evelyn Rochel Villalba tegenwoordig al haar geld stopt in het bouwen van een sportschool in haar geboortestad in Colombia.
Trouw, 1 augustus 2018

Blok is het type Nederlander dat ik heb geleerd te negeren
Na de recente uitspraken van minister Blok lijkt het alsof iedereen wil laten zien – in beelden en voorbeelden – hoe multicultureel we zijn. Maar niet wíj zijn het probleem, maar de nu wereldbekende minister Blok.

Zolang we dat niet begrijpen, blijven we zoeken naar voorbeelden van multiculturalisme, die soms nogal komisch overkomen. Dat je als Nederlander drie keer in de week shoarma eet met je vrouw , betekent immers nog niet dat je overtuigd bent van het succes van de multiculturele samenleving.

Blok is net mijn Nederlandse schoonmoeder, die mij – Oost-Europese schoondochter – vroeg of ik eigenlijk wel christen ben. En dat met enige regelmaat. En ik was zo naïef om het probleem bij mezelf te zoeken. Een van de ‘grappigste’ vragen die ik ooit na een lezing kreeg, was of we in Roemenië wc’s hadden. “Nee”, antwoordde ik toen, “juist voor de wc’s ben ik naar Nederland gekomen.”

Blok is het type Nederlander dat ik heb geleerd te mijden. Te negeren. Maar Blok is Nederland niet. Hij is slechts de vrouw die je vraagt of je de oppas van je (eigen) kind in je kinderwagen bent, de hooggeplaatste functionaris aan wie je je voorstelt en vertelt dat je Roemeense bent, waarop hij spontaan antwoordt: ‘Geeft niet, hoor!’. Hij is de buurvrouw die ‘Ga terug naar je eigen land!’ roept, de lezer die zegt dat je gemengde huwelijk tot mislukking is gedoemd. En zo kan ik nog een paar voorbeelden geven. Het type dat je helaas op alle niveaus van de maatschappij tegenkomt, van schoonmoeder tot minister. In feite een primitief type, diep overtuigd van zijn eigen waarheid. Het type mens dat geen echte reis maakt in het leven, maar in zijn cirkeltje blijft.

Ik herken het type vrij snel, soms al voordat ik met hem in een interactie beland. Op de tijdlijn van het racisme is het de voorouder van het type dat heeft geleerd zich zo veel mogelijk in te houden, maar hetzelfde uitstraalt. Eigenlijk zijn we verbaasd dat Blok in die evolutie nog bij de homo habilis zit, terwijl we dachten dat hij bij de erectus hoorde te zijn, gezien zijn functie tenminste. En Blok is lang niet het ergste type, kijk maar rond in de Nederlandse politiek: van hoeveel anderen wachten we nog op de ‘oprechte’ excuses? We zijn in shock, omdat we ervan zijn overtuigd dat wij, Nederlanders, hoog op de evolutieschaal staan. Dat wij sinds de eerste tulp alleen maar vooruitgang boeken. Als iemand niet in het Nederlands, maar in het Neanderthaals roept, schrikken we ons dood.

Na een paar moeilijke jaren in Nederland heb ik ervoor gekozen om alleen de voordelen van migratie te zien. Om niet meer te piekeren, om de kans opnieuw te beginnen volledig te benutten. Om mezelf, als buitenlandse, rijker te voelen, juist omdat ik meer, meer, meer heb. Om, net als Mesut Özil, die Duitse voetballer met Turkse roots, twee of meer harten te hebben. En om mijn rijkdom te laten zien. Ik heb besloten om het type Blok en andere Blok(ken) zoveel mogelijk te vermijden. Om de ‘Ga terug naar Roemenië’-buurvrouw achter te laten en naar een ‘betere’ buurt te verhuizen. Om hun de (non-)aandacht te geven die zij verdienen.

Moeilijker wordt het als iemand als Blok minister wordt. Dat hij minister van buitenlandse zaken is, zie ik als een ironie van onze (kleine) geschiedenis. Ik neem aan dat het gecorrigeerd kan worden.
Trouw, 24 juli 2018

Geëngageerd
Ik ontmoette Saskia bij mijn eerste echte demonstratie, zo’n protest waarbij je met spandoeken staat en leuzen roept. We protesteerden voor beëindiging van de prostitutie in de Doubletstraat en Saskia viel op tussen die enkele politici die verplaatsing ook goed vonden, zolang er maar pers bij was om, zo vlak voor de verkiezingen, hun aanwezigheid te melden. Saskia viel op, omdat ze meende wat ze zei, niet met woorden alleen, maar met heel haar lichaam.
Deze week bezocht ik haar in haar atelier aan de Stille Veerkade, niet ver van de Doubletstraat. Vanaf een geïmproviseerd balkonnetje liet ze me ‘oud en nieuw Den Haag’ zien, maar ik moet toegeven dat ik niet onder de indruk was, omdat ik hoogtevrees heb en bijna niets heb gezien.
Maar des te meer was ik onder indruk van het Den Haag in haar atelier, van de portretten aan de wanden. Een Den Haag waarin vrouwen worden uitgebuit, bedreigd, geslagen, of zelfs vermoord. Vrouwen die in hun helse reis naar een beter leven in Den Haag belanden. Saskia toonde me in haar portretten de duistere kant van de migratie, waarbij vrouwen en meisjes hun onschuld en dromen inruilen voor een paar centen en herinneringen die de ziel verstikken en het lichaam martelen. Saskia schilderde de meiden van de Doubletstraat en reisde zelf naar Oost-Europa om hen beter te begrijpen. Als wij op reis gaan, bezoeken we musea of gaan we voor de stranden; Saskia bezocht internaten en weeshuizen. Wij komen terug met souvenirs; zij kwam met portretten van weeskinderen. Ik wilde haar niet vragen wat haar drijft. Ik keek rond in Saskia’s atelier en het duizelde me bij de pijn die ik in elke blik van een kind of jonge vrouw zag.
Naast het raam zag ik de gesloten ogen van een dood meisje, gevonden in een gracht. Haar mond stond open. De ogen zullen me bijblijven, ook al waren ze dicht. De mond wilde nog iets zeggen, maar de dood liet het niet toe. Saskia zegt het voor haar, zo goed dat ik het meisje nooit zal vergeten. ‘Een Bulgaarse, gevonden in het water, een familielid uit Bulgarije kwam haar identificeren, jaren geleden.’
Na mijn bezoek heb ik nog een uur rondgelopen tot ik weer normaal lucht kon krijgen. De gezichten vergeet ik nooit meer: landgenoten, tijdgenoten, vrouwen zoals ik, meisjes zoals ik ben geweest.
Als ik aan Saskia denk, sta ik voor een dilemma: wat vind ik het leukst, dat ze kunstenaar is, een ware, of dat ze zo geëngageerd is? We hebben in Den Haag onze eigen Marlene Dumas en ik wist het niet! Op 1 september opent Saskia Tannemaat een nieuwe expositie in de Twelve Twelve Gallery in Den Haag.
Den Haag Centraal, 5 juli 2018

The Hague Gardian
Ik lig al een paar dagen met koorts in bed. Geen malaria, maar een stevig griepje.
Maar omdat ieder nadeel zijn voordeel heeft, kijk ik tussen de slaap-, eet- en drinkpauzes naar een Netflix-serie. Niet zomaar een, maar een serie die onze stad als kader gebruikt. ‘Crossing Lines’ is een Amerikaanse serie over een eliteteam gelieerd aan het Internationale Strafhof in Den Haag. Het is waar dat het International Crime Court (ICC) in werkelijkheid alleen oorlogs- en soortgelijke misdaden behandelt, die in deze film niet echt aan bod komen, maar voor iemand met koorts is dat maar een detail.
Leuk is dat ‘le quartier general’ van het ICC in de serie daadwerkelijk in Den Haag is, ongeveer onder het kantoor van premier Rutte als je de beelden van de film op de werkelijkheid plakt. Ook Rotterdam en Amsterdam komen aan bod. Misdaden in Praag, Berlijn, Parijs, maar ook Sofia worden opgelost door het ICC in Den Haag, en Europa lijkt klein en lijkt enigszins op een goulash met van alles erin. Wat natuurlijk ook niet ver van de werkelijkheid is, aangezien criminelen in Europa in het echt ook moeiteloos van land naar land kunnen reizen.
Hilarisch zijn de clichés. Ook in deze serie over Nederland ontbreken Van Gogh en Vermeer niet. De ‘local women’ zijn roodharig en zouden beter passen in ‘Het meisje met de parel’ dan in een serie over Nederland anno nu. In elke aflevering zie je een of twee keer het Binnenhof voorbijkomen en eenmaal hoorde ik de oude Donald Sutherland, die mijn dochter zelfs kent, in het Nederlands zeggen: ‘Geef me de rekening, alstublieft.’ Namen als Scheveningen of Schiphol werden drie seizoenen lang niet één keer goed uitgesproken.
Mijn favoriete aflevering was die over de zaak tegen een Afrikaanse dictator, waarin de rechterhand van Donald Sutherland, alias Michel Dorn, met haar bron communiceert via advertenties in The Hague Guardian! Toen wist ik zeker dat mijn koorts even steeg, want dat moest ónze krant zijn!
We wonen in een piepkleine stad, in een klein Europa. Het team vergadert vaak in de trein en dat lijkt vaak op een mooie reclame voor de Thalys. Bij een echtelijke ruzie in die mooie stoelen in een van de eerste afleveringen had ik een sterk déjà vu.
Alles is bekend en gebeurt dichtbij. In Europa, dat ik nooit kleiner heb ervaren dan in deze serie. En hoewel de serie zeker geen documentaire is, was ik nooit blijer om het Binnenhof op tv te zien, mede dankzij de koorts natuurlijk. We zijn klein, maar afgaand op deze serie wordt er veel onrecht rechtgezet in onze kleine Den Haag.
Den Haag Centraal, 28 juni 2018

Beren op de weg
Het Leger des Heils slaat alarm over de overvolle daklozenopvang. Het gaat om honderden mensen die mogelijk een gevaar voor de samenleving vormen en opvang nodig hebben. De waarschuwing komt van Legercommandant Hans van Vliet.
Zulke berichten horen meer thuis in mijn geboorteland dan hier, dacht ik, maar misschien moet ik er maar aan wennen. (Met geweld van hun ouders gescheiden migrantenkinderen hoorden tot drie jaar geleden ook niet bij Amerika, maar zijn nu de Amerikaanse realiteit.)
Eens per jaar, vooral na een strenge winter, waarschuwde mijn vader me dat ik ’s middags binnen moest blijven omdat er uitgehongerde beren rondliepen die schaamteloos varkens uit hun hokken kwamen plukken. Niet ver van ons dorp liep een beer via het trappenhuis tot de vierde verdieping, waar hij een mens doodde. De beer werd doodgeschoten en op het nieuws werd ons verteld dat beren een gevaar voor de samenleving waren geworden. Zoals deze daklozen, voor wie deze meneer ons waarschuwt. Wat mij hierbij verbaast, is de nuance dat ze een gevaar voor de samenleving vormen en dat we daarom een oplossing moeten vinden. Er wordt geen beroep meer gedaan op de menselijke kant van de lezer, zoals we gewend zijn van goede doelen en liefdadigheidsinstellingen. Nee, we moeten een oplossing vinden voor de mogelijk gevaarlijke daklozen, omdat wij anders in gevaar verkeren. We doen het niet voor hen, maar voor onszelf, en dus we zijn verplicht het te doen.
Het gaat niet goed met de wereld, vrees ik. We zijn bang voor mensen zoals voor wilde beren en van beer tot wolf is niet ver. Homo homini lupus, zegt een Latijns gezegde. De mens is wolf voor de mens. Net internationale politiek.
De commandant van het Legers des Heils vraagt de gemeenten een oplossing te vinden. En wel voordat de gewone mens in paniek raakt en overal beren gaat zien. In acht jaar tijd is het klantenbestand van het Leger des Heils gegroeid van 30.000 tot 50.000. We leven in moeilijke tijden. Zelfs in Nederland. Maar door onze overvloed zien we dat niet. We leven in een reusachtige tompouce en zolang de beren niet tot onze verdieping komen en van onze tompouce eten, bestaan ze niet. Zoals ook die kinderen van Amerikaanse/niet-Amerikaanse migranten niet bestaan. Misschien zou het beter zijn als Trump met hen een akkoord zou sluiten en niet met Kim. Want als ik Trump was, zou ik banger zijn voor hen.
‘Het maakt mensen niet uit hoe het met de ander gaat,’ concludeert de commandant van het Leger des Heils. Op een dag zal de tompouce in onze keel blijven steken en van de schrik zullen we grote ogen opzetten. En wie weet wat we dan zullen zien…
Den Haag Centraal, 21 juni 2018

Pas op, Den Haag
Niets gaat boven Den Haag op zondag, het Lange Voorhout, de mooie markt. Vredig Den Haag. Maar afgelopen zondag liet vredig Den Haag me even schrikken. Aan het begin van de antiekmarkt ineens veel politie. Ik heb ze geteld: veel! Voor de drie als zodanig herkenbare moslims bij het gedenkteken Karel Bernhard van Saksen: een demonstratie. Ik ging dichterbij kijken en hoorde een gesluierde vrouw tegen haar twee kindertjes zeggen: “Deze man heeft niets gedaan en is onterecht gearresteerd.” Ze wees op een foto en schudde zachtjes het armpje van het jongetje van twee. Hopelijk nog te klein om het te onthouden, dacht ik en ik liep door.
Toen ik na een kwartier terugkwam, was er een heus protest aan de gang. Twee jongemannen met een lange baard in een Arabisch gewaad informeerden ons, de pakweg vijftien aanwezigen, dat ‘onze broeder’ Tarik Chadlioui, alias Tarik Ibn Ali, ‘onterecht gevangengehouden wordt in Spanje’. De eerste en ongeveer enige bron die stelt dat ‘onze broeder’ onschuldig is, begreep ik na enig onderzoek op internet: alle andere bronnen op internet, de media, meldden juist dat Chadlioui wordt verdacht van het leiden van een terreurcel die jongeren in Spanje voor terreurbeweging IS zou rekruteren. Ook zou hij de beweging via YouTube hebben gepromoot, wordt hij haatimam genoemd etc. Ze stonden daar namens zijn familie, zeiden de lange baarden. Ook twee van zijn vele kinderen zaten er, samen met de opa. Er werd in vier talen gesproken: Arabisch, Spaans, Nederlands en Engels. Ongeveer dezelfde boodschap, andere woorden: ‘We zijn goed voor iedereen, geliefde brothers and sisters, steun onze broeder, de islam is alleen peace op aarde!’
Nederlanders die voor de markt kwamen, liepen verder. Behalve ik was er nog één belangstellende buiten de aanhang van de broeder: een freelancefotograaf. Verder geen pers, toen. Wel de tot de islam bekeerde ex-PVV’er Van Doorn.
Ik vond het eng, daar in hartje Den Haag. Het verbaasde me dat er toestemming was gegeven voor zo’n actie, maar ja, natuurlijk snap ik niet alles. Thuis bekeek ik de demonstratie nog eens op Facebook en vond het er minder eng uitzien. Maar op Facebook was niet alles geplaatst. Ik had een van de baarden duidelijk ‘Pas op!’ horen zeggen en wilde begrijpen voor wie die waarschuwing was bedoeld; op hun Facebook-pagina vond ik het niet.
Ik zag de mensen rustig naar de antiekmarkt lopen en kreeg het gevoel dat Den Haag slaapt, de slaap van Doornroosje.
Laten we hopen dat de Schone Slaapster Den Haag nooit door een terroristische aanval zal worden wakker geschud.
Den Haag Centraal, 14 juni 2018

Migratiemuseum
Het lang geplande migratiemuseum lijkt mijn vakantie wel: tot op het laatste moment weten we niet of het doorgaat, het is alsof het uit de hoed van de ene goochelaar wordt getoverd, terwijl de andere goochelaar het juist in de hoed wil laten. Zoiets gebeurt soms bij machtswisselingen, niets nieuws onder de zon. Maar Den Haag zou een Migratiemuseum moeten hebben. Gezien zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst.
Meer dan de helft van de bevolking van Den Haag heeft een migratieachtergrond en daarmee is alles gezegd. Maar Den Haag is conservatief en daarmee is ook iets gezegd. Ik vraag me af of Den Haag conservatiever is dan andere grote steden in het land. Behalve Amsterdam dan, waar de nieuwe wethouder van kunst en cultuur in Marokko is geboren.
Laatst bezocht ik een muzikale avond over Afrika. Tien fantastische zangeressen brachten authentieke Afrikaanse muziek ten gehore. De avond stond onder leiding van een Nederlandse, blanke dame, die het goed deed en toch ook weer niet. Zij vertelde het verhaal, zong mee, trok de conclusies. Het was leuk, maar toch ook weer niet, omdat juist door haar inbreng het authentieke minder was. Af en toe had ik het gevoel dat ik naar een documentaire keek waarin een geschoolde blanke een inheems volk introduceert. In de pauze vroeg ik mensen om me heen wat zij ervan vonden en ze zeiden, min of meer, dat de blanke dame het verpestte. Maar, en hier komt mijn point, dat die tien Afrikaanse zangeressen zonder haar niet op het podium zouden hebben gestaan. Dat ze een blanke nodig hadden die hen kon introduceren. Misschien hadden de mensen gelijk, misschien niet. De show was in het hele land te zien, niet alleen in Den Haag. De zaal zat vol migranten, misschien maakten zij meer dan negentig procent van het publiek uit. En die overige tien procent had wel iets met Afrika: ‘Toen ik de laatste keer in Afrika was,’ heb ik bij de bushalte, na de show, meermalen horen zeggen.
Vorige week liep ik door een straat met een kerk waar ik geen woord Nederlands heb gehoord. De kerk was vol en het voorhof ook, en de helft van de straat was geblokkeerd, met Polen. Geen kerk in Den Haag die voller is dan de Poolse kerk. Zou je hun verhalen niet willen horen? Zou je geen festival over migratie willen bijwonen? Misschien in het toekomstige Migratiemuseum. Want een Migratiemuseum In Den Haag kun je alleen vertragen, niet verbieden.
In Rotterdam komt een Migratiemuseum voor verhalen van mensen die Nederland verlaten, las ik in de krant. Ziet niemand de humor hiervan in?
Den Haag, 7 juni 2018

Onze Anne
‘De moord op onze Anne had voorkomen kunnen worden. Daar ben ik van overtuigd,’ zegt de vader van Anne Faber in de Volkskrant. En hij heeft gelijk.
Het is zeker niet de eerste keer dat het systeem faalt, maar in dit geval moet het systeem zich schamen. En daarmee ook wij, die het falende systeem tolereren. Ik had een ander beeld van Nederlanders: hulpvaardige initiatiefnemers, mensen die rechtzetten en steunen, pioniers. Maar in het tragische geval van Anne Faber blijken we passief en vergeetachtig, het lijkt ons niet te kunnen schelen dat Anne Faber op beestachtige wijze om het leven kwam, niet door een ongeluk, maar door een misdadiger die vrij rondliep. En daarvoor moeten we ons diep schamen, zeg ik nogmaals. Anne Faber is immers ook ‘onze’ Anne, is van ons allemaal. Haar vader eist gerechtigheid voor de dood van zijn dochter en wij moeten onze stemmen mengen met de zijne, want zijn Anne had ook onze Anne kunnen zijn, onze Maria of Fatma, onze zus of dochter, die door een vrij rondlopende misdadiger, vanwege een falend systeem, om het leven wordt gebracht. Michael P. heeft Anne niet alleen gedood, hij heeft haar ook verkracht en vernederd, een pijn laten lijden die wij ons niet eens kunnen voorstellen. Waarom heeft onze Anne dat moeten verduren? Waarom zou een vrouw, zo’n jonge vrouw met een hart vol dromen, het slachtoffer moeten zijn van een slap, onervaren, onprofessioneel en ongevoelig systeem? Zelf zijn wij ook Annes, wij kunnen ook zomaar verkracht of gedood worden, wij zijn haar zussen en haar moeders, wij zijn haar.
Een systeem dat ondanks alle aanwijzingen niet kan inschatten hoe gevaarlijk een misdadiger is, is een slecht systeem, en degenen die het systeem vertegenwoordigen, zijn slechte dienaars van het systeem. Zij moeten hun verantwoordelijkheid nemen voor de dood van onze Anne. Hoeveel betekent het leven van een jonge vrouw in het huidige Nederland? Volgens het systeem niets, Annes waarde in de ogen van de toenmalige voorzitter van het gerechtshof, Rinus Otte, is een dikke nul, en in zijn ogen is niet alleen het leven van Anne een dikke nul, maar ook het leven van de twee minderjarigen die in 2012 door Michael P. werden verkracht. En ook het leven van ons, de andere Annes.
We zijn Nederlanders, trotse bewoners van een land waar het leven van onze Anne in de ogen van het rechtssysteem en zijn toenmalige vertegenwoordiger, Rinus Otte, niets betekent. Is ons land beter dan een van die landen waar vrouwen worden gestenigd? Echt? Als je naar de dood van Anne kijkt niet! De moord op onze Anne had voorkomen kunnen worden. Vader van Anne, ik ben het met u eens. En ik roep met u mee.
Den Haag Centraal, 31 mei 2018

Vrouwen
Ik zat op het enige vrije bankje voor de Hofvijver. Het begon nogal warm te worden, voor ons begrip tenminste. Het was al de derde warme dag op rij en eerlijk gezegd wist ik niet hoe ik drie warme dagen moest benutten.
Ik haalde een boek uit mijn tas en begon te lezen. Een mevrouw vroeg netjes of ze naast mij mocht zitten. Amper twee minuten later verscheen er, uit het niets, een microfoon tussen ons twee, groot als een ouderwetse nachtkastlamp.
Verderop een cameraman, die ons al aan het filmen was. En aan het andere uiteinde van de microfoon een stem. Maar in plaats van op te kijken duwde ik mijn hoofd dieper in mijn boek. De woorden (tegen de mevrouw naast me) hoorde ik wel: “Mevrouw, ik ben psychologe en ik wil u wat vragen over uw liefdesverdriet.” Pardoes. Ineens realiseerde ik me hoe saai mijn boek was. Ik hoorde mijn buurvrouw gehaast ademen. Ik keek op en zag hoe ze bleek werd en een paar keer slikte. “Liever niet,” zei ze zacht en ze keek angstig om zich heen. “Ik probeer er elke dag overheen te komen,” vulde ze aan, zo zacht dat de microfoon met menselijk verlengstuk het vast niet hoorde. Maar toen richtte de microfoon zich tot mij: “Hebt u weleens liefdesverdriet gehad, mevrouw?” Ik keek en zag dat de mevrouw en ik de enige vrouwen zonder man op de bankjes waren. Dus kwetsbaar in de ogen van de microfoon.
Ik moet zeggen dat, hoewel ik een Nederlands paspoort heb, mijn bloed nog steeds op de Roemeense manier kan koken. (En soms is het de vraag of ik ook niet wat zigeunerbloed heb.)
Eén seconde dacht ik erover om mevrouw de psycholoog met haar eigen wapens te verslaan. “U niet?”, had ik haar willen vragen. “Wat hebt u zelf, een gebroken hart, onbeantwoorde liefde, geen orgasme met uw eigen man? Gescheiden? Hoe komt het dat u zoveel tijd hebt? Gaat u met de cameraman naar bed? Hebt u het deze ochtend nog gedaan? Hebt u soms drie mislukte IVF-pogingen achter de rug? Symptomen van een uitgedroogde vagina? Een vader die u verlaten heeft? Verkeerde partners? Of bent u gewoon een bitch, een ongevoelig mens, en kan het u niet schelen dat u een kwetsbaar mens breekt, op de dag dat ze van ver (zo zou ik later horen) naar Den Haag is gekomen om haar problemen even te vergeten?” Ik heb dit allemaal niet gezegd. Ik heb haar gevraagd (niet erg netjes) om ons met rust te laten.
Daarna ben ik nog twee uur op het bankje blijven zitten en heb ik een moeilijk levensverhaal aangehoord. We hebben elkaars hand vastgehouden en elkaar moed ingesproken.
Den Haag Centraal, 24 mei 2018

Tijd is luxe
De Haagse politie arresteerde vorige week een man die drie mensen had verwond met een mes. De slachtoffers zijn buiten levensgevaar.
Een week later schoot de Parijse politie in een soortgelijke situatie een man dood die vier slachtoffers met een mes had verwond, van wie er een overleed. De Franse minister van Binnenlandse Zaken feliciteerde de politie op Twitter voor het neutraliseren van de aanvaller.
Twee verwarde mannen, zoals de pers ze in beide landen noemt, de een afkomstig uit Syrië, de ander uit Tsjetsjenië, allebei ‘Allahoe akbar’ (god is groot) roepend tijdens hun daad. Twee gelijke daden, verschillende consequenties. In een stad als Parijs, levend in angst na Hebdo en Bataclan, volgt de politie duidelijke regels om een nieuwe aanslag te voorkomen. Ook in de Franse pers lijdt het geen twijfel dat het om een terrorist ging.
Anders is de optiek van onze politie en autoriteiten, wat verklaarbaar is door het feit dat een terroristische aanslag ons stadje tot nu toe bespaard is/was gebleven. Gelukkig. Daarnaast bleek ‘onze’ dader ook bekend te zijn bij de politie, omdat hij een tijdje geleden zijn huisraad op straat had gegooid. Malek (want zo heet hij) stond niet op de lijst met potentiële terreurverdachten.
Men leek het erover eens: het betrof een verward persoon. Zelfs de politie en de woordvoerder van burgemeester Krikke meldden dat de man al bekend was bij instanties vanwege ‘verward gedrag’. Ik heb het nergens gelezen, maar ik kan me voorstellen dat ook onze Haagse politie een schouderklopje heeft gekregen, omdat ze de dader op z’n Haags hebben geneutraliseerd. Want stel je eens voor dat ze zoals bij Mitch Henriquez de nekklem hadden gebruikt, en de dader dus op Franse wijze hadden geneutraliseerd! We krijgen te horen dat de Franse dader in het verleden een aardige buur was, aldus zijn buurman, en dat er iets met hem gebeurd moet zijn. Zal best. We bidden dat de toekomst de autoriteiten niet in het ongelijk zal stellen. Hoewel ik denk dat het voor het dode slachtoffer niet veel uitmaakt of hij is gedood door een nuchtere terrorist of een… verwarde terrorist. Oh ja, ik vergis me: allereerst is onze dader geen terrorist en ten tweede is er bij ons geen dode gevallen.
Misschien wilde Malek zijn drie slachtoffers gewoon een gedwongen tatoeage geven en had hij geen moordaanslag in zijn agenda. Het gaat erom hoe je het bekijkt. En dat is eigenlijk het verschil tussen de Parijse politie en die van ons, tenminste officieel. Daar, in Parijs, hebben ze, na Bataclan, geen tijd meer om het te bekijken.
Den Haag Centraal, 17 mei 2018

Branoul
De mens heiligt de plek, zeggen we in mijn moedertaal, maar ik denk dat het gezegde al gedateerd is, want de mens is veranderd en de plekken ook. Toch kom ik soms mensen en plekken tegen die me aan dit gezegde doen denken. Neem nou een theater als Branoul en een artistiek directeur als Bob Schwarze: afgelopen zondag ging ik naar ‘Animal Farm’ in Branoul en in de eerste drie minuten moest ik al denken aan het gezegde. ‘Zijn er extra stoelen nodig?’, vroeg de artistiek directeur, reeds ‘gekleed’ als zijn personage, een minuut voor aanvang. ‘Oké, we zetten er nog wat stoelen bij.’ En met ‘we’ bedoelde hij zichzelf. In zo’n setting is de afstand tussen jou als publiek en de acteur nihil: een klein gezelschap gaat op het podium spelen voor jou!
Ik had dan ook het gevoel dat ik reisde in de tijd en dat ik naar een klein shakespeareaans gezelschap keek dat ad hoc iets voor mij ging spelen. De vijf mannen op het podium, alleen mannen, versterkten het gevoel van de tijdreis; immers, in de tijd van Shakespeare mochten er geen vrouwen op het podium (en dit is gelijk ook het enige wat ik zou kunnen aanmerken op wat ik zondag in Branoul heb gezien: dat er geen vrouw speelde, dat zelfs de rol van merrie Mollie, met lintjes in haar manen, werd vertolkt door een man.) Verder alleen een aangenaam gevoel van een goed gebruikte zondagmiddag!
‘Animal Farm’ is altijd actueel, ook afgelopen zondag, een dag nadat de wereld de tweehonderdste geboortedag van Karl Marx had ‘gevierd’. Het verhaal kennen we (of denken we te kennen), de werkelijkheid van het verhaal kent het Westen niet. Gelukkig maar! Het was echter niet de politieke kant die me nu boeide, na zoveel geziene Animal Farms en de Animal Farm waarin ik zelf ben opgegroeid, maar vooral het thema van de dierenrechten. Ik ben ervan overtuigd dat de nieuwe, vegetarische generatie middelbare scholieren, met gevoel voor dierenrechten, het verhaal een nieuwe impuls geeft. Het verhaal past gewoon bij hun overtuigingen.
Met één schoolklas heb je de zaal van Branoul vol. Het onderwerp boeit hen al, de voorstelling zal hen niet teleurstellen. Bob Schwarze knort, kakelt en verandert in het dier dat hij speelt. Als hij zich op een gegeven moment verspreekt, maakt hij er een grap van: ‘Het is warm.’ Het publiek lacht en de gecreëerde intimiteit wordt groter. De andere vier mannen doen niet voor hem onder, ik kan me nog steeds memorabele passages voor de geest halen. De middelbare scholieren zouden Napoleon (Marijn Prakke) ongetwijfeld ‘vet’ vinden en de interactie film/muziek ‘cool’. Docenten Nederlands/Engels/geschiedenis, Branoul komt de generatie scholieren aan wie jullie lesgeven heel mooi tegemoet!
Den Haag Centraal, 10 mei 2018

De geschiedenis is (g)een bitch
“De geschiedenis is een bitch,” zei ik inderdaad. Het was het enige wat mijn tienerdochter met oortjes in haar oren opving en het bleef natuurlijk niet onbestraft: “Zoiets kun je niet zeggen! Wat is dan geschiedenis volgens jou?” We zaten in de auto van Den Haag naar Bonn in Duitsland en in de oren van mijn man dreunde ik zo’n zeventig jaar geschiedenis op. Mijn conclusie hebt u net gehoord. Geschiedenis fascineert me steeds meer naarmate ik ouder word, maar op de wijze waarop kanker een hypochonder fascineert. Mijn man hoorde wel alles wat ik zei, maar op heel onverwachte momenten is hij wijs als een rabbijn en zwijgt hij. Gelukkig heb ik een tienerdochter die mijn uitlatingen niet onbestraft laat. En dus begon ik – close met de geschiedenis – een eigen herdenkingsmanifestatie: “De geschiedenis heeft zo veel levens verwoest!” Dat was voor mijn vrij geïrriteerde dochter te vaag en daarom wilde ik een concreet voorbeeld geven. Eerst een eigen voorbeeld. “Als ik, zoals jullie, in het Westen was geboren,” begon ik, en ik stopte, want ik zag mijn man en mijn dochter blikken uitwisselen in de spiegel, een van hun vele manieren van non-verbale, maar effectieve communicatie. Dus ik zocht een ander voorbeeld.
Een tijd geleden ontving ik een brief van een kennis waarin het ‘onbekende verhaal’ werd verteld van een miraculeuze redding van ruim 2300 Joden in 1940 uit de toenmalige Litouwse hoofdstad Kaunas.
Jan Zwartendijk, plaatselijk Philipsdirecteur, in 1940 benoemd tot consul, schreef visa uit voor Curaçao en Suriname voor Joden die op het punt stonden door de bezetters (eerst de sovjets, daarna de nazi’s) gegrepen te worden. Zijn Japanse collega Chiune Sugihara zorgde voor doorreisvisa. Ruim negentig procent van de Joden in Litouwen is in de oorlogsjaren uiteindelijk door de nazi’s vermoord, maar 2345 van hen werden gered.
“Het is maar hoe je het bekijkt,” zei mijn dochter. En ik mocht zelf de conclusie formuleren. De geschiedenis betekent wel oorlog, maar ook veel meer dan dat, meent mijn vijftienjarige dochter; de geschiedenis is ook de reddende engel in de naar mij gestuurde brief. En ook het gewone leven, zoals het onze en dat van vele anderen. Opeens kreeg mijn man zijn stem terug. De lijst met wat geschiedenis is, bleek lang.
Van ons drieën ben ik de enige die onder het juk van de geschiedenis heeft geleefd en ik hoop dat dat zo zal blijven. Maar mijn dochter heeft wel een punt. Namelijk dat de geschiedenis vreselijk kan zijn (en zich herhaalt), maar tegelijk veel meer dan verwoeste levens is en moet zijn.
Den Haag Centraal, 3 mei 2018

Blote voeten
Het is de tot nu toe warmste dag dit jaar. Ik zit in de trein naar Amsterdam. Vol. Behalve schuin tegenover me, daar zit één man op alle vier de plekken. Een keurige man van in de zestig, dacht ik toen ik eerst zelf naast hem wilde gaan zitten. Maar toen ik hem naderde, hield ik in als een galopperend paard dat op zijn achterbenen stopt en zijn hoofd in zijn nek gooit, als dat beeld u iets zegt. Het keurige gezicht had een lichaam met nek, romp en benen, en de laatstgenoemde waren ontbloot tot boven de knieën en lagen daar in al hun luister. De schoenen onder de bank; de keurige, blote, op het eerste gezicht van pedicurebehandeling voorziene voeten lagen te drogen op de bank ertegenover. Het gebeurt wel vaker dat ik mensen zie die hun voeten (doorgaans met schoenen en al) op de bank aan de overkant leggen en ik heb verschillende verhalen gehoord na mijn korte vraag aan hen (waarom?). Van geen reactie tot het meest intrigerende: “Mijn moeder heeft kanker, dus flikker op!” Dit is een ander verhaal, maar ik weet niet waarom, de voeten op de bank rijmden gewoon niet met de keurige kop. Ik heb ooit een voetenfotograaf ontmoet, waarschijnlijk heb ik het van hem, maar van Hollands Spoor tot Haarlem heb ik constant naar de voeten gestaard. Eigenlijk van de voeten naar het hoofd en weer terug. Tussen HS en Amsterdam waren er zes mensen die op de bank met de voeten hadden willen zitten, totdat ze de voeten zagen en min of meer dezelfde beweging maakten als ik, als een paard op zijn achterbenen. In mijn hoofd vroeg ik de man wel honderdmaal waarom, maar ik wist ook dat zo’n simpele vraag niet zou passen bij zo’n keurige kop. Dus ik wachtte.
En mijn deugd werd beloond, want toen de passagier aan de andere kant van het gangpad met een sterk Australisch accent ongeveer aan iedereen en niemand vroeg: “But what is typically Dutch and where are the flower fields?”, keken wij, een jonge, waarschijnlijk in Turkije geboren man en ik, elkaar aan en zwegen. Misschien voelden we ons niet honderd procent Nederlands en wachtten we tot een onbetwiste honderd procent het juiste antwoord zou hebben. Het kwam van de blote voeten. In een prachtig Engels legde de man uit wat de Keukenhof is en vertelde hij hoe geweldig ‘the tulip fields are in the spring’. En toen zei hij dat hij ook ‘Tulpen uit Amsterdam’ zou willen zingen, maar hij schaamde zich voor zijn stem en wilde zijn medepassagiers niet belasten. Waarop de in Turkije geboren jongen en ik elkaar weer aankeken en in een stomme, ongecontroleerde slappe lach uitbarstten.
Den Haag Centraal, 26 april 2018

Veertien dagen
Met een zekere regelmaat ontvangen we gemeentelijke brieven. De strekking is altijd dezelfde: nieuwe brug, nieuwe weg, nieuwe leidingen. Ditmaal een nieuw fietspad. Pal voor ons huis. ‘Om de regelmatige ongelukken te voorkomen,’ heette het. Ik dacht eerder aan een beperking van het aantal, maar misschien moet ik meer vertrouwen hebben in ambtelijke taal. Het betrof veertien dagen overlast. Berustend berekende mijn man wanneer we weer bouwplaatsvrij zouden zijn. Ik was optimistischer, veertien dagen leek me niets in vergelijking met de vorige keer: elf maanden.
Op de aangekondigde ochtend was ik dus ‘prepared’. Drie reusachtige machines, waarvan het ware nut me eerder het aankondigen van oorlog leek, draaiden om zes uur ’s ochtends onder onze ramen hun motoren warm. De eerste gedachte die bij me opkwam was dat Rusland ons land was binnengevallen. Om acht uur waren de tanks stil en durfde ik naar buiten. Ik groette de eerste wegwerker en vroeg hem de Wisteria die ik voor de veranda had geplant, te ontzien wanneer hij de tegels eromheen terug zou leggen. Dat was niet zijn taak, zei hij, bloemen beschermen. Het klonk logisch zo, en daarom richtte ik me tot de volgende man, die me raar aankeek omdat ik het kennelijk niet snapte: ‘Ik regel hier alleen het verkeer. Díé daar moet u hebben!’ Ik begreep niet helemaal wie hij bedoelde, maar stapte naar de kleine groep werklui verderop, die voor de (inmiddels weer) ronkende machines stonden. Die verstonden geen Nederlands. De volgende dag waren de gezichten nieuw; alleen de machines waren dezelfde, ik herkende hun ‘stemmen’ om zes uur ’s ochtends. Op dag drie werd er aangebeld door een man achter een zonnebril en een ‘moustache’ à la Omar Sharif, die vroeg of hij bij ons mocht plassen. Ik wees hem op de eco-wc, twintig meter bij hem vandaan, speciaal voor de stratenmakers neergezet. Hij haalde zijn neus op en draaide zich resoluut om, zonder nog wat te zeggen. We hebben de dagen geteld. Elke avond, wanneer de tanks vertrokken, keken we hoeveel meter weg er nog gedaan moest worden. Op de tiende dag leek het nog een eeuwigheid te duren, maar op de dertiende zei mijn man optimistisch dat ze hun woord hielden: twee weken precies. De veertiende ochtend hadden ze nog maar een meter te gaan; toen ik naar mijn werk ging, groette ik weer iedereen, maar machiavellistisch bedacht ik dat ze die avond weg zouden zijn. Zalig!
Die vrijdagmiddag kreeg ik een sms’je van mijn man: dat ze zojuist ook de stenen uit ons pleintje hadden gehaald. Ze hebben inmiddels een nieuwe machine, die het zand van de stenen schudt. Het huis trilt als bij een aardbeving. Ze gaan door. We wachten op de volgende brief.
Den Haag Centraal, 19 april 2018

Afstandsbediening
Tot ongenoegen van mijn meekijkende man ben ik al tweemaal voortijdig gestopt met een meeslepende Netflix-serie, omdat er na veel spannende afleveringen twee kinderen doodgingen in een absurd spel van de volwassenen.
Na de eerste keer heb ik de hele avond gehuild. Nu kijk ik meestal lichtere versies of komedies. En ik kan altijd de afstandsbediening gebruiken om de film te stoppen en de werkelijkheid ervan op afstand te houden.
Dat is iets wat je in de echte werkelijkheid níét kunt. Er is geen afstandsbediening waarmee je de film met dode kinderen in Oost-Ghouta, wier lichamen nog een warme luier aanhebben, kunt stoppen of terugspoelen naar het moment dat ze nog leefden. En net als in de series op Netflix is hun dood het gevolg van de oorlogen van volwassenen. In de wereld waarin we leven, gaan kinderen dood.
Misschien niet in onze wijk, maar ook niet zo ver van ons bed. Ik ben tijdgenoot van degenen die kinderen doden met luchtaanvallen. En ik kan er niets aan doen. Over vijfentwintig jaar zal men hebben vastgesteld dat er een genocide gaande was, zoals in Auschwitz. We zullen de schuldigen voor internationale tribunalen zien verschijnen en het bloed aan hun handen zien kleven. Mijn kleinkinderen zullen me vragen waarom ik er niets tegen heb kunnen doen. Ze zullen naar me kijken alsof ik een prehistorisch monster ben, familie van de menselijke T. rex die luchtaanvallen op kinderen uitvoerde en hen doodde. En zoals die vele Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog zeiden dat ze niet wisten wat er gaande was, zal ook ik antwoorden: ‘Maar ik woonde in Den Haag, het leven was al hard genoeg, ik was ontheemd, had een slechte maag, huwelijksissues.’ En ik zal me vreselijk voelen. ‘Ja,’ zal ik moeten bekennen, ‘ik wist dat er kinderen gedood werden, ik herinner me de beelden waarop ze met alleen een luier aan werden gedragen in de handen van hun ouders.’ ‘Maar wat had ik kunnen doen?’, zal ik mijn kleinkinderen niet durven vragen. Ik zou hun het antwoord van dit weekend kunnen geven, van de eerste week van april. Le Monde stond bol van het drama van de Joodse vrouw die Auschwitz had overleefd en nu in haar huis is vermoord. De krant vermeldde ook dat in tien jaar tijd 60.000 Joden Frankrijk hebben verlaten. Op Facebook las ik hoe de Palestijnen nog gebombardeerd worden, ik zag die journalist die door Israëlische soldaten werd doodgeschoten en las de woorden van de Israëlische minister Lieberman: dat er geen onschuldige in Gaza is. ‘De wereld was een slagveld,’ zal ik tegen mijn kleinkinderen zeggen. ‘En er was geen afstandsbediening om het te stoppen.’ En ik zal me vreselijk schamen.
Den Haag Centraal, 12 april 2018

Trieste Pasen
Het was een trieste Pasen. Van mijn kant begon het geforceerd; voor het eerst had ik cadeautjes gekocht om iedereen thuis gemakkelijker in feeststemming te laten komen. Op eerste paasochtend had ik de slechte inspiratie om de kranten en Facebook te openen. Iemand eiste daar de afschaffing van dat ‘stomme’ feest, Pasen. In weinig woorden en met veel interpunctie. Vroeger had niet iedereen overal een mening over en dat had ook iets goeds, namelijk dat je veel stommiteit bespaard bleef. Vroeger hadden we een slimmerik en een dorpsidioot, in mijn dorp tenminste. Ze waren allebei even beroemd en elk kende zijn rol. De slecht geïnterpreteerde vrijheid van meningsuiting met zijn geaborteerde onvoldragen vrucht genaamd Facebook heeft de balans verstoord: zoveel stommelingen in ons dorp, maar je kunt er niet echt je vinger achter krijgen waarom de slimmerik slim is.
Vroeger was alles anders. Zeker in mijn wereld. Met Pasen gingen we eerst naar het kerkhof om de doden te eren, daarna naar de kerk. Met Pasen mocht je niet boos zijn, moest je je buren op bezoek krijgen, een goede daad verrichten en vooral niet werken in huis. Oma zei dat op de dag van opstanding van de Heer zelfs een vogel niets naar zijn nest sjouwt. Vorig jaar hoorden we op eerste paasdag de hele dag de liturgie van een kettingzaag bij de buren. Mensen profiteerden van een vrije dag. Dit jaar was het stil, misschien omdat het regende. En toen ik uit het keukenraam naar de regen keek, zag ik hoe een zwerver de vuilnis doorzocht. Hij kon kennelijk ergens niet goed bij, haalde een tang tevoorschijn en pakte daarmee de zak waarin hij iets dacht te vinden. Waar ik woon, lopen normaliter geen bedelaars en daarom bleef ik kijken. Ik zag de buurvrouw met een vuilniszak komen, ze gooide hem weg zonder de ‘medemens’ ook maar een blik waardig te gunnen.
Het was een trieste Pasen. Voor het eerst in zeker vijf jaar heb ik mijn goede daad niet gedaan: elk jaar belde ik met Pasen iemand die geen huis heeft om bij ons te komen eten en een paar dagen te blijven. We aten dan samen en keken een film. Vorig jaar een Franse film. Na afloop vroeg onze gast of we die film meteen opnieuw konden kijken, omdat hij zoveel schoonheid lang niet had gezien. En dus keken we de film, althans een deel ervan, in het donker, nog eens. Maar dit jaar wilden we rust en geen gedoe. We voelden ons sterk en genoeg voor onszelf. Het was een drukke tijd en wilden even rust. En ja, rust heb ik gehad, maar ook een verdriet waar ik de vinger niet precies achter kan krijgen.
Den Haag Centraal, 5 april 2018

Porno
Porno blijft moeilijk. Zelfs op papier. Velen van ons denken dat we porno kennen. Sommigen kijken porno op hun computer, anderen op hun telefoon. (Vorig jaar werd een vijftigjarige Japanner gedood door zijn eigen pornocollectie; zijn lichaam werd gevonden onder een zes ton wegende stapel pornoblaadjes.) De keuze is tegenwoordig enorm, er is altijd wel iets, voor alle smaken en maten. Je zou dus denken dat we anno 2018 niet meer in preutse tijden leven, dat we inmiddels alles hebben gezien en gedaan.
Maar toch. Een expositie zoals ‘Porno op papier: taboe en tolerantie door de eeuwen heen’ in Museum Meermanno blijft niet onopgemerkt. In de week van de opening las je er in alle grote kranten over, zelfs het tv-journaal had een interview met de curator. Sex sells! Afgelopen zaterdag, toen ik de expositie bezocht, waren de zalen vol en was het bij de tentoonstelling horende boek ‘Onder de toonbank’ al tijdelijk uitverkocht. In de zalen: mensen van alle leeftijden, maar vooral senioren. Ik had twee handen nodig om… de stokken te tellen, net als bij de opening op woensdag. Een reis à la recherche du temps perdu. De nostalgie zweefde in de lucht. Oude boekjes, zoals Le putanisme d’Amsterdam (1883) en ’t Amsterdamsch hoerdom (1681), met afbeeldingen van courtisanes uit die tijd, waarvan ik twee ronde, redelijk bescheiden borsten op een kleine prent heb onthouden. Tijdschriften voor gayporno als Marcel en ‘realistische romans’ waarin je las wat in die tijd n(i)et mocht. En verder: pakweg twee of drie mannelijke geslachtsdelen, in niets bijzonder, en vooral veel vrouwelijk bloot, vanuit alle hoeken en posities gefotografeerd. Vrouwen, vrouwen.
Immers, dat is meestal porno: er moet een vrouw in spelen. Anders is het voor gayporno en dat is toch niet zo populair als ‘traditionele’ porno.
Ik ben niet in mijn eentje naar de expositie geweest, zoals die mannen met stok. Ik wilde mijn impressies graag delen. Een paar keer heb ik gelachen, een paar keer tweemaal gekeken om te begrijpen wat ik zag. Naar een erotisch luisterboek geluisterd; ik hoorde mezelf giechelen. Ik deed een beetje stoer.
In een achterkamer vond ik boekjes over ‘de handel in blanke slavinnen’. Het ging over Arabische harems en meisjes die in ‘gewetenloze handen vallen’ en tot prostitutie worden gedwongen. Blanke slavinnen. De geschiedenis van de porno bevat veel vrouwelijke pijn en veel mannelijk genot.
Tijden veranderen. Wat zal porno zijn over honderd jaar? Misschien alleen siliconenpoppen.
Vorige week zag ik beelden van Sudan, het allerlaatste mannetje van de noordelijke witte neushoorn. Ik wist niet wat ik moest voelen, maar verdrietig heb ik me zeker gevoeld. Hetzelfde voelde ik afgelopen zaterdag ook bij ‘Porno op papier’, tussen al die senioren. Maar dan zonder het verdriet.
Den Haag Centraal, 29 maart 2018

De ene helft
Elke ochtend loop ik hard. Een paar kilometer, vier of zes, soms acht. Ik heb een paar joggingpakken die ik wissel, en dezelfde versleten sportschoenen die ik al jaren gebruik. Als ik ’s ochtends een afspraak heb, haal ik het rennen ’s avonds in, in het donker, met een reflecterend vest over mijn joggingpak en een alarmknop in mijn zak. Gelukkig heb ik die tot nu toe niet hoeven gebruiken. Ik vind het fijn in het donker, er is dan bijna niemand op straat. Toch voel ik me het gelukkigst als ik ’s ochtends tijdens het rennen naar de tuinen en naar de boten op de Vliet kijk en van de zon geniet.
Er is wel een nadeel: de helft van de mannen die ik op die vier kilometer tegenkom, doet alsof ze mij aan het coachen zijn. Hun ongevraagde commentaar varieert van ‘goed bezig!’ en ‘tempo, tempo!’ tot ‘heb je het niet koud?’, ‘je wangen zijn helemaal rood’. In de afgelopen zes maanden was er nooit een vrouw die iets tegen me zei. Op dagen dat het warmer is en de zon schijnt, draait de man die tegenover de Geestbrug woont – wat ouder dan ik, maar niet veel, met een forse buik en een sigaar in zijn mond – zich helemaal om en zegt wat. Omdat ik nooit reageer, lacht hij alsof hij een goede grap heeft gemaakt. Ik wed van niet. Na de Geestbrug kom ik soms een man tegen die ook aan het hardlopen is. Je zou denken dat dat een band schept. Ik probeer te groeten, hij knipoogt twee keer. Vorige week stonden er vijf mannen om de hoek, een van hen in politie-uniform. Dat gaf vertrouwen en ik hield wat in om zonder te storen tussen hen door te kunnen lopen. Ineens klapte de politieman in zijn handen en schreeuwde op zijn – vermoed ik – meest vriendelijke toon: “Tempo! Tempo! Tempo!” Ik wilde een sprintje inzetten om hem niet meer te horen, maar voelde hoe het bloed naar mijn hoofd steeg. Ik draaide me om en vroeg: “Ben ik soms je vrouw of je zus of zo?” De politieman had gevoel voor drama of komedie, ging van zijn ene been op zijn andere staan, keek zijn kameraden aan en zei: “Haha, nee, hoezo?” De andere mannen naderden nu ook, in het halfdonker, zoals bij rugby. Dit had geen zin, ik draaide me weer om en rende verder.
Vanmiddag stapte ik in een lift vol mannen en kon daardoor niet bij de knoppen. “Zou iemand misschien op 1 kunnen drukken?” vroeg ik. “Voor leuke vrouwen doen we alles,” zei een stem en de andere stemmen waren het er roerend mee eens: “Hahaha.”
Den Haag Centraal, 23 maart 2018

Lente
De wereld is een zooitje, zei ik de hele winter tegen mezelf.
En hoe paradoxaal het ook klinkt, de westerse wereld leek mij een groter zooitje dan de wereld waar ik vandaan kom. Twintig jaar geleden was de wereld nog een klassieke western waarin je tegen de slechteriken vocht en daardoor automatisch bij de ‘goeden’ hoorde. De strijd was hard, maar duidelijk. Maar in Nederland heb ik vaak het gevoel dat ik midden in die bekende mop zit over de rabbijn die naar twee smekelingen luistert en tegen de een zegt ‘je hebt gelijk’ en tegen de ander ‘jij hebt ook gelijk’. We leven hier in een wereld waarin iedereen gelijk heeft en niemand iets fout doet. Iedereen is goed en mag er zijn. En dat heeft niets met een christelijke visie of ‘democratie’ te maken, maar juist met een mate van onverschilligheid. Iemand vertelde me eens dat ze door haar ex was mishandeld en bebloed naar de buren was gevlucht, die de deur niet hadden opengedaan.
Twee weken geleden ontvluchtte ik in Parijs de Nederlandse vorst. In de Thalys las ik in het culturele supplement van Le Monde dat het Westen een lichaam zonder ziel is, in de uitdrukking van een Duitse filosoof. Ik schrok en de shock houdt me de laatste tijd meer bezig dan ik voor mogelijk had gehouden. Noem het een late cultuurshock, maar ik denk dat mijn wereldbeeld deze winter aan het veranderen is. Wat dat precies voor mij betekent, weet ik nog niet. Ik doe wat binnen mijn vermogen ligt en volg het advies op van een andere filosoof die op het moment waarop hij de wereld zelf niet meer begreep, zei: ‘Il faut cultiver notre jardin.’ (We moeten onze tuin onderhouden.)
Daarom heb ik deze winter regelmatig een tuincentrum in Pijnacker bezocht. Door het harde werken in de tuin heb ik soms spierpijn. Ik heb tegels uit de grond gehaald, zand eruit, nieuwe aarde erin, bollen gepoot en nu staat de eerste generatie sneeuwklokjes in bloei. Ze overleven elke nacht en ik bezoek ze twee keer per dag, samen met de hond.
Naast hun schoonheid beschikken zij ook over een magische kracht die mij rust geeft. Tot nu toe zijn het er vijf, maar er zijn er meer op komst. En deze vijf sneeuwklokjes hebben iets gedaan wat de wereld en mij al maandenlang niet meer lukt: een beetje orde scheppen in dit zooitje van de wereld.
Het is zelfs mij duidelijk dat ik niets kan doen om het grote lichaam van de wereld een ziel te geven, maar zolang vijf sneeuwklokjes voor mijn ziel kunnen zorgen, denk ik dat het zielloze lichaam van de wereld in goede handen is: bij een nieuwe lente.
Den Haag Centraal, 15 maart 2018

Wetenschap
Niets wat me mínder leesgenot geeft dan voorspellingen van deze of gene wetenschapper over de toekomst van de mensheid! Uit sadisme las ik onlangs een artikel in de Volkskrant over een voedselakkoord dat er moet komen. Zelfs als ik, vegetariër, een hele koe had gegeten, had ik minder spijt gehad! Want ik kan heel slecht tegen leuzen als ‘door technologische vooruitgang zal er in 2050 voldoende voedsel zijn voor de tien miljard mensen die de wereld dan telt’ van de deskundige in het bewuste artikel.
Wij in het Westen hebben nooit geleerd om iets driemaal in je hoofd te zeggen voordat je het uitspreekt. Wij in het Oosten hebben dat in de communistische wieg wel geleerd: zeg eerst iets drie keer in je hoofd om te horen hoe het klinkt!
Alleen als je zelf nooit honger hebt meegemaakt, nooit met een rammelende maag naar bed bent gegaan, nooit eten hebt gestolen, geen tranen in je ogen hebt gehad wanneer er een kruimel eten op de grond viel waar je hem niet kon pakken, kun je – denk ik – zo’n ufoscenario voor onze goedgelovige ogen brengen. Toch heb ik na het lezen van het artikel een rekensommetje gemaakt. Hoe oud zullen de kinderen van Gugu uit Soweto zijn in 2050? De laatste keer dat ik het checkte hadden zij geen eten. En die permanent hongerige kinderen die ik in Roemenië en Moldavië heb ontmoet, hoe oud zullen zij zijn wanneer de gebraden kippen aan de takken van de bomen zullen hangen in 2050, wanneer de technologie dat mogelijk maakt? Een van hen, de jongen met één langer, slap been, in dat tehuis vlak bij mijn dorp, zou nu begin dertig zijn geweest, maar hij is per ongeluk van de honger doodgegaan.
Bij wie vallen utopieën, zoals deze die mij misselijk maakt, goed? Want als voedsel in 2050 uit de 3Dprinter komt, moet Afrika beslist gedigitaliseerd worden. En snel ook! Maar wie gelooft zoiets? Om het Afrikaanse kind dat in 2049 wordt geboren te kunnen voeden, moet je eerst zijn oma, die nu ergens in een Afrikaans dorp ter wereld komt, (kunnen) voeden.
Als je zegt dat we in 2050 op de maan zullen wonen, weet ik hoe ik dat moet opvatten: dertig avonturiers zullen naar de maan vliegen of zich laten katapulteren. Vijf van hen zullen het redden, in de zin dat het niet zeker zal zijn of zij net als de andere 25 in de lucht zijn verpulverd. Maar als je zegt dat er in 2050 genoeg eten zal zijn voor de tien miljard mensen die de wereld dan zal tellen, heb ik het geduld niet meer om iets driemaal in mijn hoofd te zeggen voordat ik het hardop zeg. Ik zeg het gewoon.
Den Haag Centraal, 8 maart 2018

Liegen in het Nederlands
Vorige week dacht ik met een soort nostalgie aan de vroegere samenlevingen waarin de openbare ruimte een belangrijkere rol speelde dan je familie en je eigenbelang. Stel je voor dat je Halbe IV bent, graaf zoals Raymond IV van Toulouse tijdens de eerste kruistocht: je gaat op reis, komt terug en vertelt je hongerige soldaten dat je keizer Alexios I Komnenos alias Poetin hebt ontmoet en… you know the story. En na een tijdje moet je als graaf Halbe toegeven dat je eigenlijk je kont zat af te vegen in de bosjes toen keizer Poetin ergens in de verte voorbij galoppeerde. Wat doe je? Je neemt ontslag, zegt dat het ‘niet verstandig’ was om dat te zeggen en wacht op de volgende kruistocht, wanneer je misschien Dzjengis Khan zult ontmoeten. En in de tussentijd bedenk je thuis hoe onverstandig je ‘ontmoeting’ met Poetin was.
(Over ‘onverstandig’ gesproken: ik vind het Nederlands dé taal van de diplomatie. Alle diplomaten van de wereld zouden Nederlands moeten leren! Dan zouden er ook geen conflicten in de wereld meer zijn.) Een leugen is in het Nederlands iets ‘onverstandigs’. In mijn naïviteit dacht ik dat een leugen in alle talen van de wereld ‘leugen’ heette. Met een vriendin sprak ik over een kennis van in de zestig die recht in mijn gezicht had gelogen en die, toen ik hem op zijn leugen had gewezen, zei: “Ik heb geen zin om verder met je te praten!” Mijn vriendin zei daarover: “Wat kinderachtig!” Ik vond het helemaal niet kínderachtig, maar léugenachtig. In het kwadraat!
Waarom liegen we? Omdat we niets echt met elkaar delen, omdat eigenbelang veel belangrijker is dan de waarheid! Omdat er geen openbare ruimte meer bestaat waarin leugens léugens zijn en waarheid wáarheid! Als we meer dan alleen lucht met elkaar zouden delen, zouden we ontdekken dat we in hetzelfde of niet in hetzelfde geloven, dat er weinig ruggengraten op straat lopen, dat we allemaal liegen en als we daarop betrapt worden, geen ‘zin’ meer hebben om verder te praten en thuis chocolademelk gaan drinken. Als we meer zouden delen dan alleen lucht, zouden we ontdekken dat de waarheid zo kameleontisch is geworden dat zij al decennialang niet meer te vangen is en dat we eigenlijk niet meer weten hoe de waarheid eruitziet. Hoe weet je zo nog wat goed is en wat slecht? In de middeleeuwen was de openbare ruimte anders, stel ik me voor, en ook nog niet zo lang geleden praatten mensen in de openbare ruimte bijvoorbeeld over… hm, morele normen! Of heten die niet meer zo in het Nederlands?
Den Haag Centraal, 1 maart 2018

Beste briefschrijfster,
U hebt me aan het denken gezet. Misschien hebt u gelijk en zijn mijn columns somberder geworden. En als dat zo is, vraag ik me af waarom. Misschien omdat ik steeds dieper in deze maatschappij geworteld ben. Want hoewel ik blij ben dat ik hier woon, maak ik de laatste tijd constant dingen mee die me aan mijn geboorteland doen denken. Dank voor uw woorden dat ik uw taal tot in de haarvaten beheers.
Zulke woorden zie ik altijd dubbel, en die dubbelheid zit in het feit dat ik nooit als een van ‘jullie’ word gezien, dat ik altijd ‘die buitenlandse die de taal zo goed beheerst’, blijf. Aan de andere kant, als uw woorden louter als compliment zijn bedoeld en u de dubbelheid zelf niet voelt, moet ik u vertellen dat ze ook niet kloppen. Mijn wil om te schrijven is namelijk groter dan mijn beheersing van het Nederlands. Mijn gevoel voor rechtvaardigheid, liefde voor mensen en literatuur, behoefte aan vertellen en schrijven, maken dat mijn strijd met de taal een redelijke victorie is, maar u zou me eens moeten horen als ik stotter en niet op Nederlandse woorden kan komen! Dat gebeurt soms wanneer ik onaardige mensen tegenkom.
En ik heb de laatste tijd meermalen iets meegemaakt wat ik hier in Nederland nooit had gedacht te zullen meemaken: censuur. Uitgerekend door mensen van een Haagse organisatie die zich inzet voor schrijvers en ‘het woord is aan de schrijvers’ als motto gebruikt (mooi niet dus!), waarvoor ik ooit met enthousiasme heb gewerkt. Toen ik onlangs uit anderen hoofde met hen te maken had, werd me de mond gesnoerd, terwijl het enige wat ik wilde, praten was.
Niet mogen praten, is iets wat ik haast nooit heb meegemaakt, zelfs niet in mijn land van herkomst, en inderdaad: daar word je somber van, mevrouw! Het is niet fijn om te beseffen dat hoewel Nederlanders wellicht een beter gebit en mooiere vakanties hebben dan veel Roemenen, beide maatschappijen eigenlijk veel op elkaar lijken, vooral als het gaat om de dingen die ik níet leuk vind aan mensen. Mensen zijn mensen, overal. En zij die zich aan de waarheid houden, worden nergens helden. Integendeel: onze maatschappij gelooft meer in kleine waarheden die nooit met hoofdletters worden geschreven. Dit jaar heb ik geleerd dat ook een Nederlander over lijken gaat als hij macht wil. Dat censuur en dictatoriaal gedrag ook hier heel goed mogelijk zijn. Dat we níet gelijk zijn. Dat het tóch mogelijk is, en zelfs gemakkelijk, om iemand de mond te snoeren, ook al praten we constant over vrijheid van meningsuiting. En dat, mevrouw, maakt mij al maanden verdrietig en, als u het zegt, mijn columns somberder.
Den Haag Centraal, 22 februari 2018

Voor alles is een eerste keer
Voor alles is een eerste keer. Zo was het zondag mijn eerste keer dat ik in het openbaar demonstreerde tegen prostitutie. Met leuzen en een spandoek, in een legaal georganiseerde demonstratie na de presentatie van het boek ‘The pimping of prostitution’ van Julie Bindel in Van Stockum.
We weten allemaal dat de wereld niet zwart-wit is, maar tinten grijs heeft, maar waar het om prostitutie gaat, zie ik helemaal geen grijs. Alleen zwart. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat er een vrouw op de wereld wordt gezet om mannen met haar lichaam te plezieren. Maar de werkelijkheid stelt me altijd teleur, zoals die twee bij de boekpresentatie aanwezige dames, nota bene docenten op een prestigieus internationaal instituut, die betoogden dat prostitutie niet helemaal slecht is, ‘want er zijn vrouwen die zich prostitueren en zo hun familie onderhouden’. Een van de dames zat tijdens de boekpresentatie lekker te breien. De waarheid is altijd vreemder dan fictie. Ook de politiek stelde me teleur (maar is dit geen tautologie?). Met name een van de politica’s die sprak bij de boekpresentatie: alsof ze van de derde sekse was, geen man, geen vrouw, maar politicus. Geen duidelijke boodschap, bewoner van de grijze zone.
En in de Doubletstraat: surprise, de politiek was ons voor geweest! (Natuurlijk, verkiezingstijd!) Pers en politici die niet per se tegen prostitutie zijn en de Doubletstraat ook niet per se willen sluiten, maar… verhuizen. Met grote letters stond dat op het gebouw waarvoor we protesteerden: ‘Doubletstraat niet sluiten maar verplaatsen.’ Voor de wijk goed, voor het imago van de aanwezige politici nog beter! Toen ik mijn verbazing uitte, zei iemand, verstandiger dan ik, dat dat toch een begin is.
Tijdens mijn eerste job in Boekarest als journalist kocht ik mijn eerste appartementje, kleiner dan mijn keuken van nu, in een slechte wijk; een beter flatje veroorloofde ik me niet. Ik dacht: ik werk sowieso de hele dag en kom ’s avonds alleen thuis om te slapen. Dat was ook zo, maar het slapen lukte niet omdat zich in het aangrenzende appartement, dag en (vooral) nacht, een meisje prostitueerde. En niet zomaar een meisje, maar een doofstom meisje, een meisje dat niet kon praten. En wat voor geluiden een doofstom meisje dat de hele nacht wordt uitgebuit maakt, wil niemand weten! Ik begon haar ‘klanten’, die zich voor haar appartement verzamelden, weg te jagen en een voor een bracht ik ze naar beneden.
Totdat haar pooier mij begon te bedreigen. En de politieman bij wie ik aangifte deed, me adviseerde om toch maar te verhuizen.
Zelf verhuizen of de Doublestraat verhuizen is geen handeling tegen prostitutie. Als je de Doubletstraat verplaatst en niet sluit, doe je misschien iets voor de wijk, maar niets voor de uitgebuite vrouwen.
Den Haag Centraal, 15 februari 2018

Recensenten
Een uur lang heb ik mijn best gedaan om deze column niet te schrijven. Want ja, wat kan het de Haagse lezer schelen dat Arie Storm al dan niet wordt weggestuurd bij Het Parool? (Dat Storm in Den Haag is geboren, telt niet.)
En toch.
Beste lezer, al vanaf de eerste literaire recensie die ik in mijn nieuwe taal las, vind ik, die ook een paar romans in uw taal heb geschreven en over het hek van de Nederlandse literatuur klim als de poort niet openstaat, het verbazingwekkend hoe hier (te vaak) over boeken wordt geschreven. Veel recensies vertellen immers simpelweg twee pagina’s lang waar het boek over gaat en dat soms ook nog zo slecht dat je geen zin meer hebt om het ‘gerecenseerde’ werk zelf te lezen. En dan eindigen ze met een oordeel dat uit een andere boekbespreking lijkt gevist, vaak negatief, maar net niet té, soms positief maar dan zo amateuristisch geformuleerd dat je het gevoel hebt dat je wordt aangemoedigd om een deken op de markt te kopen of corrigerend ondergoed, en zeker geen boek.
Ik ben afkomstig uit een kleine literatuur, maar qua literaire recensies ben ik opgevoed met de school van Bernard Pivot en de kritieken in L’Express en Le Point. Daarom ging ik hier, voordat ik boeken in mijn nieuwe taal begon te lezen, als Diogenes uit de oudheid met een lantaarn in de hand op zoek, eerst naar goede recensenten en pas daarna naar boeken. In Nederland wordt enorm veel geschreven. Over van alles. Iedereen schrijft boeken. Iedereen ‘maakt’ boeken en de uitgevers ‘maken’ bestsellers, vaak een soort ‘onderonsjes’ die de literatuur geen dienst bewijzen. Vorig jaar riep een Nederlandse ‘literaire’ agent nog dat de roman dood is, dat er geen romans meer moeten worden geschreven maar kookboeken. Waarom zulke enormiteiten worden getolereerd, is mij een raadsel. Waarom zien we niet dat het enige vaccin tegen uitzaaiing van slechte literatuur de recensent is? Op zijn smaak vertrouw je; hij weet welke boeken de moeite waard zijn. Uitgevers en boekhandels gaan vaak voor de winst; alleen de recensent, de ware recensent, gaat voor het ware boek. Alleen hij wijst je de goede weg naar literatuur. De anderen zijn zoals de sirenen op Ulysses’ weg naar huis. Ben je onderweg naar de literatuur, dan moet je je oren bedekken.
Wat ik wil zeggen: ik hoop dat Arie Storm snel een nieuwe krant vindt. De Nederlandse literatuur heeft hem en nog enkelen zoals hij hard nodig. Onpartijdig en hard, maar niet te cynisch; zijn liefde voor literatuur voel je altijd. Hoe negatiever zijn recensie, hoe groter zijn verlangen naar literatuur. Zoals het verlangen van een verslaafde die shit moet snuiven, naar pure cocaïne.
Den Haag Centraal, 8 februari 2018

Hermien
Ik wist niet dat ik koeien nog leuker kon gaan vinden dan ik ze al vond, maar het is gebeurd. Dankzij Hermien, de koe die in een bos in Lettele zes weken lang aan haar ‘biefstuklot’ wist te ontsnappen. Dankzij Hermien vind ik het leven mooier en geniet ik van het magisch realisme van het leven zelf. Dankzij Hermien geloof ik weer in mezelf en in mijn eigen kracht en laat ik anderen geen biefstuk van me maken. Dankzij Hermien droom ik soms, als ik het moeilijk heb, dat ik hetzelfde doe als zij, minstens zes weken lang (hoewel ik denk dat het een mens niet lukt om ’s winters zes weken in een bos te overleven).
Onderweg naar het slachthuis, met zestien andere koeien, nam Hermien de benen. Vervolgens werd ze kilometers van de wei gezien en daarna in een bos waar ze zich verstopte. En het lukte een dierenarts, een koeienfluisteraar, een jager, de eigenaar, een stel agenten en bewonderaars van Hermien niet om haar te vangen. Hermien ‘kept going’ en werd in Nederland een heldin en als ‘#MeKoe’ trending op Twitter. Intussen hoeft Hermien niet meer naar de slager, en wie de koe wil, mag haar hebben. Ik wil haar. Ik heb al een plek thuis bedacht waar Hermien mag verblijven. Ik zie me haar al tussen haar sprankelende ogen aaien, en haar vragen hoe ik mijn leven kan beteren. Maar ik ben niet de enige die Hermien in haar leven wil. Ik denk dat we allemaal een Hermien nodig hebben. Ik denk dat velen van ons onderweg zijn naar een slachthuis, als je het slachthuis als een metafoor ziet voor wat ons op korte of lange termijn doodt: een slechte partner, moeilijk werk, een giftige omgeving, een schoonmoeder. Of jijzelf, die niet méér van het leven durft te vragen. Hermien leert ons een les. Gratis, ongevraagd. Ze leert ons, zoals de oude Grieken, dat het ontwijken van het lot de vervulling ervan betekent. Welke van Hermiens verzorgers had tijdens het melken of op stal brengen kunnen bedenken dat Hermien op een dag de vrijheid zou zoeken? Dat Hermien in opstand zou komen en zou beslissen om niet te accepteren wat anderen voor haar bedachten?
De dag dat ik voor het eerst over Hermien hoorde, was slecht begonnen: zonder ontbijt, de ‘vegetariërsvitaminen’ vergeten te slikken, evenals de maagpillen, de vitamine D voor buitenlanders en zelfs een lunch om mee te nemen naar mijn werk. Ik had slecht geslapen en de laatjes in mijn hoofd leken op de lades thuis wanneer ik mijn favoriete bh niet kan vinden. En het regende keihard midden op de dag. Toen vertelde een collega over Hermien. En het leven werd mooier.
Den Haag Centraal, 1 februari 2018

ING
Ik zal nooit een bankrekening openen bij de ING. Zeker niet bij het filiaal aan het Spui in Den Haag, waar ik pas werd weggestuurd, ondanks de een week eerder op hun advies gemaakte afspraak. (‘Dat bespaart tijd.’) Ik had mijn lunchpauze speciaal later genomen om stipt om 14.30 uur bij de bank te kunnen zijn. Dat het daar bijzonder druk was, schrikte me niet af, ik had een afspraak. Dat probeerde ik ook een medewerker duidelijk te maken. Tevergeefs. Met z’n tweeën probeerden ze alle mensen naar de balies te dirigeren. Ik zei nog maar eens dat ik een afspraak had, er waren al vijf minuten verstreken en er verstreken er nog vijf. ‘Waarom moest ik een afspraak maken als ik niet geholpen word?’, vroeg ik. Of ik wilde gaan zitten. O jee, nog meer tijd!
De zogenaamde gastvrouw ging naar de medewerkster met wie ik de afspraak had, maar die was juist foto’s aan het bekijken op de telefoons van de drie vrouwen bij haar balie. Gezellig! Toen werd ik naar de enige mannelijke medewerker van deze maandag gestuurd, de held van dit verhaal. ‘U bent niet vriendelijk,’ zei hij en hij keek me diep in de ogen. ‘Ik wil u niet helpen.’ Ik moest denken aan oude collega’s en aan mezelf in de tijd dat ik met mensen werkte die liever hun lippen kapotbeten dan dat ze iemand, wie dan ook, weigerden te helpen. Andere instellingen, niet de ING. ‘Ik zal vriendelijker proberen te doen,’ zei ik, hoewel ik me enorm ongemakkelijk voelde.
Ik overhandigde de meneer die mij niet wilde helpen mijn identiteitsbewijs en glimlachte. Hij liep ermee naar de scanner, fluisterde iets in het oor van een collega, die zich naar mij draaide, en bleef bij de scanner lang en streng naar me kijken, zo lang dat ik mijn blik bijna moest afwenden. Ik voelde me echt ongemakkelijk en begon al een beetje te trillen.
‘Waarom wilt u een bankrekening openen?’, vroeg hij, nadat hij me nog eens diep en streng in de ogen had gekeken.
‘Dat is persoonlijk,’ zei ik zacht. ‘Wat?’
‘Persoonlijk. Ik heb ook een rekening bij een andere bank, ik wil graag een rekening bij de ING.’
Hij gooide mijn identiteitsbewijs op de balie en keek weer zo diep: ‘Ik wil je niet helpen.’ ‘Dat kan niet,’ zei ik, en nog iets, maar ik weet niet meer wat, iets in de trant van: ‘U moet toch iedereen helpen?’ Dat hielp ook niet.
Ik stond op en vroeg de beveiliger waar de manager was. Er was geen manager.
Die middag heb ik via het centrale telefoonnummer een klacht ingediend, maar ik vrees dat ik eerder door Sinterklaas zal worden teruggebeld dan door de ING.
Den Haag Centraal, 25 januari 2018

Melancholie
Het gebeurt niet elke dag dat een helikopter bijna in je tuin landt. Maar toen ik zondagochtend van de grote weg af kwam en de woonwijk in wilde, zag ik hem staan, pal voor ons huis: een traumaheli. Daarna zag ik ook de politieauto’s en ambulances. Een ongeluk dus. Het verbaasde me niet, er gebeuren zoveel ongelukken op die kruising.
Maar de drom mensen waar ik doorheen moest laveren, verbaasde mij. Zoveel mensen zie je hoogstens op Koningsdag. De oude dames die je zaterdagochtend op de markt tegenkomt, de jonge moeders, vaders, hondeneigenaars met hun honden, kinderen. Wat ze deden? Zich om de gewonden bekommeren? Nee, foto’s van de heli maken! Een politieman voorkwam dat de toegestroomde wijkbewoners ook binnen in de helikopter foto’s namen. Twee meisjes sprongen op de stoep van opwinding. Aan de andere kant van de straat stond een professional met een reusachtige lens. Tieners toonden elkaar hun foto’s van de helikopter. Zelfs onze serieuze buurman – zo serieus dat hij nooit teruggroet – nam foto’s en glimlachte extatisch. Zoveel mensen die ik nooit eerder had gezien met een voorliefde voor helikopters! Alsof er een zonsverduistering gaande was. Maar het was ‘slechts’ een ongeluk met zwaargewonden, las ik later via de social media.
Nadat de heli was opgestegen (zonder gewonden, die werden uiteindelijk per ambulance vervoerd), dropen ook de wijkbewoners af. Verderop was het ambulancepersoneel nog bezig, maar ja, een ambulance is geen helikopter… Ik bleef uit het raam naar de boeddha in mijn tuin kijken. Hij had geen krimp gegeven tijdens het gedoe met de heli en ik vroeg me af in hoeverre mijn abrupte melancholie terecht was. Hadden al die mensen kunnen helpen? Hadden ze de tijd kunnen terugdraaien voor het ongeluk, hadden ze iets kunnen betekenen voor de gewonden? Nee. De verplegers deden het nodige en de politie ook. Maar toch.
We zitten niet in de situatie om een ander te helpen, we krijgen het van thuis niet mee of we raken het onderweg kwijt. Het systeem helpt immers iedereen (of laat iedereen stikken), de boodschap die we goed hebben begrepen, is dat we ons niet met anderen moeten bemoeien.
Wie zijn de anderen? Wat betekenen zij voor ons? Misschien heeft de informatieovervloed ons wel immuun gemaakt voor wat er naast ons gebeurt. Er gebeuren overal drama’s en je kunt toch niet om iedereen geven? In hoeverre doet het leven van de ander iets met ons?
We hebben het goed, zo goed dat we het fatsoen vergeten als er vijftien meter verderop een zwaargewonde op straat ligt. Voelt hij nog iets, is hij nog bij bewustzijn? Wat doet hij?
Laat hem vooral niet op ons letten, want wij zijn voor de helikopter gekomen.
Den Haag Centraal, 18 januari 2018

Logica
Het eerste wonder van 2018 is geschied: we hebben thuis nog geen ruzie gemaakt na de bij ons altijd zware feestdagen, hoewel het afgelopen vrijdagnacht niet veel scheelde.
Even kort: we wilden net gaan slapen toen ik buiten stemmen hoorde. Ik keek uit het raam en zag drie jongens van nog geen achttien die de bij de vuilcontainer gedeponeerde kerstbomen tegen daarnaast geparkeerde auto’s gooiden en de zelfgemaakte standaards probeerden te slopen. Een van hen dronk zo nu en dan uit een fles. Nu kunt u zeggen dat dit geen Derde Wereldoorlog is, maar we wonen in een rustige buurt en het was de eerste keer in vijf jaar dat ik zoiets zag. “Ga van het gordijn weg,” zei mijn man. “Straks zien ze je.” En ik: “Dat is ook de bedoeling, dat ze zien dat zij gezien worden en ophouden.” “Dan wordt het alleen maar erger, ga bij dat gordijn vandaan.” Mijn man en ik hebben een totaal verschillende logica en na zestien jaar zijn we er nog niet uit wie de juiste logica beheerst. De wedstrijd is nog gaande. Het lijkt een beetje op de Slimste Mens, maar heeft helaas meer weg van een realityshow. “Ga ze nou niet provoceren,” zei mijn man, die achter me kwam staan. “Straks gaan ze naar onze ramen gooien.” Ik vroeg me af hoe je drie jonge, dronken vandalen kunt provoceren als je vanuit je slaapkamer uit het raam kijkt. Op dat moment begonnen de jongens naar mij te zwaaien en te roepen. “Zo dus,” mompelde mijn man.
Ik zwaaide niet terug, maar bleef wel staan. Dat noemt mijn man provoceren en de jongens blijkbaar ook, want ze begonnen nu rond het huis te rennen, daarna op de stoep tegenover het huis, er volgde een groepsbespreking zoals bij rugby, waarna ze naar onze veranda renden. En dus ging ik ook naar de veranda, mijn man kwam mopperend achter me aan en de hond volgde. Toen werd er op de ramen geklopt, maar we zagen ze niet en mijn man had geen zin in verstoppertje spelen en zo gingen we naar bed. Maar zaterdagochtend zag ik de langste van de jonge vandalen zijn fiets stallen bij de veranda. “Hij wil zijn excuses aanbieden,” zei ik triomfantelijk en mijn man keek me even scheel aan. We gingen naar de deur, maar de hond was ons voor. Onze hond is een lieve golden retriever, maar als je hem niet ziet en alleen hoort blaffen, is hij een rottweiler. Want toen de stoere jongen de golden rottweiler hoorde, sprong hij op z’n fiets en weg was hij! Jammer, ik had hem sorry willen horen zeggen. Mijn man zuchtte diep, maar ik zei niets, ik wilde hem niet provoceren.
Den Haag Centraal, 11 januari 2018

Champions
De eerste uren van 2018 heb ik doorgebracht op het vliegveld van Florence. Om precies te zijn vóór het vliegveld. Met een enorme fles wijn in mijn handen probeerde ik daar wat ik binnen niet kon: de fles gewoon aan iemand geven. In mijn hoofd volgde ik diverse scenario’s: de fles onder het raam stoppen van de verzekeringsman, hem geven aan de schoonmaker of aan de verkoopster in het lege café. Toch wilde ik de fles aan iemand anders geven.
Ik zal u vertellen wat er aan de hand was. We hadden net de jaarwisseling gevierd in een Florentijns restaurant waar ik in oktober ook had gegeten en dat had ik de eigenaar verteld. Deze man bleek ontzettend aardig en attent: tot twee keer toe gaf hij ons korting bij het diner en op oudejaarsavond deed hij ons bovendien een enorme fles wijn cadeau, van een zeer gelimiteerde oplage. Ik durfde hem niet te vertellen dat we onze handbagage al hadden ingepakt en waren ingecheckt en dat we zijn wijn dus niet konden meenemen. Ik durfde het ook niet te zeggen omdat ik zijn aanbod van bijzondere wijn aan het begin van het diner al had geweigerd, aangezien ik alleen maar muskadel kan drinken.
En daar stond ik dus, voor het vliegveld, met die enorme fles wijn in mijn armen, te wachten. Mijn man wist precies op wie en zei dat ik de fles maar aan iemand anders moest geven want ‘dat soort mensen komen immers niet via het vliegveld, maar met boten’ en dat ik ‘die verdomde fles wijn nu echt moest weggeven, anders missen we onze vlucht.’
Geloof me, het is niet makkelijk om te geven.
En ja, ik dacht aan de Senegalezen die me in het laatste uur van 2017 zo gelukkig hadden gemaakt, tot tranen toe: alle winkels waren al dicht, alleen de Senegalezen verkochten op dekens nog verlichte haarbandjes bij de hoeken van de palazzi. Bij de laatste deken hadden ze een soort radiootje dat alleen een liedje van Queen speelde: ‘We are the champions, we are…’ En toen had ik gehuild – want dat was makkelijker dan ze allemaal te kussen – omdat ik hen in die rijke wereld inderdaad de echte champions vond.
Maar op het vliegveld van Florence kon ik geen enkele champion vinden en uiteindelijk heb ik de wijn toen gegeven aan de tweede buschauffeur die arriveerde. De man zette voor het kleine uurtje verbazend grote ogen op en ik stelde me later voor dat zijn ogen nog groter werden bij het lezen van het etiket. Het is moeilijker te geven dan te ontvangen, vooral als de echte champions niet op het vliegveld zitten.
Den Haag Centraal, 4 januari 2018