Blog

Generatie zonder humor

Ik ben nooit een liefhebber van interviews met schrijvers geweest. Altijd bang dat ik daarna hun boek niet meer ga lezen, wat helaas vaak het geval is. Het gebeurt ook dat de kop of strekking van het interview me ontstemt, zoals bij het vraaggesprek met schrijfster Nelleke Noordervliet in De Standaard enkele dagen geleden. Ik kreeg het gevoel dat ik een Roemeens of Hongaars tijdschrift las, waarin de geïnterviewde zoals bijna altijd het Westen bekritiseerde. Puntsgewijs.

Om te beginnen de nieuwe generatie hier. Natuurlijk moet elke generatie haar strijdpunten formuleren, vindt Nelleke Noordervliet. ‘Maar de huidige doet dat wel zeer agressief, en zonder humor of zelfspot.’ Toen ik dat las, vroeg ik me af wat eigenlijk het verschil is tussen Nelleke Noordervliet en iemand als Jeremy Clarkson van autoprogramma Top Gear, die Greta Thunberg destijds ‘gek’ noemde en haar terug naar school stuurde – wat ik persoonlijk nog milder vind (gezien wie het zei) dan Noordervliets ‘zeer agressief, en zonder humor of zelfspot’. Want over Greta Thunberg zegt Noordervliet dat ‘een meisje als Greta Thunberg nog niet de volwassenheid heeft om haar woede te kruiden met een vorm van zelfrelativering die haar boodschap sterker zou maken.’

Ik moest ook meteen denken aan de interviews die Marguerite Yourcenar ooit aan Matthieu Galley gaf. Als je die leest, besef je dat Yourcenar – geboren in 1903, overleden in 1987 – een millennial had kunnen zijn of zelfs tot generatie Z had kunnen behoren: dezelfde inzet voor het milieu, dezelfde bezorgdheid om het klimaat en inderdaad ja, redelijk humorloos! Op haar tachtigste vocht ze tegen de verwoesting van bossen, in haar strijd om borstvoeding te stimuleren boycotte ze melkproducten bestemd voor zuigelingenvoeding in de derde wereld en ze militeerde tegen onnodig dierenleed; ze liep regelmatig rond met een bord met leuzen en vanwege haar idealen belandde ze zelfs in de gevangenis. Ze was dus zeer agressief, zonder humor of zelfspot. Je kunt immers niet tegen de verwoesting van de planeet zijn en jezelf tegelijk belachelijk noemen.

‘We’ zouden de ‘huidige’ generatie juist dankbaar moeten zijn voor haar inzet, voor haar humorloze strijd voor klimaat, milieu, ras en sekse. Voor het feit dat zij de wereld en daarmee onze waarden omverwerpt. ‘We’ zouden dankbaar moeten zijn dat we nieuwe perspectieven krijgen, dat we niet blijven vastzitten in onze wereld als een dode vlieg in een barnsteen. Maar in plaats daarvan hebben we kritiek op de online platforms waar ze elkaar treffen en zijn ‘we’ van mening dat wat nu gebeurt, met name de culturele toe-eigening, ‘literatuur onmogelijk maakt’ (aldus Nelleke Noordervliet). Welke literatuur? De literatuur zoals we die kennen, in het algemeen.

Maar misschien is literatuur, zoals alles in de wereld, ook aan verandering toe! Panta rhei.

Den Haag Centraal, 24 september 2020

Moria

Met veel nostalgie denk ik soms terug aan de laatste jaren op mijn middelbare school, de jaren waarin we tijdens de pauzes beslag legden op onze docent wereldliteratuur en hem de meest onmogelijke vragen voorlegden: Waarom heeft eigenlijk niemand Emma Bovary geholpen en haar weerhouden van haar daad? Waarom moest Enkidu dood? En wat gaat er met Andromache en Astyanax gebeuren? Onze docent luisterde altijd naar onze vragen en soms leek het zelfs alsof hij erop zat te wachten.
Hoe kon de volwassen wereld zo wreed en zo onverschillig zijn ten opzichte van het leed van de medemens?
Op die leeftijd kwam de medemens vooral uit de boeken en geen van ons zou zijn geschrokken als we onderweg naar de schoolbibliotheek oog in oog zouden hebben gestaan met Don Quichot. We zouden hem zeker hebben aangemoedigd in zijn strijd tegen windmolens!
Ik ben nu volwassen en toch herken ik Andromache en Elektra overal waar ik ze zie, in onze volwassenenwereld. De vragen van toen zijn ook niet veel veranderd. En ondanks mijn volwassen leeftijd heb ik nog steeds geen antwoord op die vragen. Misschien formuleer ik ze soms anders: Waarom schrijven we boeken, waarom maken we grote theaterproducties, waarom componeren we nieuwe muziek, als we ons hoofd wegdraaien voor de kinderen in Moria? Alles wat we vanuit onze getalenteerde geest doen, heeft toch iets minder betekenis als je niets voor je medemens in nood kunt doen? Ik zeg niet dat alles dan zonder betekenis is, maar in mijn ogen verliest de betekenis haar glans. Waarom schrijven we, componeren we, dansen we, zingen we? Voor de medemens toch? Ik schrijf voor degenen die vechten om het te redden. Ik schrijf voor degenen die het niet hebben gemaakt in het leven. Voor de verliezers. Mede vanuit mijn eigen geschiedenis. Maar redden kan ik hen niet. Ik kan hen niet redden, mijn regering kan hen niet redden, de EU kan hen niet redden. Reddingsacties komen vaak laat en zijn vaak ontoereikend. Geloven we echt dat alles wat we doen in onze beschermde wereld, in onze ivoren toren – debatten, muziek, films – vol van betekenis is? Zouden we de kinderen in Moria of de kinderen in Jemen echt niet kunnen redden? Nu laten we hen stikken. Een psycholoog heeft me ooit geadviseerd om in de zonnige kant van de tuin (volgens Jung) te gaan zitten. Vooral als ik oud wil worden. Grote vragen hebben nooit iemand gelukkig gemaakt.
Ik denk dat het tegenwoordig best druk is in die zonnige kant van de tuin. ‘Luxe, calme et volupté’ (Weelde, rust en wellust) – de definitie van Nederland – zei Baudelaire ooit.

Den Haag Centraal, 17 september 2020

Spoonface

Het was een leeg Lange Voorhout het afgelopen weekend tijdens het BinnenUIT Festival Den Haag. Het voelde alsof je met je ex met wie je jarenlang het bed hebt gedeeld, nu in een café afspreekt in de hoop dat hij terug naar huis wil komen. Onwerkelijk, absurd. Ook met het prachtige weer, heerlijk om te wandelen, dat ook nog!
Dus in plaats van uren te kletsen en van kraam naar kraam het Lange Voorhout over te slenteren, ben ik naar een voorstelling in de Koninklijke Schouwburg gegaan. Een voorstelling die me heeft getroost en ontroerd en nog eens getroost en weer ontroerd. ‘Spoonface’, van Steinberg Lee Hall, in de vertaling van Jibbe Willems. Met Soumaya Ahouaoui. Een monoloog van een uur waarin een autistisch meisje, Spoonface, liefhebster van opera, ons naar het leven laat kijken. Door haar ogen. Door haar onschuld.
Wat een therapie om Spoonface te horen zeggen ‘droevige dingen vullen je op’ of ‘ik denk dat ik altijd achterlijk was’! Vooral de laatste zin zouden we allemaal als mantra kunnen gebruiken, zo af en toe, dat geeft rust. Een uur lang werd ik door Spoonface losgekoppeld van routine en persoonlijke droefheid en tegelijkertijd kon ik anders naar mijn eigen ‘sorrow’ kijken, door de ogen van de onschuld. Want onschuld veroordeelt niet, eist niet en pretendeert niet. Onschuldige Spoonface vertelt ons haar droevige leven op een komische manier, zoals alleen onschuld dat zou kunnen. Ook al is er niets komisch meer aan wanneer je in de muzikale intermezzo’s Maria Callas hoort zingen. Maar Spoonface maakt zelfs de Griekse tragedie menselijk en rustiger en ik heb het stuk gezien als een persoonlijke therapie, met een bonus: het ‘Bloemenduet’ uit ‘Lakmé’, als ik me niet vergis, een van mijn favoriete operastukken.
Halverwege wist ik dat Spoonface een variant van ‘Le Petit Prince’ is, met een autistische prinses ditmaal, die goed met getallen is, maar dezelfde kijk op feiten en het leven heeft als het personage van Antoine de Saint-Exupéry. We mogen er zijn, we mogen elkaars verhalen horen, we mogen ademen en we mogen liefhebben. Tijdens de voorstelling dacht ik ook aan de geleerden van Jonathan Swift in ‘Gulliver’s Travels’, die af en toe met een stokje aangeraakt moesten worden omdat ze zich vaak verloren in te filosofische gedachten en van de werkelijkheid afdwaalden. Precies zo’n stokje is Spoonface. Met haar verhaal herinnert zij ons eraan dat het leven droevig is, maar toch vrij simpel. Dat het feit dat we leven belangrijker is dan de complexiteit van het leven. Er zit een Spoonface in ieder van ons, maar velen van ons zijn het kwijt.
Le Petit Prince is in de stad, mis hem niet!

Den Haag Centraal, 10 september 2020

Menselijkheid

Arjan Peters klaagt de Volkskrant aan en wil zijn recensentenbaan terug. Niet geheel onterecht, denk ik, aangezien de krant bijna net zo lang over de schorsing heeft gedaan als een kiwi over vliegen. Wisten zij niets van de lieve mailtjes en leuke lunches? Want je kunt niet zeggen dat je het maar een béétje wist. En wie schreef dat Peters de Weinstein van de Nederlandse letteren is, vergist zich. Macht is het sleutelwoord bij veel mannen zoals Peters. Zonder de macht die hij had, was hij gewoon een vent die vreemdging en uiteindelijk van zijn vrouw mocht ophoepelen. Maar ‘macht erotiseert’, heeft Peters kennelijk een keer gezegd, en in mijn roman ‘Al mijn vaders’ heb ik dat in de mond gelegd van een personage, pleger van #MeToo. Toen mijn boek verscheen, heb ik Peters een exemplaar gestuurd en bij de eerste gelegenheid vroeg ik hem of hij het had gelezen. ‘Stuur me een e-mail,’ zei hij. Dat heb ik gedaan. Toen ik hem later bij een andere gelegenheid vroeg of hij de e-mail had ontvangen, lachte hij me, omringd door Nereïden, uit. Jonge vrouwen, mooi en slim. Zij de Nereïden, hij net Poseidon. De Nereïden lachten ook mee, alle zeven of acht. ‘Hij is aangekomen,’ zei Peters. En omdat ik op een reactie wachtte, vervolgde hij, onder het geschater van de Nereïden: ‘Nu moet ik hem nog lezen.’ Tegen zoveel gevestigde schrijvers had Peters gezegd dat ze de Nederlandse taal niet machtig zijn, dat ik, tien jaar geleden echt begonnen in het Nederlands te schrijven, hem mijn laatste roman uit masochisme had gestuurd. Maar ook wetend dat literatuur veel meer is dan taal alleen. Als je dat niet weet, ben je maar een Wizard van Oz en is de schrijver Dorothy.
Zijn de Nereïden ook niet een beetje schuldig en is zijn krant dat niet net zo?
Op de sociale media verbijsterde me zijn cynisme, want ondanks de goede en minder goede boeken die we schrijven en de goede en minder goede recensies die we krijgen, zijn we allemaal, auteurs van boeken en recensies, allereerst mensen. En menselijkheid gaat voor alles, ook voor intelligentie en talent. Ik herinner me een gesprek op Facebook waarin een oude man vertelde dat hij nog een boek in zijn hoofd had. Het antwoord van Peters choqueerde, alsof hij St. Petrus met de sleutel van de hemelpoort was: ‘Hou het daar!’
Literatuur is niet alles en Arjan Peters is geen heilige Petrus, niet eens bij het paradijs der Nederlandse letteren, maar evenmin een Harvey Weinstein. Geef hem minder macht en er zullen geen lunches meer zijn.
Misschien komt hij ergens anders aan de bak of wie weet, terug bij de Volkskrant. Maar zelfs hij zou nu een beetje menselijkheid kunnen gebruiken.

Den Haag Centraal,  september 2020

Baudet

Een aanrader, die documentaire van ‘Zembla’ over Thierry Baudet en zijn banden met het Kremlin! Maar wat voor banden? Dat de Russen Baudet gebruiken is alsof een dief zou zeggen dat hij een zijdeur heeft gebruikt om binnen te komen.
Er zijn geen banden; iemand als Baudet, met slechts opblaaspopretoriek, kan immers alleen maar worden gebruikt. De opschepperij van Baudet over Rusland laat alleen maar zien wat een klein en onschuldig (lees: onervaren) landje we bij de echte battles zijn. We zeggen ‘nee’ in Brussel, maar als we verder dan Brussel ‘nee’ of ‘ja’ zouden zeggen, of wat dan ook, zijn we niet te horen. Daarom bieden sommigen van ons zich aan de grote jongens aan, zoals een straatprostituee aan een Cadillac in Amerikaanse films. Dat Baudet géén geld van Rusland heeft gekregen, betwijfel ik niet, want opschepperig zoals hij is, zou hij daarover zeker hebben geappt of zelfs getwitterd. Misschien heeft hij een lunch met kaviaar gekregen en een speelgoedtreintje. Ik denk niet dat het Kremlin iemand als Baudet serieus zou nemen. Hem gebruiken ja, dat wel, dat kan ik me wel voorstellen. In mijn geboorteland circuleren lijsten met journalisten, politici, schrijvers, niet weinig in aantal, die de Wizard van het Kremlin dienen.
Zou Baudet op de lijsten van de Kremlin staan? Moeilijk te geloven. Zwevend tussen metataal en grof racisme, kennelijk niets wetende over de politieke gevangenen in Rusland of, anyway, over martelingen van opponenten van Poetin, over polonium, Litvinenko, Politkovskaja, Nemtsov, thee en giftige paraplu’s speelt Baudet met vuur als een pyromaan die bij de brandweer werkt. Russisch vuur.
Met Rusland moet je niet spelen, weten ze in Oost-Europa. Met Rusland moet je ook niet flirten, want zoiets kan snel veranderen in verkrachting, en als je vervolgens de dader zoekt, wordt Oekraïne naar voren geschoven. Van Rusland moet je je ver houden, wist ik als kind al. Maar dat is iets wat vooral de landen die met vuur hebben gespeeld en zich lelijk hebben gebrand weten. Er zijn ook kikkerlandjes, heb ik tijdens mijn migratie geleerd, die denken dat alles wel meevalt, omdat een land dat Dostojewski en Tolstoj heeft voortgebracht wel moet meevallen, ondanks die andere voortbrengselen: Stalin, Lenin, de KGB, het Kremlin, de miljoenen doden tijdens het communisme en de dagelijkse schendingen van de mensenrechten.
Maar Baudet is ontevreden en gulzig als een kind dat nog geen grotemenseneten krijgt, maar al een barbecue wil. Iemand zou hem af en toe een fopspeen moeten geven. Dat tempert de (politieke) honger en houdt hem ook even stil.

Den Haag Centraal, 27 augustus 2020

SCHILDERSWIJK IN DE MODEWERELD

Iedereen is ontdaan door de rellen in de Schilderswijk. Watskeburt? Wat brandkranen opengedraaid, eieren gegooid, relletjes. Maar omdat het de Schilderswijk is, heeft iedereen er een mening over. Ik ook. Alleen wed ik dat veel van degenen die bij het lezen van de naam Schilderswijk al een oordeel hebben, de wijk zelf nooit hebben doorkruist. God verhoede! Ik weet ook zeker dat ze zullen zeggen dat ik appels met peren vergelijk als ik vraag: Maar waarom horen we niets meer over de grote corruptie, over de dingen die in stijl gebeuren in en rondom de gemeente Den Haag? Over de corrupte ambtenaar die ‘niet transparant’ handelde bij de bouw van Amare, over de controller die bevriende bedrijven aan gemeentelijke opdrachten hielp, valse facturen opstelde en collega’s onder druk zette om ze goed te keuren, over de Walraven-affaire waarbij een kernlid van de kunstadviescommissie directeur werd van het gesubsidieerde WU, over de vele belangenverstrengelingen, over de van corruptie verdachte wethouders, over die andere wethouder die een pand aan het Noordeinde verkocht voor 1,7 miljoen euro terwijl het 4,7 miljoen waard was, enzovoort. Zo te zien vervelen ambtenaren zich ook regelmatig. Maar dat soort dingen vind ik minder saai dan een paar brandkranen en wat eieren.
Ik wed nogmaals: dat dit zaken zijn die ook de Schilderswijk interesseren. Misschien zouden de jonge inwoners van de Schilderswijk zich zelfs minder vervelen als ze zouden zien dat de nieuwe burgemeester ook over zulke affaires ontdaan is. Dat het tapijt waar zulke zaken onder worden geschoven steeds kleiner wordt. We schrikken en verheffen onze stem vanwege de rellen in de Schilderswijk, maar het echte Jurassic Park zit achter hoge muren, bij de airco, en gaat stilletjes zijn gang.
Vragen stellen over wat er in hogere kringen gebeurt, betekent je werk in gevaar brengen, weet ik uit ervaring. Ik ken ook ambtenaren die het advies kregen een andere baan te zoeken, omdat ze vragen durfden te stellen. In de kringen die tijdens de hitte genoten van de airco is vragen stellen not done, het hoort niet bij de etiquette. Waarom horen we niets meer over die zaken? Eieren gooien is te verklaren als je hersenen koken in de hitte, maar hoe verklaar je de affaires waarover je nu niets meer hoort? Wat is er precies gebeurd nadat we vaststelden dat de koning naakt was? En wat is het verschil tussen de rellen in de Schilderswijk en laten we zeggen de rest van de wereld in Den Haag?
Mijn conclusie is dat je in Den Haag illegale dingen kunt doen – in stijl of zonder stijl. De stijl maakt het verschil. Wie het in stijl doet is ‘van ons’, wie niet is minstens Turk, zeker Marokkaan.
We leven in een modewereld. Stijl is alles.

Den Haag Centraal, 20 augustus 2020

 

De schutting

Een woonwijk is het volk zelf, op kleinere schaal. Als ik deze zin schrijf, hoop ik dat ik me vergis. Je zou kunnen zeggen dat je het gewoon moet treffen, een woonwijk.
We zijn naar deze wijk verhuisd met al onze hoop op stand-by, in koffers en dozen gepakt, net als onze spullen. We hadden erger meegemaakt, we waren eigenlijk opgelucht dat we konden verhuizen, opnieuw beginnen, in een kleiner huis met dunnere dromen, maar wel een huis. Luttele weken later begrepen we dat de tuin toch wel een beetje verpest was, door de te luidruchtige buurvrouw, een levensgenietster van een soort dat we niet echt kenden. Maar veel (niet alles) went. Ik zit minder in de tuin, bijna nooit meer. Maar iets anders gaf de openingszin in.
Toen we dit huis eind vorig jaar kochten, stond achter in de tuin geen hek; de tuin kwam direct uit op de brandgang die achter langs de tuinen loopt. Ik heb het niet gecheckt, maar ik denk dat alle tuinen zijn afgesloten door een schutting, alleen de onze was er niet. We hebben daarom snel een rietmat gekocht om de tuin vanachter, waar alleen de buren lopen, af te sluiten. Provisorisch, tot we een schutting zouden kunnen betalen. Toen we de mat plaatsten, vroeg een verre buurman of het zo zou blijven. Zeker niet. Maar corona heeft veel plannen en inkomsten verdund en zo werd ook ons plan om een schutting te kopen op de lange baan geschoven. Het is niet erg, er zijn zoveel doden gevallen, zoveel levens zijn veranderd, het leven van iedereen is anders geworden. Maar niet dat van mijn buren, die sinds januari, als ze groeten, gelijk vragen wanneer we een schutting gaan plaatsen. Geen vraag over hoe het met ons gaat, of we zijn getroffen door corona of anderszins. Nee, de schutting. Blijft ie zo? Wanneer komt ie? Want die van riet is namelijk niet zo mooi als hun eigen houten schutting.
Is dit de menselijkheid die we elkaar moeten tonen? Is dit alles wat we voor elkaar kunnen betekenen? Mijn luidruchtige buurvrouw, een hooligan in een jurk, een ‘genietster’, valt hier niet op, wij, die nu andere prioriteiten dan een schutting en ‘genot’ hebben, wel.
We kunnen doodgaan of oprotten, maar niet voordat we een fatsoenlijke schutting hebben geplaatst. De wereld kan vergaan, maar de woonwijk moet het goed hebben. Vorige week, na de introductievraag van een andere buurvrouw, je weet wel: ‘Komt de schutting er?’, vertelde ik dat ik meer in mijn werkkamer aan de andere kant van het huis zit. Toen kwam de tweede memorabele vraag: ‘En wat doe je? Nagels?’
Had ik maar nagels gedaan, dan hadden we meer geld voor een schutting gehad.

Den Haag Centraal, 13 augustus 2020

 

Naima El Bezaz sprong al eerder, alleen we hebben het nu gezien.

Ik kende haar niet persoonlijk. Op de dag dat ik haar zou leren kennen – ze zou te gast zijn in het programma dat ik produceerde – kwam ze niet. Omdat haar broer een auto-ongeluk had gehad, mailde ze me een paar uur voor aanvang van het programma.

Zoals velen van ons was ik geschokt ik toen ik hoorde dat zij niet meer is. Bijna een jaar jonger dan ik.

Maar ik schrok bijna net zo erg toen ik Naima in de film hieronder zag. Zo kwetsbaar. Pijnlijk om te zien. Dan begrijp je dat ze al jaren geleden sprong, zonder vangnet. De schrijver, maar vooral de performer, heeft iets van een circusdier. We worden getraind om te verkopen: onszelf en onze boeken. Je ziet haar bij Pauw, de gasten om haar heen lachen. Circus. In uitgeverijtaal: verfrissend. Vooral als je ook buitenlander bent. Maar durven laten zien dat je anders bent betekent soms dat je geen controle meer over je leven hebt. Eerlijk zijn is een, je hele kwetsbaarheid laten zien is iets anders. Heb je een vangnet als je springt? Staat je man, je vrouw, je uitgever achter of onder je om je op te vangen? Want je kunt dat niet alleen. Niemand kan dat alleen. Ik herinner me Griet Op de Beeck bij DWDD toen ze vertelde dat ze door haar vader was misbruikt. Een kind van een paar jaar dat van het dak sprong. Niemand die haar opving, die tenminste haar hand vasthield.

Het is ontzettend pijnlijk om Naima el Bezaz zo te zien, in haar laatste jaren. De vrouw gebruikte zichzelf, at zichzelf op, zoals velen van ons doen. Wie stond haar bij? Want als je haar in de film hieronder ziet, weet je dat ze hulp nodig had. Haar te eerlijke en controversiële uitspraken, haar onrust, haar moed om zichzelf zo bloot te geven, zo pijnlijk om te zien, zijn ook een kreet om te worden geholpen.

Het is voor mij nog een mysterie waarom ze werd gefilmd in de staat waarin ze was. Ze had geen promotie nodig, maar steun en behandeling. Een vangnet. Ze was ziek en ze wed nog gefilmd voor de promotie van haar boek.

Het feit dat Naima sprong, jaren geleden, zegt ook iets over ons en onze (boeken)wereld. Over de eenzaamheid en wreedheid van ons beroep.

(En dat iemand in de boekenwereld de dood van Naima el Bezaz gebruikt om Abdelkader Benali aan te vallen is slechts een incarnatie van het feit dat ook in onze wereld geldt: homo homini lupus. Jammer dat het lam dood is.)

Rust in vrede, Naima El Bezaz!

10 augustus 2020

klik hier voor een link naar de opname met Naima El Bezaz

1453

Het is een dagelijkse gedachte dat de geglobaliseerde samenleving toch heel fragmentarisch is, vooral voor een zogenaamde nieuwkomer. Een migrant is een puzzel van de werelden die hij met zich meedraagt en het is geen gemakkelijke opgave om de tegenstrijdigheden in zijn leven onder een gemeenschappelijke noemer te brengen. Vaak sta ik versteld van de transformaties en veranderingen in mijn eigen denken, van mijn jeugd tot nu, en dan vraag ik me af of het normaal is dat je in de loop der jaren, vooral in een andere omgeving, heel anders naar dingen gaat kijken.
Neem nu wat in West-Europa een gewoon nieuwsbericht was: de transformatie van de Hagia Sophia in Istanboel tot een moskee. In de westerse pers was het gewoon een van de vele nieuwsberichten, ik had het niet eens gezien. Maar toen las ik kranten uit de Balkan en begonnen de tegenstrijdigheden. Griekenland is woedend, Kirill van Moskou is ‘diep bezorgd’, de paus is ‘verdrietig’ en zelfs Unesco vindt dat Erdogan vooraf had moeten overleggen. En dan mijn geboorteland, dat het veranderen van ‘het symbool van het christendom’ in een moskee ‘de tweede val van Constantinopel’ noemt.
Om het geheugen van de westerling op te frissen: op 29 mei 1453, na wekenlange beschietingen met kanonnen (van Hongaarse makelij), viel Constantinopel voor het Ottomaanse Rijk. Het betekende het einde van het Byzantijnse of Oost-Romeinse Rijk. Er volgden drie dagen van plunderingen. Het moment wordt vaak gezien als scheidslijn tussen de Oude en de Nieuwe Tijd, tussen de middeleeuwen en de renaissance. De latere paus Pius II weeklaagde dat de Kerk ‘een van haar twee ogen’ had verloren.
Maar dat was toen, in 1453.
Intussen is de Kerk, vooral in West-Europa, veel meer kwijt. Dus waarom zou ik me nog afvragen waarom het Westen zo lauw reageert op het nieuws dat Oost-Europa juist ontroert, in de wetenschap dat in het Westen zoveel kerken hun oorspronkelijke bestemming hebben verloren? De westerse mens stapt al jaren uit de kerk. Tientallen westerse kerkgebouwen zijn moskee geworden. Als je dat weet, begrijp je ook de stilte rondom de herbestemming van de Hagia Sophia. De westerse pers interviewde Turken op straat en zelfs het feit dat de gewone Turk in Erdogans besluit vaak een politieke bedoeling ziet, zegt ons in het Westen niet zoveel. Het Westen heeft echte, serieuze problemen en zo’n bagatel laten we over aan het Oosten, dat zich sowieso de ondergewaardeerde poort naar het Westen voelt, een poort die de Turken (het Ottomaanse Rijk) honderden jaren buiten Europa heeft gehouden, maar nu wijd open staat – door het Westen zelf geopend, zo moppert Oost-Europa.

Gisteren fietste ik door Scheveningen en maakte ik een stop bij een cocktailbar naast het Turkse restaurant-met-Turkse-vlag met de heldere naam 1453. Ik moest lachen. Erdogan loopt achter op de Nederlandse Turk.
Ik ben allang geen Oost-Europese meer. Ik ben niets meer. En als ik per se iets moet zijn, ben ik fietser. Een mindful fietser in een fragmentarische wereld, die af en toe een glaasje Aperol lekker vindt.

Den Haag Centraal, 30 juli 2020

Mark Rutte

‘Mark Rutte, avare et contre tout’, luidde de kop van het artikel dat de Libération het afgelopen weekend aan onze premier wijdde. ‘Gierig en overal tegen.’ De koppigste van de ‘zuinige vier’, de aanstoker, zoals de rest van Europa hem ziet, degene die coronaherstelfondsen niet zomaar cadeau wil geven. Uiteraard zijn de vele portretten van Rutte in de internationale pers ingegeven door de recente EU-top over het covid-herstelfonds en de meerjarenbegroting. ‘Hij leidt een sober en discreet leven, in combinatie met een schitterende loopbaan,’ aldus de Libération. En als ze het nog niet wisten, lezen de Fransen nu dat Rutte een goed pianist is en geen vrouw of kinderen heeft.
De conclusie van het artikel vind ik toch wel interessant: ‘Kortom, hij belichaamt l’homme néerlandais exemplaire,’ de voorbeeldige Nederlandse man…
Ik heb altijd gedacht dat l’homme néerlandais één van die ronde, weldoorvoede gezichten op de schilderijen van Jeroen Bosch moest zijn die je soms in een of ander Nederlands dorp terugziet. Toen ik ruim tien jaar geleden een dorpskerk in de Biblebelt bezocht, dacht ik daar l’homme néerlandais tegen te komen, tussen de gelovigen die ’s zondags de telefoon niet opnemen, geen bezoek krijgen en niet eens koken.
De Corriere della Sera noemt onze voorbeeldige Nederlander ‘grande cattivo’, grote slechterik. Dat deed me denken aan die andere ‘exemplarische Nederlander’, Adrianus VI, de eerste en laatste Nederlandse paus, die in 1522 op zijn 62ste tot paus werd verkozen en vervolgens Italië, net zoals Rutte nu, flink liet schrikken. Adrianus wilde de corrupte en decadente kerk hervormen. Na zijn verkiezing betrad hij de grond van Rome blootsvoets, als blijk van nederigheid, en leefde er als een monnik. Hij sliep op een houten bank en at eenvoudig. Het Vaticaan schrok van zijn eenvoudige levensstijl en het was misschien geen toeval dat Adrianus VI al in het jaar na zijn verkiezing overleed. Kennelijk vergiftigd. Na zijn dood werd het opulente leven in de kerk weer opgepakt en het zou tot 1978 duren voordat er weer een niet-Italiaan tot paus werd verkozen.
Als je uit dit verhaal per se een moraal wilt trekken, is die dat je je manier van leven niet aan een ander kunt opleggen. Het is waar dat de Nederlander zich niet kan inleven in het leven van een mediterraan iemand, maar het tegenovergestelde is niet minder waar. Hoeveel mensen herinneren zich die arme paus Adrianus VI nog? Van het pragmatisme van onze premier begrijpt de rest van Europa niet veel, net zomin als het Vaticaan toen iets van de Nederlandse paus begreep. Gelukkig is gif niet populair meer en kan een rottweiler als Viktor Orbán alleen maar grommen: ‘Ik weet niet wat zijn persoonlijke reden is om mij of Hongarije te haten, maar hij valt ons hard aan.’

Maar misschien is het na het lezen van de vele portretten van onze premier in de buitenlandse pers mogelijk om ook een andere conclusie te trekken: het gaat er nu meer om Europeaan te zijn en minder Nederlander. Alleen Nederlander zijn moet heel eenzaam voelen.

Den Haag Centraal, 23 juli 2020

Criminele organisaties

Richard de Mos wordt gepest. Als het niet door de VVD is, dan is het door Rutte zelf, door de regering, door het OM, door niet-geboren Hagenaars, zoals ik, door de gemeente. Want hoe verklaar je de ‘heksenjacht’ (zijn woorden) die het De Mos & Co belemmert om eigen politieke idealen in ons stadje waar te maken?
Ik schrok me vorige week kapot toen ik de krantenkoppen las; een seconde lang wist ik niet meer of ik hier in ons stadje of in mijn geboorteland was. ‘OM verdenkt De Mos van deelname aan criminele organisaties.’ Ja, Richard de Mos & Co vernieuwt de Haagse politiek, zoals hij zelf zegt. Zie alleen al de krantenkoppen. Dacht je vóór De Mos aan de Haagse politiek, dan dacht je aan polderpolitiek, consensusdemocratie, redelijk ‘saaie’ dingen. Wilders bracht eerder al een beetje kleur in de anders behoorlijk kleurenblinde politiek, ook al had die kleur meer iets weg van de inkt van een octopus die zijn vijand wil verblinden. Maar de daadwerkelijke verandering in de politiek komt met De Mos. De Mos maakt ons echt internationaal; ook wanneer ik dit zeg, denk ik meer aan de Balkan. Want in mijn leven hier had ik nog nooit de woorden ‘politicus’ en ‘criminele organisatie’ in één kop gelezen. Jawel, één keer eerder, maar dat was in het paleoceen, in de tijd van Berlusconi. En inderdaad, regelmatig in de Balkan, maar in de polder nog nooit.
Want hoe moet een criminele organisatie in Nederland schuilen?, vraag ik me af. Als die niet van de Belastingdienst of de gemeente(n) zelf is. In films die ik heb gezien, trekken leden van zo’n organisatie zich, eenmaal ontmaskerd, terug in de bergen. De Roemeense corrupte sociaaldemocraten vluchten naar Servië of Italië, de liberalen naar Costa Rica. Maar in de polder? Waar zou een criminele organisatie zich in de polder moeten verschuilen?
Alsof een luis zich op een kale kop verstopt. Vandaar mijn vraag: heeft het OM goed over de woorden nagedacht? Criminele organisatie? Onze ‘goeie jongen’ De Mos?
De Mos is er zeker van dat het om karaktermoord gaat en wil met het OM in duel gaan. Kan het OM duidelijker zijn? Is er al resultaat van een van de vele onderzoeken naar De Mos?
Den Haag heeft tegenwoordig meer iets weg van een soap dan van een stad van vrede en recht. Ik vraag me al een paar jaar af hoe dat komt. Als je te dicht bij de macht staat, doet die macht met veel mensen wat de gouden ring met Tolkiens Gollem deed. Onze stad van vrede en recht is ‘the precious’ geworden.

De beschuldigingen aan het adres van De Mos zijn nog steeds een storm in een glas water. Zeker voor hem. Elke beschuldiging pareert De Mos met een steeds flamboyanter plan. ‘Ik ga de ombudspolitiek landelijk uitrollen,’ vertelt hij bij ‘Beau’. Na de zomer komt hij met een landelijke beweging en gaat hij meedoen aan de landelijke verkiezingen.
Het zou komisch kunnen zijn, maar het is zorgwekkend.

Den Haag Centraal, 16 juli 2020

Mira Feticu vervangt de komende weken op deze plek Aukje van Roessel en Casper Postmaa.

 

Jalta

Gisteren woonde ik ongewild een ontmoeting Nederland–Amerika– Oost-Europa bij. In een bakkerij, waar mijn man en ik, natgeregend, wat wilden drinken.
De setting: bij de toonbank drie Amerikanen, droog en heel Amerikaans. Ik erachter. De eigenares doet haar best om haar gebrekkige Engels een Amerikaans jasje te geven. Koekjes en thee voor de Amerikaanse jongedame, die niet had misstaan in een film over Manhattan, en twee jongemannen – ik denk toch dat een van hen Europees is. Ook honing bij de kruidenthee. En suiker, just in case. Als de formaliteiten eindelijk zijn beëindigd, kan ik bestellen.
Twee thee op het terras? Kan niet. Het is een seconde nadat ze met al haar tanden naar de Amerikanen glimlachte. Het is nu kwart voor en om vijf uur gaat ze dicht. Ontsteltenis. Hoe kan dat nu? Kunnen we dan ‘thee to go’ nemen en vijf minuten blijven zitten tot ze gaat opruimen? Nnn-nee, dat kan ook niet. Waarom? To go-thee heeft een andere prijs dan terrasthee.’ Goedkoper natuurlijk. In principe begrijpelijk, in de terrasprijs zitten ook de afschrijving van het kopje en afwaskosten verrekend (water, een druppel Dreft, twaalf seconden arbeidsloon), maar in dit geval niet: de to go-beker hoeft ze immers niet te wassen. Soms begrijp ik onze kleine wereld niet.
‘Waarom zij wel?’, vraag ik, wijzend naar de Amerikanen op het overdekte terras. Het voelt alsof ik de conferentie van Jalta bijwoon.
Ze zoekt naar een antwoord, en hoewel ze het Nederlands net nog beter beheerste dan het Amerikaans, lijkt ze nu echt lang naar woorden te zoeken. Ik heb ook de tijd om langer naar haar te kijken, hoewel de tijd in ons nadeel tikt.
Tijd genoeg om thee te drinken, maar het mag niet. Niet op het terras, waar de Amerikanen rustig hun kruidenthee savoureren. Ik zeg nogmaals dat ik het raar vind, vooral omdat ze zo anders tegen de Amerikanen deed. Ze lijkt mijn argument te begrijpen, en als ik het had herhaald – wat ik graag had gedaan, maar mijn man vond dat ik al duidelijk genoeg was – had ze me zelfs gelijk gegeven.
Ik besluit ‘to go’ te nemen. Twee thee om te drinken in de regen. Ze vraagt niets over honing, suiker of een roerstaafje, maar ik ben ook geen Amerikaanse. Ik reken af met mijn pinpas. Het lukt niet. ‘Saldo onvoldoende,’ zegt de eigenares in lettergrepen, met de triomf die je in je ogen hebt als je na een avond verliezen met Monopoly wint.
Mijn man heeft geen portemonnee bij zich en dus lopen we voorbij de Amerikanen en gaan huiswaarts.
Onderweg krijg ik een margriet van mijn man, die hij op een veldje plukt. ‘Je kunt hem later planten, want ik heb hem met wortel en al uit de grond gehaald.’

Den Haag Centraal, 9 juli 2020

Schilderswijk

Ik dacht altijd dat ik de Schilderswijk kende, maar dat was meer vanuit de auto. Alleen op de fiets leer je de stad echt kennen, kan ik zeggen na een maand dagelijks fietsen over de Vaillantlaan.
Wanneer ik het politiebureau richting restaurant Çadir passeer, merk ik dat ik alerter word. In de ochtend vergeet ik het restaurant, maar ’s avonds, als ik terug naar huis fiets, komt er van het Turkse restaurant een geur van gepofte paprika’s die de herinneringen aan mijn eigen land en het Roemeense eten wakker maken. Want wat voor sommigen oesters betekenen, betekenen gepofte paprika’s voor mij: à la julienne gesneden en bestrooid met zout, olie en zware druppels zwarte balsamicoazijn. Als ik bij het verkeerslicht ertegenover wacht op groen, word ik vrolijker van de geur van de gepofte paprika’s. Bij het volgende verkeerslicht, op de brug, tegenover het politiebureau, vraag ik me af of de kok dikke paprika’s aan het poffen was, of van die Hongaarse, puntige ‘kapia’.
Maar nog even een paar stoplichten terug: als de regen aanhoudt, ga ik schuilen bij de Turk met de pruimen. Dikke, geurige pruimen, zoals je bij de Ekoplaza maar één keer in een zomer kunt kopen, als je geluk hebt. En bij de Turk op de Vaillantlaan dus, waar je ook grote watermeloenen kunt krijgen, zo sappig en zoet als de Albert Heijn ze nooit heeft gehad, het soort dat op de Balkan ‘lubenița’ heet.
Bij een winkel verderop kocht ik twee weken geleden de lekkerste kersen in jaren. Een bak die het geld waard was. In één avond hadden we ze op. Die van de AH staan al twee weken in de koelkast, niemand raakt ze aan. Daar waar ik kersen kocht, kun je ook börek kopen, waar ik soms voor naar de Rotterdamse Markthal ging, of die ik bij Dudok op het station daar kocht. Je kunt daar ook lekkere simits kopen, die ik in de lente met linzensoep eet.
Als ik te lang bij het stoplicht wacht, kijk ik naar de mannen op de terrassen, eigenlijk mannenterrassen zoals je in Turkije en Griekenland ziet. Ik vraag me af hoe die besnorde, oude mannen zouden reageren als ik als vrouw een keer naast hen onder de luifel voor de regen zou schuilen.
Ik ben blij dat de Schilderswijk bestaat. Gisteren fietste ik door het Benoordenhout. Ik liet mijn man zien waar prinses Beatrix volgens de geruchten weleens taartjes kocht. Rustig en overzichtelijk, leuk om doorheen te fietsen. Maar het leven begon op de Vaillantlaan: getoeter, auto’s op het fietspad, vrouwen met hun kinderen die niet bij de zebra oversteken. En de gepofte paprikageur, die ik nog in mijn haren ruik. Ah, Schilderswijk, tot straks, op de fiets!

Den Haag Centraal, 3 juli 2020

Sigrid Kaag

De vraag is niet of Sigrid Kaag een goede premier voor Nederland zou zijn, maar of Nederland een goed land voor een premier als Kaag kan zijn. Ik ben geen politicoloog, maar ik weet zeker dat er ook goede politici zijn, al zou ik niet kunnen uitleggen wat dat precies inhoudt. Naïevelingen die denken dat ze de wereld kunnen veranderen? Pragmatici die weten hoe een probleem moet worden aangepakt, maar (nog) niet aan de macht zijn? Integere mensen die moeilijk compromissen kunnen sluiten? Ik ben geen expert in wat een goede politicus is, maar ik heb wel een neus voor oplichters, ook in de politiek. Ik ruik het moeras, al is het aangelegd als rozentuin. Natuurlijk wordt ons zand in de ogen gestrooid: politici zijn ook mensen en maken fouten, soms bij het tellen van appartementen, omgaan met minnaressen, gekochte stemmen, om niet te beginnen over discriminatie of zo. Toch is Den Haag geen Kremlin en Rutte geen Poetin, zeg ik tegen mezelf als ik lees dat De Mos weer van iets wordt verdacht.
En in vergelijking met wat er internationaal gaande is, is ons Haagse gedoe echt een Legospel, wat niet per definitie slecht is, maar kleinschalig, ook al lijden de politici vaak aan het syndroom waardoor een kat zich een tijger waant. En ook dat is niet slecht, als je niet zou brullen wanneer het niet nodig is, zoals Rutte over het Europese geld in deze coronatijd. Maar als je leest dat Sigrid Kaag premier wil worden, voel je je zoals na het zien van ‘Avatar’: zou het echt mogelijk zijn?
Ik weet niet hoeveel kans Sigrid Kaag heeft om premier te worden, maar ze zou de eerste premier zijn die op ‘ons’ lijkt. Geboren en getogen in Nederland, maar met een buitenlandse man en kinderen die Nederlands, maar ook Palestijns zijn, lang in het buitenland gewoond. Zij is het Nederland van nu, het Nederland dat je elke dag ziet. Ze ziet de problemen en is niet bang om er een duidelijke mening over te formuleren. Ze spreekt niet als een politicus, ik bedoel: niet als een bij wiens tv-toespraak je wegzapt, nee, ze is helder en laat zich aan je zien. Zou ze uit politieke overwegingen hebben verteld hoe ze haar kinderen doopte en haar niet-praktiserende moslimman dat oké vond? Hoe haar kind wel meteen op gesprek mocht toen hij/zij een sollicitatiebrief had ondertekend met moeders naam, en niet toen hij/ zij tekende met vaders Arabische naam? Sigrid Kaag heeft ongetwijfeld haar ondeugden, maar ze ziet Nederland – na zo lang in het buitenland te hebben gewoond en het te zijn ontwend – wel precies zoals het is. Nederland waarin we met z’n allen willen leven, heeft iemand als Sigrid Kaag nodig.

Den Haag Centraal, 26 juni 2020

Onze tijden

‘We leven in interessante tijden,’ antwoordde een Chinese hoogwaardigheidsbekleder voorzichtig toen hem werd gevraagd wat hij van de Culturele Revolutie vond. Datzelfde kunnen wij ook zeggen, volmondig. Er gebeurt ineens zo veel, van de openbaring dat we niet zonder wc-papier kunnen tot Baudet die bloemen legt bij het standbeeld van J.P. Coen, je hebt de vingers van meerdere handen nodig om alles te kunnen tellen.
We zijn kwetsbaarder geworden, velen van ons hebben geen of minder werk, we zitten met man en kinderen opgesloten in huis en moeten onder ogen zien dat elke dag zo’n ‘feest’ niet voor iedereen is weggelegd. Bepaalde gebeurtenissen houden me, met een glaasje calvados op de bank, tot laat wakker. Gisteravond heb ik voor de n’de keer ‘I am not your negro’ gezien. Corona is een bijzaak geworden, de geschiedenis haalt ons in. Sinds de Roemeense Revolutie van 1989 en kort erna de gewelddadige komst van mijnwerkers naar Boekarest heb ik niet meer zo acuut gevoeld dat er momenten zijn waarop je de pols van de geschiedenis kunt opnemen als nu. Op die dag in ’89 van protesten in Boekarest kwam dictator Ceaușescu terug van een bezoek aan Iran; hij dacht dat het volk klaarstond om voor hem te applaudisseren. Wie zijn gezicht heeft gezien toen bleek dat het niet zo was, vergeet die uitdrukking van ontsteltenis nooit meer: ja, in een paar tellen begreep hij dat de geschiedenis een wending nam.
De social media zijn nu ‘interessanter’ dan ooit, de geschiedenis heeft koorts en hoest, en niet door corona. We wennen aan dood, minder geld hebben, thuiswerken, eenzaamheid; we passen ons leven aan de grillen van een willekeurig gekomen virus aan, maar de geschiedenis haalt ons in. ‘Black lives matter!’ De galblaas van de geschiedenis zit weer vol.
De afgelopen maanden heb ik mijn eigen confrontaties gehad: met mijn eigen eenzaamheid, met wat ik niet goed of slecht doe en heel vaak door de vingers zie; vooral de dagelijkse confrontatie met de werkelijkheid, zoals iedereen heeft. Ik heb af en toe goed geschreven en ben ‘corona’ ook dankbaar dat ze van mij een echte fietser heeft gemaakt, fanatiek en verslaafd aan het zadel; dankzij corona ken ik Den Haag, Rijswijk, Nootdorp, Pijnacker en Delft beter dan ooit. En toch. Sta je of niet op de Dam of op het Malieveld, voel je mee of niet, it happened. Zelfs Baudet weet dat, vandaar zijn zielige gebaren.
Soms is de mens net zo krachtig als de natuur, het is madness om tegen haar wil in te gaan, alsof je je tegen een overstroming keert. Op zo’n moment leven we nu, de wereld is een tsunami. De galblaas van de geschiedenis zit vol. Black lives matter!

Den Haag Centraal, 18 juni 2020

Schuld van de vertaler

In 1877 meldde de Italiaanse astronoom Giovanni Schiaparelli een schokkende ontdekking: toen hij door zijn telescoop naar Mars tuurde, had hij daar ‘canali’ gezien, wat in het Engels (en vervolgens in andere talen) misleidend als ‘canals’ in plaats van ‘channels’ werd vertaald. En aangezien canals per definitie kunstmatige waterlopen zijn, deed zich ineens ook de mogelijkheid van marsmannetjes voor; die zouden de kanalen hebben aangelegd als irrigatiewerken. De astronoom Percival Lowell nam het idee gelijk over en bracht de marskanalen in kaart, op een vooral door zijn verbeeldingskracht ingegeven wijze. Het probleem is dat Schiaparelli doelde op lijnen/greppels, die ook door volstrekt natuurlijke omstandigheden gevormd konden zijn (en later gezichtsbedrog bleken), en niet per se op kunstmatige waterlopen. Maar een hele generatie na hem heeft in de overtuiging geleefd dat marsmannetjes kanalen hadden aangelegd. Vertaalfout.
Vertalers, vooral ook AzerbeidzjaansTurks, maken fouten. Zo had Erdinç Akyol niet gezegd dat ze in de Schilderswijk voor Groep de Mos stemmen hadden gekocht, maar misschien ‘gekocht hadden stemmen’. Kwestie van interpretatie.
Toen de Amerikaanse president Jimmy Carter in 1977 een bezoek aan Polen bracht, veroorzaakte de incompetente tolk bijna een politieke ramp, op z’n minst veel geschater. Steven Seymour, tolk, zzp’er met een dagloon van 150 dollar, vertaalde ‘ik ben gekomen om uw standpunten te horen en uw wensen te begrijpen’ als ‘ik wil de Polen vleselijk’.
Ik kan me niet voorstellen wat er met de arme vertaler Azerbeidzjaans-Turks gaat gebeuren. Staat hij/zij sterk in zijn schoenen? Ik hoop dat hij niets heeft gelezen over het bij de oudere broer Akyol gevonden pistool. Hilarisch is dat de jonge Akyol, die de blunder aan de telefoon maakte, niet zegt wat hij eigenlijk wél had gezegd en door de tolk zo verkeerd is vertaald. ‘Ah, die telefoontjes, ik heb maar wat geluld.’ Woorden zijn niets voor stoere kerels die in een Porsche of een Mercedes rijden, je kunt van alles zeggen, vooral in het Azerbeidzjaans-Turks. Belangrijk is wat je doet. En blijkbaar deden de broers Akyol in de Schilderswijk goed: 150 euro voor twintig stemmen, dan kan de arme Schilderswijker rondkomen, zeker tijdens de verkiezingen.
Wij buitenlanders denken altijd dat Nederlanders soft en vaak naïef zijn. Vooral als we Azerbeidzjaans-Turks aan de telefoon spreken, denken we toch niet dat degenen die ons tappen er iets van snappen? Wij buitenlanders hebben overal nog onze eigen methodes. Grenzen die aan corruptie? Onmogelijk!
Groep de Mos/Akyol begint iets weg te hebben van de Louis de Funès-films. Laat die jonge broer maar vaak bellen; binnenkort gaan we het delen, in afleveringen, met ondertiteling vanuit het Azerbeidzjaans-Turks. ‘Zowel Richard (de Mos) als Rachid (de ‘Marokkaanse flikker’ volgens de jonge Akyol) zijn in onze handen.’ Het is verder aan de naïeve en softe justitie om haar gang te gaan. Wordt vervolgd, ongetwijfeld.

Den Haag Centraal, 11 juni 2020

Buurvrouw

Het is nog niet eens zomer en ik wacht al op de winter. Want dan gaat mijn té vitale buurvrouw meer binnen dan buiten zitten, hoop ik. Hoewel je het bij haar nooit weet. Een vrouw van in de zeventig die elke dag minstens drie groepen mensen in haar tuin ontvangt. En u weet hoe de tuinen in een volkswijk aan elkaar geplakt zijn. Als ze geen groep heeft, om tien uur, als ik zelf in de tuin ontbijt, zit ze er met haar telefoon, die vaker rinkelt dan bij de receptie van een huisarts. Haar penetrante stem is hoorbaar in de hele wijk en ze praat voor tien. Alleen als haar broer op visite komt, tweemaal in de week, is er iemand die nog harder spreekt dan zij. Ze heeft ook haar vaste afspraken: minstens eens in de week de tuinman, en dan de bridgeclub, de andere clubs. Wat te doen? Er valt niet te praten met haar. Ik dacht altijd dat we met de jaren wijzer worden, maar voor de familie van mijn buurvrouw hoop ik dat ze pas de laatste jaren zo egocentrisch is geworden. ‘Ik ben Stine en zo ben ik,’ antwoordt ze op mijn vraag om ook rekening te houden met ons, de nieuwe buren. Ja, wat kun je dan nog?
Afgelopen zaterdag, bij de tweede groep, heb ik een radio aangezet, ondanks dat de ontvangst daarop belabberd is als gevolg van de zonnepanelen van de andere buren. Vooral gebrom dus. Maar zo hoefde ik haar en haar vriendin tenminste niet te horen.
Als je in de tuin zit en de buurvrouw hoort, krijg je spontaan een hekel aan de Nederlandse taal. De woorden springen uit haar mond als vogels die uit de lucht worden geschoten – je hoort de vogel, maar ook het schot.
Ik heb een mooie tuin waar ik niet meer van kan genieten. Want zelfs als zij even niet in de hare is, zit ik met de angst dat ze zal komen. En zij komt nooit in stilte.
Ik kan het niet nalaten om te zeggen dat aan de andere kant een gezin woont dat van buiten Europa komt. De moeder is gesluierd en maakt minder contact. Moeder, vader en – denk ik, na vijf maanden hier – twee puberkinderen. Rustig, beleefd, leuk, aardig, vooral in vergelijking met mijn christelijke, uitbundige, Nederlandse, van het leven genietende kan-me-niet-schelenbuurvrouw.
Wat te doen? Is het in Den Haag en omgeving overal zo? We zijn net verhuisd, ik heb gelukkig een werkkamer ver van de tuin, maar het voelt alsof een van de kogels waarmee zij de woorden in de lucht afschiet, in mijn borst is blijven steken.
Ik zoek rust en beleefde mensen. Wat te doen?

Den Haag Centraal, 4 juni 2020

Kuddemens

Ik ben geen filosoof, maar de afgelopen maanden heb ik me vaak afgevraagd wat er te leren valt over de mens tijdens en na de lockdown. Vanaf het moment dat schappen wc-papier werden leeggekocht – om het netjes te zeggen – tot aan de ontspanning van nu.
Verrassen we onszelf of stellen we onszelf juist teleur? De werkelijkheid liet zien dat je op je balkon voor zorgmedewerkers kunt applaudisseren en vervolgens samen met een stel vrienden naar het strand kunt lopen. We hebben tijdens deze lockdown allemaal verstandige en minder verstandige dingen gedaan. Bijna allemaal hebben we toiletpapier ingekocht, zeker in het begin. Ik herinner me nog hoe perplex ik stond toen een enorme Jumbo-vrachtwagen voor mijn deur stopte en de chauffeur zijn hele wagen begon uit te laden. Voor mijn buren, zo bleek. Je wordt een beetje paranoia als je zoiets ziet, je vraagt je af wie de verstandige is: je buur die zijn huis ombouwt tot een ark van Noach of jij? Geen van beiden, volgens mijn dochter, die ons eigen voorraadje wc-papier en tomatensaus niet door de vingers kon zien.
En toen, midden in de coronacrisis, konden we ineens niet meer binnenblijven, we voelden ons als een in het donker gehouden stier. We hunkerden naar de agora, waarin we niet zitten te filosoferen, zoals de oude Grieken, maar genieten van het samenzijn. Niet per se in een vriendengroep, maar gewoon tussen de mensen. Wie deze week in het centrum van onze stad was, vroeg zich ongetwijfeld af hoe het komt dat we net die legioenen rode lente-insecten zijn die je op straat moet ontwijken om ze niet te pletten. Het strand vol, de parken vol, de winkels vol. Onze ‘meaning’ op deze planeet lijkt te zijn: samen zijn. Daar zijn waar mensen zijn. Is de homo sapiens een kuddemens? Wat moet je denken van de recente rijen voor de Zara? Dat we onverantwoordelijk zijn? Of dat we graag ons leven terug willen? Maar is dit het leven dat we terug willen? Waren de drie maanden lockdown en de voor velen van ons onbekende doden als gevolg van corona niet genoeg om iets aan onze consumptiedrang te doen?
Er zit ook iets moois in het ongeacht de gevolgen samen willen zijn. Het willen leven. Uitbundig en onbestraft. Toen ik dit weekend door het drukke centrum liep, dacht ik aan de scholen vissen die door de oceanen zwemmen. Uit onderzoek blijkt dat een individuele vis zich niet bewust is van de plek waar hij is of van wat hij aan het doen is. Het zwemmen in scholen heeft ook het voordeel dat de groep minder kwetsbaar voor aanvallen van roofdieren is. Maar hij blijft, ondanks de gezelligheid, heel kwetsbaar voor virussen.

Den Haag Centraal, 28 mei 2020

‘SOMETHING ROTTEN’

In Den Haag beginnen de puisten open te barsten. Iedereen valt die arme Ellen Walraven aan, de kersverse directeur van Writers Unlimited (WU), amper klaar met haar belangrijke werk als lid van de adviescommissie voor verdeling van het kunstengeld. Als je voor zo’n functie kandideert, directeur van een eeuwig festival, moet je toch opvallen? Zeker bij Writers Unlimited. Want wat zou Writers Unlimited hebben aan een directeur die iets met literatuur te maken heeft? Direct na haar benoeming schreef mevrouw Walraven op haar persoonlijke pagina dat ze eindelijk iets… ‘met taal’ gaat doen, als directeur van Writers Unlimited. Arme vrouw, ze had de vacature kennelijk niet goed gelezen, want tot voor kort hield WU zich bezig met literatuur. Wat me in de media opvalt, is dat iedereen het nu op Ellen-met-de-taal heeft gemunt. Maar wie heeft haar aangenomen? Heeft Ellen Writers Unlimited met een pistool gedwongen om haar in dienst te nemen? In mijn corrupte geboorteland krijgt degene die smeergeld aanneemt meer straf dan degene die het betaalt. Ellen wees zelf naar Writers Unlimited toen ze vragen over haar op z’n minst controversiële benoeming kreeg. Zij had zichzelf immers niet aangenomen. De faraonische wens van de vorige WU-directeur was om alles wat in de Haagse bibliotheek met literatuur te maken had, te controleren. Gelukkig bleek zijn wens te groot voor een dorpje als het onze; een jaar later was hij weg. Ik krijg de indruk dat de nieuwbakken directeur iets met de oude directeur en met de organisatie gemeen heeft, een het-doel-heiligt-de-middelenmentaliteit. Voor Ellen is Writers Unlimited maar een tussenstop en voor Writers Unlimited is Ellen-met-de-taal slechts een manier om geld binnen te harken. Writers Unlimited heeft eerder blijk gegeven van een zwak voor de Haagse politiek en gebruikgemaakt van mensen met posities, ongeacht hun smetten. Denk maar aan degene die Ellen aanstelde, Eerste Kamerlid én WU-bestuursvoorzitter Farah Karimi, de mevrouw die eerder als Oxfam Novibdirecteur jarenlang de beruchte ‘bunga bunga’ van hulpverleners met kinderen in Haïti verzweeg. Wat heeft cynisme met literatuur te maken?
Ellen heeft het geprobeerd, zoals op Wall Street, maar cynischer zijn degenen die haar hebben aangenomen. De vorige wethouder van cultuur, Joris Wijsmuller, kreeg op podia van WU al applaus voordat hij nog maar een voet op het podium had gezet, iets wat ik vanuit Roemenië nog goed kende.
Maar het is hier geen Roemenië, werd me vaak gezegd als ik bepaalde praktijken in Den Haag benoemde. Maar toch. Literatuur in Den Haag begint iets weg te hebben van de grappen en grollen die clowns uithaalden aan koninklijke hoven. Wanneer de vorst de grappen zat was, onthoofdde hij de clown. Vandaag de dag worden er geen koppen afgehakt, maar wordt er in subsidies gesneden. En de clown complotteert met de koning voor exclusiviteit.

Den Haag Centraal, 21 mei 2020

 

Vergaderen

Uit onderzoek van de Nationale Vacaturebank en Intermediair blijkt dat mensen ook na corona thuis willen blijven werken. 53 procent wil niet terug naar kantoor. Toen ik de onderzoeksresultaten las, moest ik denken aan de harde onderhandelingen die je vóór de pandemie met je baas moest voeren om één dag in de week vanuit huis te kunnen werken. Geen verrassing dat we een land van zzp’ers aan het worden zijn. Als thuiswerken de norm wordt, hoe zal het dan gaan met Nederlands nationale topsport, vergaderen? Wat zal er worden van die enorme apparaten waar ’s maandags, voorafgaand aan de vergadering, altijd een lange rij voor koffie stond, niet zozeer nodig omdat je tijdens de vergadering wakker wilde blijven, als wel omdat koffie vaak het enige warme, menselijke van de hele vergadering was? Waar zullen nog op een honingachtige toon onaardige dingen over collega’s gezegd kunnen worden als het niet in een vergadering is? Van die saaie vergaderingen waar je aanwezigheid verplicht is en waar je je collega’s die desondanks nooit komen (één, hooguit twee) begint te bewonderen en in een ander daglicht gaat zien? Van die je-weet-welvergaderingen: ‘Goed weekend gehad?’, vraagt de chef zonder het antwoord af te wachten. Iedereen neemt een slokje koffie om het ongemakkelijke gevoel dat je zo dicht bij hem zit, weg te spoelen. De hoeveelheid koffie op de tafel is omgekeerd evenredig met de functie van degene aan het hoofd ervan. Hoe hoger zijn positie, hoe minder koffie, want niet alle ongemakkelijke gevoelens kun je met koffie wegslikken. Wat gaat er worden van al die chefs die ’s maandags nooit glimlachen en naar je kijken alsof je in het weekend, zonder het te weten, bent veranderd in het insect waarin Kafka’s Gregor Samsa metamorfoseerde? Wat zal er gebeuren met de roddelaars van de afdeling/het bureau als de helft van de collega’s vanuit huis werkt? Als ze hun roddels niet kwijt kunnen, lopen ze het risico maagklachten te krijgen, of erger, dermatologische problemen. En wat wordt er van de lange lunchpauzes in de kantine? Waarom denkt niemand aan al die mannen van je organisatie die jij netjes groet, waarna zij jou teruggroeten met een knipoog?
Wat gaat er straks met hen gebeuren als iedereen thuiswerkt? Wat gaat er worden van al die bazen, baasjes, pakkenmannen die zich leider voelen en de kudde nodig hebben? Hoe kan Nederland, een land van geboren leiders, standhouden, als de kudde thuiswerkt? Nee, geen sprake van! Kan niet!
Kom niet met het idee! Ik wil dat niet meer horen! Zit niet in je functie! De leider weet beter, want hij is de leider.

Den Haag Centraal, 15 mei 2020

 

Crossing Border

Van verre is duidelijk dat de Haagse Adviescommissie Meerjarenbeleidsplan Kunst en Cultuur 2021-2024 niets opheeft met literatuur. Want als de commissie meer dan de tijd die je wijdt aan een liedje op de autoradio had besteed aan literatuur, had ze begrepen dat Den Haag dorstig is naar literatuur. Dan had ze begrepen dat Crossing Border Den Haag groter maakt dan het is, en de stad een uitstraling geeft die deze misschien niet waard is.
Er is in Den Haag een publiek dat literatuur snuift, dat weet ik (die hier tien jaar lang literaire programma’s maakte), een publiek dat voor een goed literair programma zijn huis uit komt, ongeacht tijdstip of weersomstandigheden.
De adviescommissie zou moeten weten dat de langste rij die ooit voor literatuur in Den Haag heeft gestaan bij een programma van Crossing Border was, enkele jaren geleden. Geen festival in Den Haag, literair of non-literair, heeft ooit zo’n rij mogelijk gemaakt. Ik wilde bijna weggaan, want door mijn jeugd in communistische rijen heb ik een hekel aan rijen. Maar Orhan Pamuk was wel de moeite waard; voor hem kwam bekend en onbekend Den Haag het huis uit, locals en expats, jong en oud, het meest gemengde publiek dat ik ooit in Den Haag heb gezien.
Elk festival kun je wel wat, of veel, verwijten. Mogelijkheden voor verbetering zijn er altijd, niet alleen bij Crossing Border. Belangrijker is het resultaat dat je ziet, als je naar het publiek kijkt, dat Den Haag van literatuur geniet en er in de literaire wereld toe doet. Misschien zou de commissie bij de eerstvolgende editie van Crossing Border in de zaal moeten zitten. Niet om naar het programma te kijken, maar naar het publiek – zoals ik zelf ook tien jaar lang heb gedaan, en waaruit ik mijn kracht putte om door te gaan. Er is nog iets wat de adviescommissie niet weet: er is geen ander evenement in Den Haag waar de literaire wereld van Amsterdam zo massaal voor naar Den Haag komt! En nóg iets: het openingsfeest van Crossing Border kan concurreren met elk ander Europees evenement met hetzelfde doel: jonge schrijvers voorstellen aan internationale uitgevers.
Ik weet even goed als degenen die het doen dat subsidieaanvragen die voor het Kunstenplan worden ingediend enigszins zijn opgeblazen en mooi aangekleed, als een meisje voor een gearrangeerd huwelijk. Sommigen kunnen dat beter dan anderen. Cijfers en doelen worden ook heel mooi gepresenteerd, en slijmen bij degenen die een goed woordje voor je kunnen doen, of liever nog: bij de wethouder zelf, ja, dat heb ik ook jarenlang zien gebeuren in Den Haag! Maar het publiek van Den Haag weet en verdient beter: echte literatuur. En dat is wat Crossing Border brengt.

Den Haag Centraal, 7 mei 2020

 

Hoe ik de lockdown tijdens het communisme heb overleefd #7: Totalitaire systemen

De Partij wil je haar geknipt hebben!

Mira Feticu ziet overeenkomsten tussen de quarantaine ten tijde van de coronacrisis en haar leven in dictatoriaal Roemenië. Hoe hield ze zich staande onder het bewind van Ceaușescu? Deel 7: Totalitaire systemen (Lees verder op https://www.groene.nl/artikel/de-partij-wil-je-haar-geknipt-hebben)

De Groene Amsterdammer, 3 mei 2020

De kleine zzp’er

‘Als we ooit de loterij winnen, betalen we een verhuisbedrijf om onze spullen te verhuizen naar een villa langs het water, terwijl wij met vakantie zijn,’ zeg ik tegen mijn man, die weet hoe het voelt om in je eentje een heel huis te verhuizen.
Mijn man is zo iemand die bij de beste grappen alleen glimlacht. ‘Da’s goed,’ glimlacht hij.
We zijn allebei zzp’er, maar we zijn blij dat we gezond zijn. We hebben ons eigen kot, op z’n Belgisch gezegd. Om me heen hoor ik vrienden over andere vrienden zeggen: ‘Door corona heeft hij nu geen inkomen. Heeft hij een compensatie aangevraagd?’ Wie komt daarvoor in aanmerking en wie niet? Degenen die voor de coronacrisis van bijvoorbeeld lezingen en optredens leefden, kunnen nu geen kant op. Hoe zal het straks zijn? Hoeveel betalend publiek zul je dan nog hebben? Ik heb het nu niet over instellingen, maar over zzp’ers zoals ikzelf en veel van mijn vrienden. Toen ik vroeger in vaste dienst was, verwonderde ik me vaak over collega’s die de helft van de tijd zaten te niksen, omdat er geen leidinggevende was, omdat de stoel pijn deed of omdat de man een minnares had in de stad en zijn (werk)week voor haar was en het weekend voor zijn echtgenote. Op z’n Roemeens: ‘Het klokje tikt, het loontje loopt, heerlijk werken zo!’
O, o, Den Haag!
Ik heb het hier dus over de kleine zzp’er die zich suf werkt, omdat niemand hem aan het eind van de maand een salaris geeft. De zzp’er hoeft geen wekker te zetten, hij wordt vanzelf wakker, wetend dat hij moet presteren, anders kan hij niet zorgen dat er brood op de plank komt.
De zzp’er leeft ook in normale tijden van weinig geld, maar zijn werk maakt hem meestal wel gelukkig, in tegenstelling tot velen die voor een salaris in loondienst blijven, ondanks vreselijke leidinggevenden of collega’s. Geen oordeel, ik heb het zelf ook gedaan. U moet uit mijn column niet begrijpen dat ik denk dat er geen hardwerkende mensen in dienstverband zijn die hun salaris eerlijk verdienen en goede collega’s of leidinggevenden hebben. Meestal schrijven we over wat we het beste kennen.
Sommigen, vooral heel rijken, zullen door corona alleen maar rijker worden. Ik denk aan de oprichter van Amazon of Elon Musk van Tesla, hun rijkdom is sinds het begin van de pandemie gestegen met tien procent, las ik. Anderen komen deze tijd wel door dankzij hun eerlijk of met tandengeknars verdiende salaris. Een derde groep, met daarin de kleine zzp’er, hoopt vooral te overleven. Soms droomt hij dat hij de loterij wint, maar meestal ligt hij ’s nachts met open ogen mogelijkheden te bedenken om te zorgen voor brood op de plank.

Den Haag Centraal, 30 april 2020

 

De lockdown tijdens het communisme #6

Wat de cijfers nooit zullen kunnen uitdrukken is het persoonlijke leed

Mira Feticu ziet overeenkomsten tussen de quarantaine ten tijde van de coronacrisis en haar leven in dictatoriaal Roemenië. Hoe hield ze zich staande onder het bewind van Ceaușescu? Deel 6: feiten en cijfers (Lees verder op: 

https://www.groene.nl/artikel/wat-de-cijfers-nooit-zullen-kunnen-uitdrukken-is-het-persoonlijke-leed)

De Groene Amsterdammer, 28 april 2020

Lockdown in de natuur

Verhuizen deden we altijd haastig en vaak al voordat we de omgeving goed en wel kenden. Dat is nu niet zo, dankzij de lockdown. Want omdat binnen zitten me gek maakt, gaan we regelmatig wandelen. Inmiddels ken ik alle wegen die leiden naar ons huis, vooral de stukjes park en bos in de omgeving, en het is ons duidelijk dat we nooit eerder in zo’n groene omgeving hebben gewoond. Soms heb ik het gevoel dat ik even de geuren van mijn dorp ruik wanneer ik door de velden loop. Als het mooi weer is, komen we soms mensen tegen. Niet altijd. Vogels wel. In mijn leven heb ik nog nooit zoveel fazanten, eenden en waterhoentjes gefotografeerd of zo lang naar nesten gestaard. Al dagen bewonderen we een fuut die het nest waar zijn vrouwtje op zit te broeden constant aan het bijwerken is. Zo’n loyaliteit zou in een mensenleven bewonderenswaardig zijn en vaak is het de vraag hoelang die zou duren, maar bij deze knappe en fitte fuut is zijn loyaliteit vanzelfsprekend en zijn ethos inbegrepen. Woorden als integer, goede echtgenoot of gedrevenheid zeggen hem niets en zijn vrouwtje ziet niet eens elk veertje of plastic lintje dat hij in het nest metselt; vaak zit ze met haar mooie kop in haar eigen veren gevouwen. Broeden is ook een vorm van lockdown, lijkt me, en we weten nu dat het lastig kan zijn.
De menselijkste omgeving die we passeren, bestaat uit een kerkhof omringd door een half wilde vegetatie, een paradijsje. Ik noem het Jurassic Park, vanwege de opmerkelijke geluiden die we vanaf het kerkhof horen. Best luguber ’s avonds laat. Eerst identificeerde ik het geluid van een vogel die in mijn dorp gold als aankondiger van de dood, zeker volgens mijn oma. Zijn geluid en sobere verendesign zijn diep in mijn geheugen gegrift. Passend bij een kerkhof, hoewel enigszins post partum. ‘Zijn roep klinkt als de stem van iemand die nog niet aan zijn eigen dood is gewend,’ zei ik een keer tegen mijn man. En elke keer als we in de buurt zijn, horen we hem, ongeacht welke kant we op lopen. Hij heeft iets menselijks, tragisch, als een jammerklacht. Overdag zie je op het kerkhof enorme fazanten en een soort kip, reusachtig zoals alleen in ‘Jurassic’ had kunnen bestaan. En ook reusachtig fluitenkruid, als bomen zo groot. Met zo’n natuurlijke bemesting verbaast het me niet, maar toch.
Wanneer we na zo’n ronde terug in de bewoonde wereld zijn, zegt mijn man weleens: ‘Kom, opzij, we lopen op het fietspad.’ Maar er is nergens een fiets te bespeuren. ‘Waarom zouden we?’, lach ik dan. De lockdown geeft vrijheid en inzicht. Het leven is nog steeds goed, maar anders.

Den Haag Centraal, 23 april 2020

Hoe ik de lockdown tijdens het communisme heb overleefd #5: Geboortegolf en echtscheidingen

Kinderfabriek

Mira Feticu ziet overeenkomsten tussen de quarantaine ten tijde van de coronacrisis en haar leven in dictatoriaal Roemenië. Hoe hield ze zich staande onder het bewind van Ceaușescu? Deel 5: Geboortegolf en echtscheidingen (lees verder op: https://www.groene.nl/artikel/kinderfabriek)

 De Groene Amsterdammer, 28 april 2020

EGOÏSTISCHE PASEN

Er is niemand op straat op tweede paasdag. Uit een van de appartementen tegenover mijn werkkamer klinkt muziek, een soort fado. De tekst versta ik niet, maar het geluid weerkaatst tegen de huizen en je hoort een nagalm, veel luider dan de muziek eigenlijk staat. Het resultaat is een soort vibrato dat doet denken aan het koor van een Griekse tragedie. Het klinkt als een rouwzang, luid, in de wijk die in huis zit opgesloten. Het zou ook Arabische muziek kunnen zijn, of Farsi, Georgische of Kaapverdische. De woorden hoor ik niet, alleen het geklaag van de stem. En omdat het vlak na de kruisiging van Jezus is, klinkt het ook als een rouwlied voor degene die in theorie drie dagen later opstond uit de dood.
Deze Pasen stond, voor mij, in het teken van muziek. Wat een Nederlandse Pasen had kunnen zijn, gewoontjes, is een Roemeense Pasen geworden. We hebben namelijk geskypet met mijn ouders en in de seconde dat het beeld tot stand kwam, begon mijn vader al Roemeense, orthodoxe liederen te zingen. Uit een boek, want op zijn zeventigste is hij daarvoor in de leer gegaan, in hun kleine kerk in hun kleine dorp, en inmiddels is hij een van de drie kerkzangers. Mijn moeder zei dat er in de kerk traantjes worden gelaten als mijn vader begint te zingen. Dat geloof ik, want ik huilde er zondag ook bij. De Nederlandse Pasen, zonder kleur of geur, werd door de stem van mijn vader een echte Pasen voor mij. De tragiek van de kruisiging, de opoffering en de filosofie ervan kwamen als in een pakketje via Skype. Mijn vader kan mooi zingen en zijn heldere stem kreeg door de religieuze boodschap nog iets extra’s. De hele skype-sessie zou een klaaglied zijn geworden als mijn moeder deze niet had onderbroken. Ik had het niet erg gevonden. We hadden geen bezoeker, geen samen vieren, geen vrienden over de vloer, geen Pasen zoals in andere jaren.
De lockdown is gezond, goed voor iedereen, verstandig, maar deels ook egoïstisch, want binnenblijven doen we in de eerste plaats voor onszelf. En wat is Pasen als je met niemand kunt delen wat je hebt? Is Pasen eigenlijk nog belangrijk? Is er nog iets belangrijk behalve gezond blijven? In mijn tweede studiejaar, na een college over de Griekse tragedie en alle zonden van de mens (in de literatuur), zei onze hoogleraar met zachte stem: ‘Dat was de Griekse tragedie. En nu komt Jezus Christus om onze zonden te vergeven.’ Ik begreep toen niet wat Jezus met literatuur te maken had.
Zullen we na corona religieuzer zijn? Of zullen we meer dan ooit geloven in ‘carpe diem’? Het lied uit de Griekse/Georgische/ Arabische tragedie tegenover mijn werkkamer is afgelopen.

Den Haag Centraal, 16 april 2020

Hoe ik de lockdown tijdens het communisme heb overleefd #4: humor

Leven tussen grap en angst, lachen in de tijd van het communisme

‘Toen Gregor Samsa op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd.’ Onder het communisme hebben veel mensen hun leven op deze manier kunnen beschrijven: wakker worden in een nachtmerrie waarin je zoals het personage van Kafka’s Gedaanteverwisseling jezelf niet meer kunt zijn. Sommigen hebben de decennialange nachtmerrie overleefd, anderen niet, sommigen zijn gevlucht, maar velen hebben uiteindelijk wel humor in de situatie ontdekt en hebben deze humor op de een of andere manier als wapen gebruikt. Het is bekend dat humor als uitlaatklep in gesloten sociale systemen vaak voorkomt. Humor als overdrukventiel voor de dagelijkse frustraties.

Onder het communisme was het maken van grappen, woordspelingen of karikaturen zeker niet zonder risico, maar in onze coronacrisis kan het ons alleen maar helpen om deze tijd door te komen. Een goede grap wordt door iedereen begrepen en gewaardeerd, zoals de afbeelding van die moeder die vanuit huis werkt: ze zit achter de computer terwijl haar drie kinderen naast haar liggen, met tape aan de vloer geplakt. En het in huis ‘opgesloten’ zitten betekent niet alleen narigheid, getuige de mensen die nog steeds zeggen dat ze onze lockdown als vakantie ervaren.

In de tijd van het communisme bestond er altijd de mogelijkheid dat er een verklikker in de buurt was; moppen waren daarom altijd versluierd, nooit direct. De kritiek op dictator Ceaușescu en zijn vrouw was in zulke gecamoufleerde grappen verpakt. Gemiddeld was één op de vier Roemenen een verklikker, een gegeven waar je altijd rekening mee moest houden. De taal werd daardoor ambigu, de tijd van het communisme was een tijd van totale dubbelzinnigheid. Een kindergedicht kon een zaal met duizenden volwassenen uit zijn dak laten gaan, want niets was wat het leek te zijn. Een gewone zin als ‘Buiten schijnt de zon’ kon de kracht van een explosie hebben, omdat hij verwees naar het ontbreken van elektriciteit en ’s winters van warmte in de huizen. Een van de grappen die iedereen kende luidde: ‘Wat is het verschil tussen de kou buiten en de kou binnen?’ Het antwoord: ‘Die van buiten is gratis.’ Of: ‘Waarom zal Roemenië de apocalyps overleven?’ ‘Omdat het vijftig jaar achterloopt op iedereen.’ Bitterheid, sarcasme en humor waren nauw verweven.

De Roemeense humor ten tijde van het communisme was vooral politieke humor. Ook al deden er verhalen de ronde dat er vanwege grappen mensen waren opgesloten en gemarteld, bleef humor voor velen een constante in het dagelijkse leven. ‘Het kapitalisme staat aan de rand van de afgrond; het socialisme is het kapitalisme een stap voor.’ In een andere variant: ‘In Roemenië is het socialisme gebouwd, maar het is nog niet in gebruik genomen.’

Hoe zwaarder de tijden, hoe krachtiger de humor. De Roemeense lach was een vorm van opstand, een ander soort revolutie. Het communisme bracht een eigen soort humor voort: galgenhumor. ‘Waarom organiseert Ceaușescu een groot defilé op de eerste dag van mei?’ ‘Om te weten hoeveel mensen de winter hebben overleefd.’ Als je dacht aan de Amerikanen die ons niet meer kwamen redden werd je onrustig of melancholiek, maar als je een goede mop had gehoord kon je de kou nog een nacht aan.

Ondanks het feit dat er op onze sociale media inmiddels het een en ander voorbijkomt, is er nog niet echt een overvloed aan grappen over de coronatijd. Het NOS Jeugdjournaal, dat elk jaar een grap bedenkt op 1 april, vond het dit jaar niet gepast en plaatste een overzicht van grappen van eerdere jaren. Ik had eigenlijk best een goede grap over wc-papier willen zien, over online lessen, over quarantaine, maar we moeten kennelijk nog even geduld hebben.

Niet iedereen wil zich elke dag Gregor Samsa voelen.

We moeten het leuk hebben met elkaar. Grappen maken, grappen lezen. Naast de tragedie bestaan er ook rampengrappen, die ons zullen laten glimlachen. De grote coronahumor gaat nog komen.

 

Uit de prostitutie

Het afgelopen weekend ben ik naar de Geleenstraat geweest, die bekende prostitutiestraat in Den Haag. Gewoon omdat het kon zonder, zoals andere keren, woedend te worden. Verlaten straten, lege ramen, een nostalgicus leunend tegen een ervan. De wijk aan één zijde afgesloten met een afzetlint. O tempora, o moris, heb ik gejuicht. Maar de prostitutie gaat gewoon door, zoals bijna alle beroepen, vanuit huis. Als je op internet een zoekslag maakt, lees je dat websites als Kinky . nl overbelast zijn. ‘Er is veel meer vraag via de sites.’ En daarmee doelde de dame die dit zei niet op een videochat of zo; no, de vrouw wordt via Kinky of een andere kinky site geboekt en bezoekt de klant vervolgens aan huis. Wat doen mannen die thuis kinderen en een vrouw hebben?, vraag je je dan gelijk af. Die kun je nu niet een dagje wegsturen om te shoppen. Voor sommigen is seks in deze dagen ingewikkelder geworden. Bij katholieke gelovigen heet dat: je tijdens de veertigdagentijd onthouden van vleselijke zonden. Op de Amsterdamse Wallen was het seksueel verkeer tot een paar dagen geleden nog heel druk, schrijven de kranten. Nu zouden de straten er net als de Geleenstraat ook leeg zijn; gedwongen door corona willen veel sekswerkers kappen met het oudste beroep ter wereld en ander werk vinden. Ik las weer eens over een toekomstige ex-prostituee die haar Nederlands wil verbeteren om ander werk te zoeken. Zucht. Hoe realistisch zijn deze carrièreswitches? Zijn er organisaties die zich juist nu inzetten voor de vrouwen die door corona hebben begrepen dat prostitutie toch niet de branche is waarin ze willen blijven werken? Ik houd mijn hart vast en hoop echt dat dit een van de goede dingen zal zijn die de coronacrisis met zich meebrengt. Is er iemand die deze mensen begeleidt nu corona hun een zetje geeft en ze het licht zien? Want ik vraag me weer af: hoe realistisch is het?
Straks mogen we allemaal ons oude leven oppakken; wat gaan degenen die nu hun Nederlands willen verbeteren en het (de basic) lichaam(staal) niet meer willen gebruiken dan doen? Welke vrouwenorganisatie slaat nu spijkers met koppen? Welke taalschool wil nu de barmhartige Samaritaan spelen? Welke gemeente wil de primeur? Wie ziet in dat zich hier een wonder aan het voltrekken is, aan het begin van de lijdensweek? Ik heb een hekel aan dromen die niet uitkomen. Niet alleen die van mij, ook die van anderen, vooral als het gaat om dromen van vrouwen zonder veel kansen in het leven. Maar deze keer is het aan corona, en niet alleen aan ons die dromen hebben. Dus moge corona de droom van die prostituee waarmaken! Want wat de mens niet kan, kan God. Of corona.

Den Haag Centraal, 9 april 2020

KOAN VAN HET CORONAVIRUS

Totdat we ons oude huis te koop zetten, kwam er jarenlang een oude vrouw bij ons slapen die geen vast onderdak had. Na een paar dagen, soms al de volgende dag, vertrok ze weer. In de tijd dat we bezig waren met de verkoop en alles wat daarbij komt kijken, heb ik niets meer van haar gehoord. In januari belde ik haar en toen ik haar te pakken kreeg, hoorde ik dat ze in het ziekenhuis lag, dat ze was gevallen. Het was niet de eerste keer dat ze viel; de laatste jaren hield ik ook mijn hart vast als ik zag hoe mager ze werd. Steeds magerder. Veel weet ik niet van haar, alleen dat ik niet veel mocht vragen. Ook toen ik geen zin had in logés of toen we het zelf moeilijk hadden, kwam ze bij ons overnachten.
De komische of ernstige momenten met een vreemde in huis die ’s nachts niet kan slapen, zal ik u besparen. Een keer belde ze ’s nachts na twaalven en vroeg of ze bij ons mocht komen, waarop mijn man haar op een of ander plein in Den Haag ging oppikken. Nee, ze wilde geen afspraak bij de gemeente, ook niet bij het Legers des Heils. We moesten haar eisen respecteren, hoewel we haar graag verder wilden helpen. Als we vragen stelden, raakte ze geïrriteerd of belde ze een tijd niet meer. Het laatste jaar was ook voor ons moeilijk en ik heb de telefoon een paar keer niet opgenomen als ze belde. Daarna voelde ik me altijd schuldig en belde ik terug. Soms nam zij dan niet op; dit was een teken dat zij zich had gered, dat een andere kennis van haar wel had opgenomen. Ik moest leren nee te zeggen. In januari heb ik haar gebeld om te zeggen dat we waren verhuisd en dat we helaas geen logeerkamer meer hebben. Sindsdien heb ik niets meer van haar gehoord.
Maar in deze coronatijd heb ik me vaak afgevraagd waar ze zou zijn. Heeft ze ergens een kamer? Leeft ze nog? Het virus zou haar, op haar leeftijd, fataal kunnen worden. Het feit dat ze niet belt is een goed teken, zeg ik tegen mezelf. Of lieg ik tegen mezelf. Ze heeft vast ergens onderdak gevonden.
In het straatje tussen het Filmhuis en de Nieuwe Kerk zat maandenlang een oude Duitse vrouw, zonder onderdak. Ze sprak geen woord Nederlands. Ze was gekleed als een non, een non op slippers, en bewaakte haar grote koffer. Maandenlang op de gemetselde treden van de tuin van de Nieuwe Kerk. Ons wordt gevraagd om binnen te blijven, zelfs degenen die geen binnen hebben. De werkelijkheid is in deze coronatijden absurd en zit vol niet te beantwoorden vragen, ze heeft iets van een koan.

Den Haag Centraal, 2 april 2020

Hoe ik de lockdown tijdens het communisme heb overleefd #3: Europa

Zullen er weer Europeanen op Europa wachten terwijl ze hun doden begraven?

Mijn grote verbazing toen ik vijftien jaar na de val van de Muur voor het eerst naar het buitenland reisde, was dat alles zo dichtbij was. Europa was niet ver, maar juist dichtbij, amper drie uur met het vliegtuig. Het Westen, voor velen van ons een Eldorado, was helemaal niet moeilijk te bereiken, althans niet meer na de Revolutie van 1989. Want daarvóór, in de tweeënveertig jaar van het communisme, hadden duizenden Roemenen geprobeerd om naar dit Eldorado te ontsnappen, maar was het maar weinigen gelukt; veel anderen bleven achter, wachtend op de Amerikanen. Of op Europa.

Toen ik naar Nederland verhuisde wachtte me nog een verrassing: Nederland wist zo weinig van wat wij achter het IJzeren Gordijn hadden meegemaakt! En dat terwijl wij, omgekeerd, juist jarenlang aan de radio gekluisterd hadden gezeten om illegale zenders als Europa Liberă (Radio Free Europe) te beluisteren, om te horen wanneer de Amerikanen ons zouden komen bevrijden! We kenden toen nog niet het verhaal van het schetsje waarmee Churchill en Stalin Europa hadden verdeeld, en we wisten ook niet dat Churchill er later spijt van had gekregen en het bewuste papiertje terug had willen hebben, maar dat Stalin het niet meer wilde geven. Waar was Europa toen wij verhongerden? Of toen de politieke gevangenen in de gevangenissen werden gemarteld?

Nu is héél Europa getroffen door de coronapandemie. Oost en West. En iedereen zit thuis, zoals wij veertig jaar lang in Roemenië. Via boeken en literatuur bouwden wij in die tijd een parallel universum, een wereld die in niets leek op de asgrijze samenleving van het communisme, en die slechts een zandkasteel was, uiteindelijk niet meer dan een vorm van lafheid, van medeplichtigheid aan het regime bijna. Dat parallelle universum hielp je om het vol te houden, om beter te kunnen ademen in de mist van het communisme, maar je raakte er ook verdoofd door. We noemden het ‘verzet door cultuur’. Maar daardoor werd je eerder contemplatief dan actief.

Ook nu zitten we in een soort standby-situatie, ondanks alle moeite die we ons getroosten om alles online te laten verlopen. Met drones of megafoons uit politieauto’s worden we naar binnen gestuurd. Je krijgt boetes als je in gezelschap buiten bent. De overheid heeft het goed met je voor. Het klinkt me zo bekend in de oren, ook al zijn de woorden nu minder met propaganda geïmpregneerd dan toen. Maar ik kan niet anders dan gelijk weer denken dat een bevolking die binnen wordt gehouden niet kan protesteren, niet in opstand kan komen, passief is. Zoals wij veertig jaar geleden.

‘Maar waarom zouden we ook?’ sus ik mijn eigen demonen uit de tijd van het communisme. We leven immers in andere tijden! We mogen best in een parallel universum vol boeken en muziek leven totdat het coronavirus is uitgeroeid. We hopen dat onze regeringen de juiste beslissingen nemen, dat Europa het deze keer wél goed doet. Dat de landen die minder door corona worden getroffen de verwoeste landen als Italië en Spanje zullen helpen. Dat die landen niet op ‘de Amerikanen’ of op de ‘groene mannetjes’ hoeven te wachten, zoals de Roemenen destijds tweeënveertig jaar lang deden.

Europa kan zichzelf nog bewijzen, ook al is er tot nu toe geen Europese consensus en lijkt het er weer op dat het toch iedereen voor zich is – vooral Nederland, als je kijkt naar de reactie van Rutte over het aanspreken van het Europese noodfonds. Het Europa van 2020, midden in de coronapandemie, lijkt op Chronos uit de Griekse mythologie, die zijn eigen kinderen opat. Zullen er weer Europeanen op Europa wachten terwijl ze hun doden begraven?

De Groene Amsterdammer, 2 april 2020

 

‘Social distancing’

Sinds de eerste dag van de verplichte ‘social distancing’ is de woonkamer van mijn buurvrouw een waar callcenter. Om haar kort voor te stellen: mijn buurvrouw is ergens in de zeventig, woont alleen en is naar eigen zeggen – en dat niet alleen – een beetje doof. Ik volg haar telefoongesprekken vanaf de bank in mijn woonkamer. Wanneer ze tussen twee gesprekken door een korte pauze maakt, tuiniert ze in de voortuin met een grasmaaier die de hele buurt wakker houdt. Ze is gekleed zoals de ‘desperate housewives’ in het voorstadje van de gelijknamige tv-serie: hippe broek, bijpassende blouse, een zonneklep zoals we die kennen van vrouwelijke Chinese toeristen. Ze sleurt een kruiwagen met wat gras erin over de grond en neemt een omweg vanachter de huizen naar de vuilcontainer om zich ervan te vergewissen dat alle honden in de buurt en de mijne waakzaam blijven.
Ze krijgt visite van mensen die de kunst beheersen om harder te praten dan zij, doet aan yoga, is gek op harde muziek en in normale tijden rijdt ze in haar auto overal naartoe. Nu ook af en toe. Ze heeft ook een scootmobiel, zoals veel van haar leeftijdgenoten.
Just in case. Wat voor case? Ze is tien keer vitaler dan ik. Ze heeft geen scootmobiel nodig, maar een paard.
Gisteren belde ik bij haar aan en gebaarde ik dat ik twee meter van haar deur zou blijven staan om al die bezoekers in haar woonkamer niet te besmetten. Ik vroeg of ze misschien boodschappen nodig had. In één adem zei ik ook dat ze best veel bezoek ontvangt, en nog meer telefoontjes. Ze vroeg mijn mobiele nummer. Just in case.
Twee uur later, na een gesprek van vijfenzestig minuten met iemand die net zo doof als zij was, of intussen is geworden, belde ze me om te vragen of haar muziek op Spotify te hard stond. Die stond inderdaad te hard, maar het stoorde minder dan haar geschreeuw en geklets de hele dag door. ‘Ken je dat, Spotify?’, vroeg ze. ‘Ja,’ zei ik aarzelend. Ik hoopte dat ze me niet zou vragen naar mijn favoriete liedjes.
Gelukkig vraagt ze weinig. Zij praat vooral. Veel. En hard. Ik ken haar Spotify-list al uit mijn hoofd. Ze vroeg me ook of haar tablet nu besmet is, omdat haar zwager die aangeraakt had. Ons gesprek duurde vierenvijftig minuten, waarin ik de ongehoopte kans kreeg om ‘inzage’ te krijgen in de medische dossiers van al haar familieleden. Ik weet nu ook hoeveel tijd elk van hen in de badkamer doorbrengt. Helaas spreken sommige familieleden alleen via WhatsApp met haar. Nou, ik weet wel waarom.

Den Haag Centraal, 26 maart 2020

Lockdown tijdens het communisme #2: Hamsteren

In Roemenië leefden we om in de rij te staan. Zelfs als we niet wisten wat we kregen

Mira Feticu ziet overeenkomsten tussen de quarantaine ten tijde van de coronacrisis en haar leven in dictatoriaal Roemenië. Hoe hield ze zich staande onder het bewind van Ceaușescu? Deel 2: hamsteren.

(lees verder op de website van De Groene Amsterdammer)

De Groene Amsterdammer, 26 maart 2020

 

Lockdown tijdens het communisme #1: boeken

Vlucht in fictie

Mira Feticu ziet overeenkomsten tussen de quarantaine ten tijde van de coronacrisis en haar leven in dictatoriaal Roemenië. Hoe hield ze zich staande onder het bewind van Ceaușescu? Deel 1: verboden boeken bij kaarslicht.

(lees verder op de website van De Groene Amsterdammer)

De Groene Amsterdammer, 21 maart 2020

Resources

Het is mijn laatste nacht in Stellenbosch, en Stellenbosch zit in het donker. Letterlijk. Elke nacht wordt in Stellenbosch de elektriciteit een paar uur afgesneden. Deze week gebeurt het steeds tussen tien en half één. Een ervaring die me doet denken aan mijn jeugd in de communistische jaren in mijn dorp, toen de elektriciteit dagelijks na zeven uur ’s avonds werd afgesloten. In Roemenië was dat omdat dictator Ceaușescu de volledige buitenlandse staatsschuld versneld wilde afbetalen, in Zuid-Afrika vanwege de corruptie. De westerse persoon in mij verbaast zich. “En wat doen jullie in het donker?”, vraag ik een collega-dichter. “We gebruiken kaarsen, we kaarten, ‘we charge the phone’ van tevoren.” “En hoe zit het met de criminaliteit?”, vraag ik de chauffeur die me door de pikdonkere straten naar mijn hotel brengt. Ik weet niet of ik moet lachen of niet, maar de ‘gated’ poortjes die ik bij het betreden van het hotelterrein steeds op slot moest doen, staan nu allemaal open. Iedereen kan naar binnen, om te genieten van het zwembad, bijvoorbeeld. Ik adem diep in en sluit me op in mijn kamer. De deur kan van buitenaf niet opengemaakt worden; dat heb ik in de eerste elektriciteitsloze nacht gecheckt. Ik zit in het donker en nadat alle horrorfilms die ik in mijn leven heb gezien, nog eens draaien in mijn hoofd, begin ik te denken als een volwassene. Aan onze luxe in het Westen, zelfs in deze tijden van het corona-virus. Elke dag water, elke dag elektriciteit. Het is vanzelfsprekend, je prikt je oplader in de muur wanneer je wilt. Ik schrijf deze column hier met de computer in batterijmodus, binnen een paar minuten zal het pikdonker zijn en heb ik nog een uur om alle horrorfilms nog eens te visualiseren en dan misschien te bedenken dat ik zo, als kind, heb leren zingen, vanwege het donker, omdat er geen elektriciteit was en de nachten lang waren. ‘Om niet gek te worden, moet je leren zingen,’ zei mijn vader.
Ik zing hier niet, mijn eigen stem zou me in dit hotel in Stellenbosch alleen maar banger maken. De chauffeur verbaasde zich toen hij hoorde dat het hotel geen generator heeft. Alles loopt hier immers op generators, alsof de apocalyps komt. Ziekenhuizen hebben generators, alle instituties. In het universiteitslokaal waar ik studenten een college gaf, zat de generator boven je hoofd en maakte een enorm lawaai. We denken in het Westen dat wij geavanceerd zijn, dat landen zoals Zuid-Afrika primitief zijn en niet de voorzieningen hebben. Maar als de resources van de aarde opraken, is dit juist de toekomst: sporadisch water, sporadisch elektriciteit. Het is maar hoe je het bekijkt. Zuid-Afrika is er klaar voor. Het Westen niet.

Den Haag Centraal, 19 maart 2020

 

Openbare ruimte

Terecht kunt u zeggen dat ik nu zeur. Ik betrapte mezelf ook. Amper twee dagen in Nederland om een grotere koffer te pakken en ik vertrek weer. Maar ik wil toch even hardop zeggen dat ik nergens in de wereld meer mensen in de tram of trein heb gezien die zo hard tegen hun telefoon praten. Zonder enige rekening met anderen te houden, steeds minder mensen die gewoon uit het raam willen staren.
Na een trein en twee trams ren ik naar huis en voel ik de behoefte om mezelf een tijdje op te sluiten in de badkamer. Gedurende de laatste twintig minuten in de tram moest ik tien conversaties over feestjes, filmpjes of luide muziek aanhoren. En zo gaat het elke rit. En elk gesprek begint met ‘Waar ben je?’ of ‘Ik zit in de tram.’ Openbare ruimte is geen openbare ruimte meer, we personaliseren de openbare ruimte op een hooliganmanier: al schreeuwend aan je telefoon stap je de trein in en dwing je iedereen om jouw uiterst saaie gesprek aan te horen.
Waarom ik geen oordopjes gebruik? Omdat ik geen muziek wil luisteren, in ieder geval niet gedwongen. Ik wil gewoon de tram kunnen nemen zonder dat ik koppijn krijg. Hoe zal het over drie jaar zijn? Wat kan er nog erger worden? De tram en de trein lijken wel een stadion geworden, een ordinaire ruimte die je zo snel mogelijk wilt verlaten, gestrest door de vele ordinaire conversaties en hooliganismen die je om de oren vliegen.
We worden eenzamer en vijandiger, we vermijden het echte contact. Hoe kunnen we de wereld beter maken of onze bijdrage aan de wereld leveren als we ons al zo misdragen in trein en tram? We komen ons huis uit, niet om te genieten van de zon, maar om de ander te negeren, om te laten zien dat de ander ons niet schelen kan. De technologie heeft de mens niet bij elkaar gebracht, ze isoleert, creëert bubbels waarin we een nepgevoel van samenzijn ervaren. Met elkaar praten in de tram is al een uitzondering, zeker als je elkaar niet kent.
‘Dit is zo’n stadje,’ zei vandaag in tram 16 een mevrouw tegen haar man. ‘Zo’n stadje van: we hebben het gezellig, maar je komt er niet tussen.’ Hebt u het over Den Haag?’, had ik haar willen vragen. Maar ik besloot gewoon te genieten van het eerste gesprek tussen twee mensen – en niet mens en telefoon – dat ik die dag hoorde. ‘Je voelt je weleens eenzaam,’ zei ze weer, in de kakofonie die reizen met het openbaar vervoer tegenwoordig inhoudt.
Over een uur vertrek ik weer. Ten minste in het vliegtuig mag je voorlopig niet aan je telefoon schreeuwen.

Den Haag Centraal, 12 maart 2020

Te veel

Als we overal tegelijk in de wereld konden zijn, zou ik de ochtenden in Puglia, Italië, zeker op mijn lijstje zetten. Als we overal tegelijk konden zijn, zou de schoonheid van de wereld ons verblinden en zou het serotoninegehalte in onze hersenen gevaarlijke hoogtes bereiken. We mogen niet té gelukkig zijn. Het is de mens niet gegeven om de ochtenden in Puglia, de zomernachten in Zweden en de kersentuinen in Japan tegelijk te zien. Dat zou te veel zijn. Voor mij is het al veel dat ik al tien dagen in Puglia wakker word. Bijna dagelijks huil ik spontaan door het vele licht, alsof ik zo, vroeg in de ochtend, een offergave aan de dag breng. Het licht is verbluffend. Ik, die graag tot negen uur in bed lig, vooral omdat ik laat ga slapen, ben hier bijna elke ochtend wakker om half zeven, fris en klaar om de dag te beginnen. Als we al de schoonheid van de wereld tegelijk zouden zien, zou ons hart verpulveren, uiteenvallen in ontelbare atomen. Want in vergelijking met het eeuwige geritsel van de olijfbomen, de helderheid van het water in de zee, de generositeit van de bloemen op de velden, zijn wij niets. ‘No photo, no photo,’ riep een oude vrouw als een ekster toen we een paar oorbellen in een vitrine van haar winkel wilden fotograferen. De olijfbomen zeggen nooit ‘no photo, no photo’; het licht valt uit de hemel en impregneert je botten zonder iets terug te roepen.
In het huisje waar ik bijna tien dagen heb geschreven aan mijn nieuwe boek, heb ik elke dag vuur gemaakt, zoals ik dat als kind in mijn dorp deed. Mijn handen wisten nog hoe ik een torentje van hout moest maken, hoe ik het vuur moest onderhouden, hoe ik de as eens in de week moest verzamelen. Voor een van de deuren die toegang geven tot de tuinen, staat een kleine, maar stevige citroenboom. Vol citroenen. Ik pluk er een voor in de thee. Een andere ontdekking, naast het verse bruine brood dat onze onvermoeibare gastvrouw elke dag bakt, is de mosterdplant. Overal, waar je maar kijkt, groeit hier de mosterdplant, als een tienermeisje in een witte jurk. Ik heb er deze dagen veel van gegeten, geplukt op de velden tijdens het uitlaten van de honden.
We kunnen niet al de schoonheid van de wereld zien, zoals we ook niet tegelijk alle lelijkheid kunnen zien. Stel je voor dat je die Syrische kinderen in de kou zou kunnen zien gelijk met de hysterie rondom corona. Corona neemt al onze tijd al in beslag. Ik zit in een cocon in Puglia. No corona virus, no photos, no zorgen. Zon, licht, citroenbomen. En toch is het al te veel. Te veel schoonheid.

Den Haag Centraal, 5 maart 2020

Reizen

De Vlaamse Willy (86) zoekt al 468 dagen naar een vrouw die hij ontmoette in de trein, zo las ik. ‘Op slag verliefd.’ Al meerdere malen plaatste hij een bericht in kranten en zelfs de burgemeester van Kortrijk schreef hij aan, maar tot nu toe zonder resultaat. Er is niets mooiers dan op reis mooie mensen ontmoeten, zeg ik – zelf ook een maand lang op reis, in vier landen en op twee continenten. En het gaat niet om verliefd worden, maar om het leren kennen van andere zielen: de eerlijkheid die je alleen op reis tegenkomt als je urenlang op een vliegveld vastzit bijvoorbeeld. Het kan natuurlijk ook tegenvallen, maar gun het jezelf te genieten van toevallige ontmoetingen, zoals Willy van 86 doet! Reizen maakt je moe, maar gelukkig.
Misschien zijn we tijdens reizen het dichtst bij onze essentie, bedenk ik. Je bent kwetsbaar, maar geeft jezelf bloot, je communiceert, je bent gelijk aan iedereen die ook is gestrand op dat vliegveld. Gedurende twee dagen in Roemenië heb ik rijdend door de Karpaten een theorie van onbalans bij genieën ontwikkeld die elke dromer zal boeien, en in het vliegtuig boven Hongarije was ik ervan overtuigd dat ik de gedichten van Piet Paaltjens nog een kans moet geven. Niets wat een gedicht charmanter maakt dan de muziek van de vliegtuigairco. Mensen, ga reizen, mensen ontmoeten, intellectueel flirten, en kijk, als je dat een luxe vindt, met je beste blik naar je naaste! Het leven is kort, open je ziel, wees aardig, kus je man/vrouw, stuur hem/haar een extra lief bericht, wees dankbaar! Ook degenen die mijn leven onmogelijk maakten, ben ik dankbaar. Het leven is niet ergens anders, zoals Kundera meende. Wíj zijn het leven! Leef het! Hoeveel mensen heb je vandaag gesproken? Hoeveel onbekenden? Herinner je je iets van het gesprek, iets wat je raakte? Stuur je vriendin die de laatste tijd geen tijd voor je heeft nog een bericht! Zwaai naar de postbode, stuur in gedachten een kushandje naar de lente, we leven!
Toen ik op dat vliegveldje vastzat, was ik vooral pissig; pas later begreep ik hoeveel mooie mensen ik er heb ontmoet, hoeveel levens zich naar mij hebben geopend, hoeveel nieuwe gezichten ik me met plezier herinner – zelfs van degene die me op het kleine vliegveld twee keer fouilleerde en keek tot ín mijn broek.
Aan onze tafel in de hak van de Italiaanse laars vraagt iemand hoe de lokale ‘cozze’ (mosselen) smaken. ‘Zo verschillend,’ zegt Tonino, de enige Italiaan aan de tafel. ‘Als de kus van een vrouw.’ Van ons allemaal, officieel ‘scrittori’, blijkt hij de echte dichter te zijn. ‘La vita è bella’, en reizen, zelfs in de tijd van het corona-virus, doet wonderen.

Den Haag Centraal, 27 februari 2020

Angst

Op vliegvelden ziet de wereld er anders uit dan thuis op het televisiescherm of buiten op de weekmarkt. Zondag werd ik om zes uur wakker met de vraag of storm Dennis het vliegtuig dat ik over twee uur moest nemen wel zou laten opstijgen. Is mijn dochter veilig als ze door deze nieuwe storm naar het centrum gaat fietsen, vroeg ik me ook af. En: staan de bloempotten in de tuin safe? Want toen ik de bloemen vorige week had verpot, was ik vergeten om er nog extra grond bij te doen. Zo zag mijn wereld er die ochtend om zes uur uit. Drie uur later zat ik in een vliegtuig vol Roemenen, Nederlanders en Chinezen onderweg naar Boekarest. In Roemenië wonen veel Chinezen, dat was ik even vergeten. Maar bij de gate waren het niet de Chinezen die me opvielen, maar de Europeanen, de Roemenen en Nederlanders, en misschien ook andere nationaliteiten van het Kaukasische ras: veel met een mondkapje. De Chinezen zaten bijna allemaal bij elkaar, daar geen kapje te zien.
Als ik moet vliegen, heb ik altijd een boek bij me, maar op deze vlucht heb ik geen bladzijde omgeslagen, in plaats daarvan heb ik de vele en verschillende mondkapjes bewonderd. Bij reizen hoort nu dus ook een mondkapje. En ik moet zeggen dat de mode in de mondkapjeswereld zich duidelijk heeft ontwikkeld; ze blijken er nu te zijn in verschillende snit en in allerlei kleuren en vormen. Tot onder de neusgaten, tot over de neusvleugels, tot aan de oren, tot over de oren. Dik, dun, transparant, afhankelijk van de mate van angst, denk ik. Door zo’n tafereel groeit de angst zelfs bij niet-dragers, stelde ik vast. Want steeds als ik mijn hoofd naar links draaide, dacht ik met een ongekende nostalgie aan een dokter die me vijftien jaar geleden Xanax had voorgeschreven: links van mij zat de Oost-Europese variant van Hannibal Lector. Met een muilkorf die hij geen seconde afzette. En om de horror compleet te maken had hij op zijn ogen ook een slaapmasker gezet. In dezelfde kleur als de muilkorf: zwart. Zelfs de Chinees die schuin voor ons zat, keek af en toe naar hem. Drie uur lang heb ik mezelf moed ingefluisterd, maar toen het vliegtuig eindelijk boven Boekarest vloog, heb ik stiekem, met een bonkend hart, een foto van hem genomen. Vanuit het vliegtuig leek de wereld bijna een aflevering van ‘House M.D.’ Geen pandemie van het coronavirus, maar wel van de angst.
In Boekarest is het 14 graden. De taxichauffeur in de Roemeense hoofdstad vertelde dat hij in januari al had gebarbecued. Storm en onverwacht hoge temperaturen, overstromingen, dát zou bij ons angst moeten opwekken. Niet de Ander, ditmaal Chinees.

Den Haag Centraal, 20 februari 2020

 

Het Migratie Museum is in relatieve stilte uit Den Haag verdwenen. Een schande voor een stad waar meer dan de helft van de bevolking een al dan niet westerse migratieachtergrond heeft.
Achteraf kun je zeggen dat het Migratie Museum zo’n beetje dood was geboren door het kat-en-muisspel met subsidiegeld, een spel dat strafbaar is als Oost-Europeanen het op kleine schaal, in parken, spelen, maar dat volkomen legaal is wanneer het wordt gespeeld door Haagse ambtenaren. ‘Alba neagra’, heet het bij Oost-Europeanen, ofwel: balletje-balletje. In de taal van de ambtenaren is er vast een andere benaming. De overlevingskansen voor het museum waren dus van begin af aan heel klein. En toch: ik heb er, in de beste tijden van het museum, prachtige evenementen bijgewoond, waarbij ik ook van het publiek genoot, niet alleen van wat er op het podium gebeurde. Het publiek was er anders dan je vaak in hartje Den Haag treft (55+, meestal autochtoon). Niet alleen was het publiek in het Migratie Museum níét wit, je zag er ook types die niet gauw onlinekaartjes voor voorstellingen kopen. Als ik in Den Haag museum- of theaterdirecteur zou zijn, zou ik een moord doen voor zo’n publiek: mensen die naar je evenement komen alsof ze naar een doopfeest in hun eigen familie gaan! Ze brengen een authenticiteit en een eenvoud mee die elke theaterzaal zouden sieren. Hén heeft Den Haag nodig, ook al denken politici dat deze mensen alleen maar goed zijn voor een verkiezingsstem. Hún verhalen, hun pijn en hun dromen heeft Den Haag nodig om de stad niet uit elkaar te laten vallen. Hén mis ik, en ik zal hen nu nog meer missen nu het Migratie Museum hersendood is verklaard.
Er zijn meer migratiemusea in Nederland. Ik ken er een waarvan de curator een vrouw is en dat zou ik voor Den Haag ook willen: een krachtige, kosmopolitische, allochtone vrouw die de vaak debiele taal van de politici ontkracht met haar wil en liefde voor onze stad. Iemand die een plek creëert waar álle migranten (en niet alleen Surinamers, want dat evenwicht miste ik wel een beetje in het Migratie Museum) elkaar de hand schudden en naar elkaars verhalen luisteren! Ik droom bijvoorbeeld van een Afrikaanse zondagochtend in hartje Den Haag, van een plek waar de Afrikaanse geschiedenis samenkomt met de Oost-Europese, bijvoorbeeld. Zo’n museum.
Op de dag dat er een migratiemuseum voor iedereen zal staan, ga ik op het Plein staan zingen: ‘O, o, Den Haag…’ Maar tot het zover is, fluister ik tussen mijn tanden mijn eigen liedjes en minder aardige woorden door elkaar!

Den Haag Centraal, 6 februari 2020

Sorry

Toen Rutte ‘sorry’ zei, moest ik even aan ‘Phileine zegt sorry’ van Ronald Giphart denken, maar na die korte oppervlakkigheid bedacht ik dat het iets groots is: het Nederlandse volk zegt ‘sorry’. Sorry voor ‘het handelen van de Nederlandse overheid in de Tweede Wereldoorlog’, voor ‘het tekortschieten van de Nederlandse regering in de oorlog als hoeder van recht en veiligheid’. Het gaat om de deportatie van 104.000 Joden, Sinti en Roma uit Nederland naar Duitse concentratie- en vernietigingskampen. Dat staat! Maar wie wat dieper in de geschiedenis graaft, weet dat er in Nederland al sinds de zestiende eeuw op Roma werd gejaagd. De eerste officiële zigeunerjacht vond plaats in 1637. Ze moesten worden doodgeschoten. In 1750 waren de zigeuners in Nederland zo goed als uitgeroeid. Pas in de negentiende eeuw kwamen ze in kleine aantallen terug. En zoals we weten, herhaalde de geschiedenis zich.

Een van mijn eerste herinneringen uit Den Haag betreft het boek van Guus Luijters over de in de Tweede Wereldoorlog gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma- en Sinti-kinderen, in de vitrine van de toenmalige boekhandel Verwijs in de Passage. Op 27 januari bezocht ik het Roma- en Sinti-monument in de Vondelstraat. Achter een van de poortjes, in een van de huizen, woonden tot 16 mei 1944 Magdalena en Joseph Berger en hun vader, moeder, broertjes en zusjes. Om vier uur ’s ochtends deed onze Haagse politie een razzia die het gezin Berger in de slaap verraste. Op het monument staat de naam van één Berger vermeld: Renold, de vader. Er liggen verse bloemen bij het monument. Een paar meter ernaast een monument van lichtgevende stenen, gemaakt in opdracht van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, onderdeel van de 104.000 door Nederland verspreide stenen. Twee bewakers, Ilias en Ibrahim, bewaken de stenen omdat ze anders worden gestolen, vertelt Ilias.

Is er in deze wereld een volk dat de Roma in de loop van de geschiedenis wél goed heeft behandeld? Ik kom zelf uit een land dat de Roma tijdens de Tweede Wereldoorlog deporteerde en vermoordde. Het verhaal gaat dat ze op kartonnen boten werden verbannen, de zee op. De Roemeense generaal Antonescu deed in dit opzicht niet veel voor Hitler onder. Dragen wij niet allemaal schuld? We zeggen ‘sorry’ omdat we wegkeken van de deportaties van onze Joodse landgenoten. Maar we deden veel meer dan dat, zeker tegen de Roma-bevolking. Moeten we niet voor elke eeuw ‘sorry’ zeggen, te beginnen met de zestiende? En ook alvast voor de toekomst? Daarom: behandel de zigeuners beter! Daarmee kunnen we nu beginnen.

Den Haag Centraal, 30 januari 2019

 

Lezen

“Het beleidsplan voor de jaren ’21-’24 is ingediend en we zien als bestuur de gemeentelijke reactie op onze plannen tegemoet.” Zo opende Aad Meinderts, directeur van het Literatuurmuseum, de prijsuitreiking van de Jan Campert-Stichting in Theater aan het Spui. Pijnlijk, als een viering met een uiting van zorg begint. Subsidie, een smeekbede gericht aan de tijdelijke politici. De ironie van Meinderts over de subsidieaanvraag was hoorbaar in zijn verdere woordkeuze: “Want daartoe zijn wij op aarde.”
De laureaten van dit jaar waren Marente de Moor, Gideon Samson, Paul Demets en Stefan Hertmans. Ik zou niet zijn gegaan als een van mijn favoriete auteurs, Stefan Hertmans, niet de Constantijn Huygens-prijs 2019 zou hebben ontvangen. Hertmans’ boeken doen me altijd denken aan de grote Franse cultuur, waarin ik ben gevormd, aan Marguerite Yourcenar en André Gide. Een eer om hem in Den Haag te hebben. Dat hoorde je ook in de laudatio van Joke Hermsen, die ik ook vaker in Den Haag zou willen horen. De parelvisser, noemde ze Stefan Hertmans. “De tijd bromt in zijn boeken.”
Het juryrapport van elke laureaat werd voorgelezen door cultuurwethouder Robert van Asten, die echter vóór de laudatio van Stefan Hertmans weg moest. Presentatrice Noraly Beyer excuseerde hem en wenste hem moederlijk ‘wel thuis, of waar u naartoe moet’.
Misschien was hij begonnen aan ‘De bekeerlinge’ van Hertmans en moest hij het dringend uitlezen. Ik herinner me de lijst van favoriete boeken van Barack Obama uit 2019. Geen Stefan Hertmans, helaas, wel boeiende boeken. Hoe kun je hem niet cool vinden? Zelfs de ex-president van Roemenië kreeg meer sympathisanten toen hij vertelde dat hij het laatste boek van een van de grootste Roemeense schrijvers aan het lezen was. Maken wethouders in het algemeen tijd om te lezen? Als je een uur per dag leest en halverwege een pauze neemt voor je ogen, kun je ook denken aan het schrijfproces waarin de auteur zat. Bijvoorbeeld. Vraagt de wethouder zich af wat cultuur eigenlijk is of wat cultuur in Den Haag betekent?
Ik herinner me de Facebookpagina’s van de instellingen op de dag van het indienen van het beleidsplan voor de volgende vier jaar. Teams met tekstspecialisten en begrotingsexperts die weten wat ze moeten schrijven of hoeveel publiek ze moeten invoeren.
Ik kan er nog steeds om lachen: we zijn een stad van projecten. Alsof we allemaal studenten bouwkunde zijn. Het belangrijkste is dat je de juiste mensen kent. Soms mis ik de tijden waarin het belangrijker was om de juiste boeken te kennen.

Den Haag Centraal, 23 januari 2020

 

Nederlands

Behalve mijn gezin heb ik in mijn leven niet veel verdedigd. Misschien past zoiets bij een migrant, de filosofie van ‘het zal wel’, een van mijn favoriete formuleringen in het Nederlands. Taal, vrienden, werk en land heb ik achtergelaten, wat nog verdedigen?

En toch, het leven verrast voortdurend. En over mijn laatste verrassing wil ik hier vertellen.

Ik zat onlangs in de trein van Amsterdam naar Den Haag, zoals zo vaak. En zoals zo vaak zat ik op mijn laptop te werken. Woensdagmiddag rond drie uur is de trein bijna leeg. Vanuit een ooghoek zag ik een jong stel binnenkomen. Schoonheid en lelijkheid vallen op; ik zag meteen dat zij knap waren. En Nederlands.

Nadat ze voor me waren gaan zitten, lukte het typen niet meer, ineens was het alsof ik op een bootje op de oceaan zat. De jonge goden voor mij zaten op elkaar, niet naast elkaar, en waren nogal wild. Even heb ik me afgevraagd of ik het woord ‘droogneuken’ hier wel mag gebruiken, maar dat is wat zij aan het doen waren. Ik twijfel eigenlijk alleen over het woorddeel ‘droog’. Met gêne zei ik dat ik het nogal onbeschoft vond en dat ik door hun geneuk niet kon typen. Het tweede deel begrepen ze, het eerste deel, mijn mening, begrepen ze niet. Waarom ik me met hen bemoeide, was hun reactie. Ja, waarom? “Misschien zit je in een verkeerde trein en in een verkeerd land,” zei de jongen, terwijl het speeksel van zijn vriendin uit zijn mondhoeken drupte.

Het eerste deel begreep ik ook, maar het tweede, o, het tweede niet, vandaag nog steeds niet, lieve mensen. Want bij het horen van ‘verkeerd land’ begon mijn zigeunerbloed te koken. En ja, vervolgens ben ik tekeergegaan. Uit mijn dak. Ik ontplofte en deed zoals ik nog nooit in het openbaar had gedaan. Ik hoor mezelf nog steeds! Ik trilde van woede en schreeuwde als een gek. Ja, u kunt van mij denken wat u wilt, maar: het was de eerste keer in veertien jaar in Nederland dat ik mijn nieuwe identiteit verdedigde. Ik verdedigde het Nederlands-zijn, mijn recht om hier te zijn. Ja, in het openbaar, dat is pas verdedigen. Ja, tegen twee Nederlanders die het argument gebruikten dat ik hier niets te zoeken zou hebben. Waarop ze zich baseerden? Mijn uiterlijk, mijn accent. Mijn temperament, misschien. Want ze noemden me gek en vertrokken naar een andere wagon.

Goed. En goed van mij. Ik kon eigenlijk wel huilen! Maar ik heb niet gehuild. Het leven was vorig jaar moeilijk en de naweeën duren langer dan ik had verwacht, maar ik ben hier en ik ben niet van plan om weg te gaan! Niet eens uit mijn wagon. Ik ben Nederlands.

Den Haag Centraal, 16 januari 2019

 

Leven

We zijn ervan overtuigd dat ons land een vooruitstrevend land is, misschien niet helemaal zoals Zweden, maar toch. Als je alleen al bedenkt dat je al je lasten online kunt betalen, weet je dat je dat niet wilt inruilen voor een land waar je twee dagen in een rij moet staan om je elektriciteitsrekening te voldoen. En toch heb ik momenten dat ik me afvraag in hoeverre deze moderniteit bijdraagt aan het leven. In de Volkskrant las ik het verhaal van Martijn die euthanasie liet plegen vanwege zijn psychische leed. Het raakte me, zoals de dood hoort te raken, ook al is de dode een vreemde.

Martijn was 45 en zijn leven was ondragelijk geworden. ‘Meer leed dan vrolijke momenten,’ zei hij ongeveer. En nog iets: dat hij alles in zwart-wit zag. Het artikel ging deels over hoe moeilijk het als euthanasiepatiënt is om donor te zijn; Martijn wilde zijn organen doneren. Zijn moeder vertelde dat hij hun een cadeau gaf, omdat ze zich geen zorgen meer over hem hoeft te maken.

Dit is het moment om te zeggen dat ik uit een land kom waar je tenminste een paar jaar geleden drie dagen in de rij stond om elektriciteit te betalen, maar dat anders omgaat met de dood en de doodswens. Want de gedachten die na het lezen van het verhaal van Martijn in mij opkwamen, waren – het cynisme daargelaten – ‘opgeruimd staat netjes’. Martijn bestelde twee boeketten bloemen, die na zijn dood bij zijn moeder en zijn ex-vriendin werden bezorgd.

En dat was het ongeveer. Alleen nog het bericht dat de gedoneerde organen waren geaccepteerd door de daardoor geredde lichamen.

Wat ik wil zeggen, is dat de dood in Nederland minder deel uitmaakt van het leven dan ik gewend was in de cultuur waar ik vandaan kom. Het gaat hier heel erg over het leven. Als het over rouwen gaat, gaat het over hoe degene die overblijft met het verlies omgaat. En de dode? Was dat alles? Zijn we niet meer dan ons eigen leed? Als kind gingen we een paar keer per jaar naar het kerkhof om de doden van de familie te herdenken. Mijn oma en mijn moeder huilden bij de graven van overgrootmoeder en betovergrootmoeder en hun vader, ooms en tantes, verre nichtjes. Ze brachten bloemen, verwijderden het onkruid van de graven. Zo’n bezoek duurde urenlang, ik speelde tussen de graven en kreeg tegelijk het gevoel van de eeuwigheid.

En in die eeuwigheid waarvan ik proefde, waren de doden en levenden één. Martijn, mij een vreemde, zag het niet meer zitten en werd geholpen. Het ligt vast aan mijn achtergrond, maar soms gaat de dood sneller dan je in sommige landen de elektriciteitsrekening betaalt.

Den Haag Centraal, 9 januari 2020

 

Aparte kamer

Ik heb de zee aan vuurwerk van het laatste uur van het afgelopen jaar meegemaakt vanuit een vrachtwagen. Een aanrader, want je zit hoog. Zo reden we onder de explosies en soms er middenin. Tegelijk moest ik denken aan mensen met PTSS, na een oorlogservaring, want de onophoudelijke reeks knallen deed mij ook aan loopgraven denken. Maar de hemel met vuurwerksterren was mooi en ik voelde me als op een kermis.
Ik zat in de vrachtwagen, omdat we tot tien voor middernacht spullen van het oude huis naar het nieuwe hadden gesjouwd. Het huis is nu redelijk ingericht, met alles wat we zelf konden vervoeren. We zijn eindelijk verhuisd en daarbij hebben we een spoor als dat van de komeet Halley achter ons gelaten. In ons geval: kapotte vazen, glazen en tijdschriften. Ik werd overrompeld door wanhoop toen ik besefte dat we spullen voor drie levens hebben. Maar om tien voor twaalf namen we snel een douche en daarna openden we net op tijd een fles cava, gekregen van het bedrijf waar we een blokhut hadden gekocht, waarin ik ga schrijven.
Omdat geen professional op korte termijn een tuinhuisje kon monteren, heeft mijn man mijn schuurtje met een vriend van ons in elkaar gezet. Want dit is de filosofie van mijn leven: we hebben een groot huis achtergelaten en we zijn verhuisd naar een nieuwe woning die ons huis moet worden. Maar ik kon niet verhuizen tot ik een plek voor mezelf had: ‘a room of one’s own,’ zoals Virginia Woolf het bijna honderd jaar geleden zei. Een schuur, waarin niet meer dan een tafel, een stoel en een paar boeken passen.
Jezelf afzonderen om die ikke die alleen jij kent te mogen zijn, het meest jij, degene die al een paar weken onder de verhuisomstandigheden lijdt.
Een verhuizing zet je aan het denken; je stelt jezelf vragen die je anders niet tegenkomt. Het pijnlijke moment tijdens de verhuizing was toen ik begreep dat die ruimte voor mezelf ook belangrijker was dan al mijn boeken. Ik heb voorlopig niet meer dan dertig boeken meegenomen, misschien minder. De rest komt later en ik moet er ruimte voor maken. In het oude huis hadden we een bibliotheek, in het nieuwe moet ik mijn boeken verdelen.
Wie ben ik? Wat heb ik nodig om te zijn? Dat zijn de vragen waarmee ik het nieuwe jaar ben begonnen. En ik bedacht dat ik voorlopig nog een jaar heb, een kersvers jaar, om over een antwoord na te denken.

Den Haag Centraal, 3 januari 2020

 

Meer lezen? Zie Archief blog 2013-2019