Blog

Toekomst
Het is een ander soort zomer dit jaar. Voor ons drieën thuis geen vakantiestress, geen claustrofobisch gevoel, omdat we een week lang in één kamer in Italië of elders op elkaars lip zitten. Dit jaar niet. Geen vakantie, we gaan verhuizen. Weg uit ons droomhuis, door omstandigheden. Omdat we het al een tijdje weten, wordt het elke dag wat minder dramatisch. Maanden geleden was het een groot drama: weg uit óns huis? We bedachten nog allerlei plannen om te blijven, maar het mocht niet baten, we gaan weg. Waarheen weten we nog niet en dat maakt het ingewikkeld. Eerst heb ik afscheid genomen in mijn hoofd. ’s Nachts, in bed, als ik niet kon slapen. Daarna in het echt, eerst van de tuin: ik ging er niet meer eten, niet meer elke ochtend de bloemen begroeten. Vooral na een zware dag waren het altijd de bloemen die me kracht gaven. Hun schoonheid redt de wereld. Alles wat in de tuin groeit, heb ik zelf geplant. Elk bosje, elke stengel, heb ik zien groeien, alle drie de blauweregenstruiken heb ik aangemoedigd en door elk ervan heb ik me laten verrassen: de jongste bloeide als eerste, de tweede keurig op tijd, en de bloemen van de derde, de oudste en grootste, zal ik niet meer zien. Andere mensen zullen hem begroeten en aanmoedigen.
Elke dag verzin ik waar ik al mijn boeken ga zetten in het nieuwe huis, waar we nog niets over weten, en waar de vele potten zullen komen die nu van de veranda een tweede tuin maken. Als ik niet kan slapen, bedenk ik in een imaginair huis een imaginaire plek voor elke pot, voor de vele dozen notities voor mijn romans, voor de objecten die we met ons meedragen en waarin ons verleden als een insect in een barnsteen vastzit. Ik heb mijn dochter laten beloven dat ze ook in het onbekende maar ongetwijfeld kleinere, nieuwe huis zal pianospelen en de longen uit haar lijf zal zingen, zoals zij hier al jaren doet. Elk van ons neemt afscheid op zijn eigen manier, wat pijnlijk is omdat je de ander niet kunt helpen. We praten niet veel over de verhuizing, we wachten tot deze begint. Tot we echt gaan inpakken.
Tot nu toe heb ik in eenenveertig huizen gewoond en ik hoopte dat het hierbij zou blijven. Maar nummer tweeënveertig is op komst. En hoewel het huis dat we achterlaten mijn grote liefde was, is mijn hart niet gebroken. Ik droom van een nieuwe liefde, samen met man en dochter. En hoewel mijn man meer zwijgt dan praat, zei hij gisteren iets tegen me wat mijn hart sneller deed kloppen.
‘Verhuizertje,’ zei hij. En daarmee deed hij de deur naar de toekomst open.
Den Haag Centraal, 8 augustus 2019

JEANNETTE DE GEUS
Een dappere vrouw uit Amsterdam klaagt de staat aan omdat ze jaren geleden in een pleeggezin is misbruikt. De staat had haar moeten beschermen. Er is bewijs dat het misbruik heeft plaatsgevonden in de tijd dat ze onder jeugdzorg viel.
Met haar verhaal in gedachten schrijf ik deze column. En met al die andere verhalen: er is namelijk geen optreden rond mijn laatste boek, dat over misbruik gaat, waarin niet ten minste één vrouw uit het publiek met een soortgelijk verhaal komt. Een verhaal over misbruik, verkrachting, aanranding, #MeToo. Overal waar ik kom, hoor ik: ‘Ik durf het niet echt te vertellen.’ Als luisterend oor moet je sterk zijn, anders zie je niets anders meer van het leven: overal misbruikte vrouwen, overal trauma’s en verdovende middelen om de horror binnen te houden, in het donker. Wie de daders zijn? Mannen. In verschillende gedaanten: broer, vriend, vader, baas. Tegelijkertijd mag je niet te veel zeggen over de man in het algemeen, want niet elke man is ‘zo’. Wie zijn dan degenen die misbruiken, aanranden, hun macht uitoefenen over jou? Gewone mannen, gelooft u me op mijn woord! Keurige mannen, die vaak een hoge dunk van zichzelf hebben, die een vrouw hebben en kinderen, die mooie hemden dragen en parfum op doen. Als je iemand vertelt waartoe zij in staat zijn, schrikt degene aan wie je je geheim toevertrouwt. Want ‘da kan toch nie’? Er staat geen ‘beest’ of ‘verkrachter’ of ‘manipulator’ op hun voorhoofden.
Laatst vertelde een vrouw me wat haar vader haar had aangedaan, terwijl haar moeder toekeek. Ik had een paar dagen nodig om de pijn en het verdriet van de vrouw op afstand te houden. Ik kon haar niet zomaar laten gaan en kocht ter plekke een cadeautje voor haar, iets kleins, onbenulligs, een object waarop het woord ‘liefde’ stond, want ik wilde haar iets geven. Ik wilde haar iets geven, haar, van wie zo veel was afgenomen!
Ik vind het dus niet gek, maar juist terecht dat Jeannette de Geus de staat aanklaagt en erkenning en financiële compensatie eist. Meer slachtoffers van misbruik onder toezicht van jeugdzorg zouden dat kunnen doen, in Nederland en overal in de wereld. Kunnen de jaren van pijn, van strijd om te overleven nog worden gecompenseerd? Is er iets wat opweegt tegen de schaamte, de zelfhaat, de wanhoop, bij zo veel, oh, zo veel vrouwen? Wat compenseert de eenzaamheid en de leegte, thuis of op het werk, met collega’s die iets doorhebben, maar wie het niet kan schelen?
In een wereld van zo veel keurige mannen, in een wereld waarin het ieder voor zich is en waarin zelfs jeugdzorg zijn ogen dichthoudt. Ja, laat de staat de compensatie maar betalen!
Den Haag Centraal, 18 juli 2019

Het verleden verwerken vergt ook het toegeven van fouten
Misschien zijn we minder empathisch dan we zouden willen, zeg ik na twee weken in Zuid-Afrika. We willen wel om elkaar geven, maar dat blijkt moeilijker dan gedacht. De geschiedenis verplettert ons. We zijn niet vrij om te denken of te voelen. We zien alles door de wazige lens van de geschiedenis die ons oog irriteert en pijnlijk maakt. Er is geen land dat niet kampt met zijn geschiedenis, er is geen volk zonder schurken en schuld.
Al zouden we de maan koloniseren, ik vrees dat we eerst het verleden moeten verwerken. Maar hoe doe je dat als volk, als groep? En dan hangt het er ook vanaf in welke boot je voorouders zaten: die van de onderdrukkers of van de onderdrukten. Zulke gedachten spoken hier in Zuid-Afrika elk uur door mijn hoofd, al twee weken lang.
Ik ben hier nu voor de derde keer en hoe langer ik in Zuid-Afrika verblijf, hoe minder ik begrijp van wat de maatschappij verdeelt. In het eerste jaar dacht ik de problematiek te begrijpen, in het tweede dacht ik oplossingen te hebben en nu gebruik ik bijna dezelfde woorden als alle Zuid-Afrikanen: het is zo complex allemaal.
Ik ken de lading van deze woorden. Ik hoorde ze voor het eerst van een man die mij ervan probeerde te overtuigen dat hij in een moeilijke positie zat. Hij kon niet kiezen tussen zijn minnares en zijn vrouw en vroeg mij om advies. Eigenlijk was hij zo laf als wat, en wilde hij hen allebei behouden, voor zijn eigen plezier en comfort. Ik hoor hem nog verzuchten: ‘Het is zo complex allemaal!’
Zelfs de geschiedenis is minder complex dan we denken. En het is de rol en de plicht van de overheid om de geschiedenis minder complex te maken. Hoe zou het zijn om als volk je eigen fouten toe te geven? Ook in Nederland hebben we net een reeks herdenkingen achter de rug. ‘Ik voel me niet schuldig voor wat mijn voorouder/opa/oom/vader heeft gedaan,’ hoor je nog vaak. Maar waarom niet? In zijn dagboek schrijft de Pool Witold Gombrowicz, zelf in ballingschap in Argentinië gegaan, over een viering van oud en nieuw, ver van de ovens van Auschwitz: hij had net een mooie, jonge Duitser ontmoet die hij heel leuk vond, maar toen die zijn hand op zijn schouder legde, voelde de schrijver de rilling van de geschiedenis door zijn hele lichaam. ‘Toch een Duitser,’ noteerde hij.
Verwerken is moeilijk. Maar als alles complex blijft, boek je geen vooruitgang. En als de overheid aarzelt als een blozende maagd, is het aan ons, individuen, om te begrijpen, te accepteren en verder te gaan. Om onze eigen geschiedenis te maken. Een greintje lichter, een brug over een ravijn.
Den Haag Centraal online editie, 15 juli 2019

Safe in Zuid-Afrika
Op de gewone vraag ‘Kun je lopen tot het centrum?’ wordt in Zuid-Afrika anders geantwoord dan verwacht. Je rekent op iets als ‘Jazeker, tien minuutjes lopen’, maar je krijgt als antwoord: ‘Het is safe.’ Of: ‘Dat is niet safe.’ Afhankelijk van waar je bent, op Longstreet in Kaapstad, waar niemand je na 17.00 uur nog naartoe stuurt, of in Seepoint tien minuten verderop, waar alles weer safe is. Maar wat betekent ‘niet safe’ eigenlijk? De jongen die op Longstreet voor onze auto zou zorgen (zijn woorden) kwamen we een kwartier later aan de andere kant van de wijk tegen. ‘Jullie auto is safe,’ zei hij. En toen we weer terug bij de auto waren, verscheen hij als de geest uit de fles om zijn gage te krijgen. En wat is ‘safer’: je rugzak op je buik of op je rug?
‘Ik wil geen geld,’ zeggen de bedelaars hier in Kaapstad, ‘alleen iets te eten.’ In het township Langa (wat in het Xsosa ‘zon’ betekent) voelde ik, toen we bij iemand naar binnen gingen, hoe mijn longen krompen van de schimmel op de muren en in de lucht. Een paar keer moest ik naar buiten om weer naar binnen te kunnen. De gids vertelde iets in rap Kaapstad-Engels en liet een plastic bord zien. We bedankten hem en gingen naar buiten voor frisse lucht. ‘Was dat bord om geld te doneren?’, vroeg ik en hij knikte, blij dat we het eindelijk begonnen te snappen.
Wat is safe? Al die kinderen in het township die blootsvoets met open armen naar je toe rennen alsof je god bent, of het zelfgemaakte bier van melk en maïs dat ik in een geïmproviseerde bar die ook een ziekenhuis of supermarkt of kerk had kunnen zijn, als enige weigerde te proeven? Al jaren laat ik mijn zwakke maag beslissen of iets safe is of niet, en ik luister altijd naar wat deze zegt. Wat is safe? ‘Onze lichamen zijn sterk,’ zei de chauffeur. ‘Wij kunnen tegen de vervuiling, jullie, blanken, niet.’ HIV bestaat niet volgens hem, in ieder geval is het niet gevaarlijk. Wat is safe? Het eerste wat ik in het township zag, waren veertig geslachte schapenkoppen op een plank. De ogen open, vliegen eromheen en gedroogd bloed op de vacht. De hele rit heb ik mijn maag zowat in mijn handen gehouden. Wat is safe? Op de geïmproviseerde markt nog eens vijftig verse, vers geplukte kippen, zogenaamde ‘flk’: fresh Langa kip. Eén keer in je leven moet je die proeven!
Maar echt unsafe heb ik me geen seconde gevoeld. Ik heb nog tien dagen te gaan. Ik hoop dat mijn maag en ik safe naar huis komen. Meer vegetariër dan ooit!
Den Haag Centraal, 4 juli 2019

Amsterdam zegt sorry
De gemeente Amsterdam gaat sorry zeggen, de eerste Nederlandse gemeente die haar excuses aanbiedt voor het slavernijverleden. Het is een ding, dat ‘sorry’. Iedereen lijkt er moeite mee te hebben, ook naties. In de geschiedenisboeken waarmee ik ben opgegroeid, stond dat mijn volk nooit een ander volk had onderdrukt (zigeuners werden niet meegeteld, toen niet, nu niet).
Maar elke natie heeft zijn lijken in de kast, sommige een heel kerkhof, andere een paar vingerkootjes en af en toe een tong. Collectieve schuld is moeilijk te bekennen. Regimes worden niet gemakkelijk als misdadig bestempeld. In mijn land van herkomst werd het communisme pas zeventien jaar na de val van de Muur ‘misdadig’ verklaard, ‘sotto voce’. En er zijn altijd stemmen gebleven die het anders karakteriseren. Slavernij, apartheid, totalitarisme, genocide, uitroeiing, het zijn net verkrachtingen waarbij de verkrachter nog zoek is. Decennialang, eeuwenlang. Het verschil is dat de nakomelingen van een natie met velen zijn. Ze krijgen een stem en gebruiken die. Tussen de naties is geen Jane Doe. Maar er waren wel veel Saartjie Baartmans.
Europa heeft geen waarheids- en verzoeningscommissie, zoals Zuid-Afrika of Chili. We geloven in internationaal recht en niet in verzoening. Toch zegt de gemeente Amsterdam ‘sorry’. Ik hoor de hordes stemmen al die er tegen zijn. Daarom moet het ook gemeentegewijs worden gedaan en niet per land. Want een kleinere groep is williger dan een grotere. En toch, zo tolerant en progressief als wij Nederlanders denken te zijn, zijn we niet de eersten die ‘sorry’ zeggen. Liverpool, Benin, Frankrijk, Ghana, Londen, de Amerikaanse senaat, de Raad van Kerken en Charleston gingen ons voor. Maar als we het volhouden, voorzie ik in 2020 een blanke ‘zwarte’ piet op klompen. Ten minste de kleuters zullen dan niet meer schrikken.
Tijdens het communisme circuleerde er in mijn geboorteland clandestien een boek dat ik op mijn veertiende ook in handen kreeg. Een samizdat. ‘Bid voor degenen met macht’ heette het. Voor het eerst in mijn leven vroeg iemand zich af wie eigenlijk de overwinnaars waren. Het deed mijn hersenen bijna opzwellen, maar het veranderde mijn kijk op mijn toen kleine wereld.
‘Sorry’ is een teken van kracht, niet van zwakte. De geschiedenis heeft geen tapijt dat groot genoeg is om al de shit eronder te houden. Dit is juist de paradox van de geschiedenis, het boemerangeffect: wat je hebt weggeveegd, komt terug.
Amsterdam laat nog eens zien dat het geen Nederland is, maar Amsterdam. En hoewel ik Haagse ben en blijf, voel ik me ook heel Amsterdams.
Den Haag Centraal, 27 juni 2019

De migrant
Voor een artikel over migranten werd me gevraagd of ik wilde vertalen voor Roemenen die in de kassen werken. Om vijf uur ’s ochtends moest ik ergens op een plein in Den Haag zijn, waar ze met busjes worden opgehaald. En als je ziet hoeveel mensen om half vijf op de bus naar de kas wachten, doet dat iets met je. Vooral als je, zoals ik vaak, rond die tijd juist naar bed gaat. Voor vijven vertrokken de meeste bussen al. Maar ik trof geen enkele Roemeen. Bij iedereen aan wie ik vroeg of hij Roemeens sprak, bleek ik me te vergissen. De universele vraag uit de ‘Lettres persanes’ van Montesquieu kwam bij me op, ondanks het vroege tijdstip: maar wat betekent Pers (Roemeen) zijn eigenlijk? Dat vroeg ik me af toen ik daar, met de oren gespitst om een Latijns woord op te vangen, op dat plein stond. Veel Slavische woorden hoorde ik. Vooral Bulgaren, geen Roemenen. Voor een Nederlander is dat één pot nat: we komen allemaal uit Oost-Europa. De tipgever had Bulgaren ook voor Roemenen aangezien. Meermalen stak ik het plein over waar ze in groepjes stonden. “Vorbiți românește?”, spreekt u Roemeens?
Sommigen waren al aan hun derde sigaret bezig toen hun bus om vijf uur kwam. Ze durfden geen ja of nee te antwoorden op mijn vraag, ze verstonden de vraag niet, hoewel ik die ook in het Nederlands en Engels stelde. “Ja,” zei een hoofd ineens, “ja, ja, ja.” De vrouw naast het hoofd zweeg, maar de man trok haar ook een stap naar voren. Twintig jaar jonger dan ik. Hij – enthousiast, zo opgewekt dat hij bijna licht gaf – maakte duidelijk dat zij ook Bulgaren waren, dat ze op de bus naar de kas wachtten. Of wij onderdak zochten? Of werk? Hij stond klaar om ons aan een huis te helpen, maakte hij duidelijk, maar niet in woorden. Nee, we wilden een paar vragen stellen. O, die wilde hij zó graag beantwoorden, alleen verstond hij veel van onze woorden niet. Maar zó graag had hij ze willen verstaan! Alles wat het Westen te bieden had, wilde hij. En in ruil voor hoop gaf hij zichzelf volledig. Hij kwam niet klagen over het Westen, hij zocht een kans! Een paar seconden leken wij zijn kans in deze wereld. Hij zat al in de bus, we waren met iemand anders in gesprek toen hij terugsprong om ons zijn nummer te geven. Want, wie weet, misschien hadden wij een kans voor hem. Niet smekend, niet met opgegeven hoop, niet brutaal, maar met licht in zijn ogen, met een oprechte glimlach, met de wil en een American dream die ons Westen hem niet zal ontnemen, hoop ik.
Den Haag Centraal, 20 juni 2019

Noa
Dat Noa Pothoven wereldnieuws is geworden, interesseert de Nederlandse journalistiek meer dan de feiten zelf. Dat zelfs de paus over haar twitterde, is belangrijker dan dat zij als meisje van zestien de doodswens had uitgesproken, en dat haar overlijden toch geen euthanasie was, belangrijker dan het feit dat het meisje van zeventien voor de dood koos. Ook dat buitenlandse kranten zich in de doodsoorzaak vergisten, is belangrijker dan dat een meisje van zeventien voor de dood koos. Deze wereld heeft Noa gedood. Op jonge leeftijd was ze aangerand en verkracht, schrijven de kranten.
Hou oud was het meisje dat op haar zeventiende stierf, toen ze werd verkracht? Zijn de daders gestraft? Hoe kan het dat een meisje van zeventien wil leven, maar dat de pijn ondraaglijk wordt? ‘Er was geen hoop meer voor haar,’ zou haar psycholoog hebben gezegd. Dat las ik, maar ik hoop dat ik me vergis. Hoe kan een psycholoog zeggen dat er geen hoop meer is? Wat voor wereld is dit? In wat voor wereld voeden wij onze kinderen op? Waar zijn de daders? Waarom worden meisjes verkracht? Misbruikt, aangerand, mishandeld? Waar gaat het mis in de wereld? Waarom zijn er zo veel vrouwelijke slachtoffers in deze wereld?
Lieve Noa,
Je hebt de zonden van de daders op je schouders meegedragen tot je niet meer kon lopen! Je hebt een boek geschreven dat aan iedereen kan laten zien welke gevolgen een verkrachting heeft, je hebt ons het geschreeuw van je pijn laten horen. Zullen degenen die oren hebben, het horen? Wie zijn de daders?
Zullen de daders berouw hebben? Zullen toekomstige daders berouw hebben voor hun toekomstige daden? Zullen wij schaamte kennen voor wat wij niet hebben kunnen doen voor jou?
Vergeef ons, lieve Noa, voor wat we je hebben aangedaan! Geen enkele therapie kon je pijn verdraaglijk maken, zeggen de psychologen. Vergeef hen! Vergeef het ons dat we je niet hebben kunnen helpen, vergeef het ons dat we je kruis niet in tweeën hebben kunnen delen, of in drieën, of in een paar miljard stukken, voor elke dader een stuk, voor elk van ons een stuk.
Vergeef het ons dat we niets wisten te doen toen jij besloot om niet meer te eten; vergeef ons, die nog jarenlang zullen eten. Vergeef het ons dat we je pijn niet kenden en niet wisten hoe we konden helpen. Vergeef het ons dat we jongens krijgen die aanranden en verkrachten. Vergeef het ons dat we wolven van hen hebben gemaakt en geen mensen, vergeef het ons dat we de wereld voor jou niet beter hebben kunnen maken.
Vergeef ons, die jouw naam pas noemen na je dood. Vergeef het ons dat pas jouw dood onze harten verscheurt.
Vergeef ons.
Den Haag Centraal, 13 juni 2019

Asielkinderen
Enkele jaren geleden stonden we als Nederland in de top drie qua gelukkigste kinderen op aarde. Ik herinner me mijn verbazing nog. Het leven valt altijd buiten de statistieken, vooral onderwerpen als geluk, en zeker: gelukkige kinderen. Wil je meten welk land de grootste hoeveelheid kaas eet, het meeste gas of water verbruikt, de langste inwoners heeft? Toon me de statistieken en ik zal de cijfers niet in twijfel trekken. Maar geluk, bij kinderen? Aan deze statistiek dacht ik weer toen ik las dat er in de afgelopen vierenhalf jaar 1600 asielkinderen zijn weggelopen uit Nederlandse opvanglocaties. Waarheen? Geen enkele statistiek die het kan vertellen. Ik neem aan dat de kinderen niet uit protest tegen de statistieken van drie jaar geleden wegliepen – hoewel ze alle recht op protest hadden, aangezien zij in die statistieken niet meetelden; asielkinderen zijn immers, hè hè, geen Nederlandse kinderen. Je moet zo’n papa met een Nederlands paspoort hebben om niet buiten de geluksstatistieken te vallen. De vraag waar deze kinderen heen zijn gegaan, is geen retorische vraag. Naar familie in Europa, terug naar huis of de prostitutie in? De laatste variant zegt mij dat ze ook niet in de statistieken van de gelukkigste volwassenen zullen terechtkomen.
De opvangcentra zijn open en je kunt weglopen zonder te melden waar je heen gaat. Ik vraag me af wie voor zo’n beleid verantwoordelijk is. Wie doet in zo’n opvangcentrum elke nacht het licht uit? Of baseren we ons op het gezegde ‘hoe minder, hoe beter’? Een getraumatiseerd kind wordt een getraumatiseerde volwassene als hij in leven blijft. En als een kind vertrekt zonder het te melden, is dat niet uit een teveel aan geluk. Zijn deze losgelaten, verlaten kinderen van niemand?
Ik herinner me de jaren van de Roemeense transitie in mijn internaat, in een stad niet ver van Boekarest. Voor de revolutie mochten we eens per week ‘naar buiten’, met een verlofbriefje van de pedagoge; na de revolutie stond er niemand meer bij de poort en was er geen pedagoge meer in het internaat. Vandaar dat mijn herinneringen aan vrijheid samenvallen met herinneringen aan klasgenoten die hevig bloedden na een abortus en andere gebeurtenissen die ons ook buiten de statistieken van gelukkige kinderen hielden. De gevaarlijkste jaren in mijn leven, de transitiejaren. Soms heb ik het gevoel dat ik nog steeds in de transitie zit, dat ik er nooit uit ben gekomen.
Asielkinderen zitten ook in een transitie, van oorlog naar… Naar wat? Niet naar de statistiek van de gelukkigste kinderen van Nederland, hoewel het land waar ze de transitie doormaken wel voor hen verantwoordelijk zou moeten zijn. Niet per se voor hun geluk, maar voor hun leven.
Den Haag Centraal, 6 juni 2019

Overige
Ik stel voor om, als je aan buitenlanders het politieke systeem in Nederland (lees: Den Haag) – Eerste Kamer, Tweede Kamer, et cetera – wilt uitleggen, je verplicht bent ook het verschijnsel ‘overige’ te noemen. Want als buitenlanders denken dat de keurige Nederlandse politiek hier maar saai is, weten ze nog niets over het belangrijkste deel van de polderpolitiek: de afdeling ‘overige’. En wie nu denkt dat ‘overige’ alleen een map op de computer met een paar moorden, verkrachtingen en andere lieve gebaren van vluchtelingen is, heeft het mis. Nee, de map ‘overige’ is ‘key’ om Den Haag beter te begrijpen. Essentieel bij de inburgering, maar ik denk dat ook de gewone Nederlander bij uitleg gebaat zou zijn. Ik stel ook voor om de map ‘overige’ in alle statistieken te laten zien, omdat die een essentiële gewoonte van het Nederlandse politieke dier bevat: de poep onder het tapijt schuiven. Nederlandse politici denken dat wat je niet ziet, niet stinkt, maar in werkelijkheid verga je van de stank van wat je onder het tapijt schuift.
Dat staatssecretaris Harbers na veel gedoe in de coulissen uiteindelijk ontslag nam, heeft veel zand gestrooid in de ogen van degenen die sowieso een bril nodig hebben om het Nederlandse politieke woordenboek te lezen. Maar de politieke gymnastiek kent acrobatische toeren die zelfs Nadia Comăneci, de turnster die in ’76 driemaal goud won op de Olympische Spelen, jaloers zou maken. Zo’n ongelofelijke dans op de hypocrisiebalk maakt Farah Karimi, die als Oxfam Novib-directeur vertrok en werd voorgedragen als Eerste Kamerlid voor GroenLinks. Als u niet weet wie Karimi is, denkt u misschien dat haar spagaat in de hoge Haagse kringen normaal is, maar zij is degene die sinds 2012 op de hoogte was van de seksfeesten van Oxfam-medewerkers in Haïti en dat verzweeg.
In een Elsevier-interview noemt ze zichzelf ‘eerlijk en onafhankelijk’. Daardoor weet ik dat het woord hypocrisie niet in haar woordenboek staat. Op het Haagse festival Writers Unlimited stond ze jaren achtereen op het podium om moedige journalisten en dichters aan te kondigen die in eigen land gevangenisstraf hadden gekregen. Zij, die jarenlang seksfeesten verzweeg en dat, als deze niet openbaar waren geworden, nog steeds had gedaan, prees mensen aan die, omdat zij zo’n talent níet hadden, soms voor jaren in de gevangenis zaten. Vanwege haar talent werd ze ook bestuursvoorzitter van dezelfde organisatie; wie zo’n spagaat kan maken, draagt immers bij aan het behoud van meer dan een kwarteeuw subsidie voor het festival.
Ik stel nog eens voor om spiegels te monteren op de weg van Oxfam Novib naar de Eerste Kamer en daarvandaan naar Writers Unlimited en terug. Wie weet, misschien ziet ze zichzelf daar een keer in en schrikt ze. Zij en vele anderen.
Den Haag Centraal, 30 mei 2019

De dood van een emigrant
De necrologierubriek in de NRC was dit weekend gewijd aan een Roemeense. Ik kon niet het hele artikel lezen omdat mijn abonnement is verlopen, maar voldoende om te begrijpen dat het over een Roemeense vrouw (zoals ik) ging, die (zoals ik) in Nederland woonde. Acht jaar ouder dan ik en al langer in Nederland dan ze in Roemenië had gewoond.
Zonder dat ik haar kende, heeft haar dood me diep geraakt. Ik begrijp niet goed waarom. Waarom zou het leven als emigrant prima zijn, maar doodgaan als emigrant minder prima? Zelf zou ik niet willen sterven in Roemenië. Waarom heb ik dan toch zo gehuild bij de dood van een onbekende? Is de dood van een emigrant dramatischer dan zijn leven?
Het voelt misschien alsof je twee keer bent ontheemd: uit je eigen land én uit je eigen dood. In mijn geboortedorp was het ergste wat iemand kon overkomen ‘doodgaan onder vreemdelingen’. Als dat gebeurde, moest het dorp álles doen om de dode terug naar huis te halen. Alsof hij thuis minder dood zou zijn. En toch. Waarom was ik nu zo ontdaan?
Misschien omdat emigratie al een soort dood is. Voor degenen die je achterlaat, neven, nichten, verre familie, ben je immers soms al dood. ‘Hoe heette die in Nederland woont ook alweer?’ Sommige emigranten houden contact met hun achtergebleven familie, anderen niet. Sommigen gaan in alle vakanties terug en hebben zelfs een vakantiehuisje in het vaderland, bij de zee of in de bergen. Maar veel emigranten kunnen geen vakantie vieren in hun achtergelaten geboorteland. Sommigen gaan na hun pensionering terug; het leven dat ze als migrant hebben gehad, voelt ineens als een droom, alsof het er niet geweest is. Maar anderen vervreemden al vanaf hun eerste jaren in het buitenland, doen hun uiterste best om te integreren, veranderen, worden andere mensen, die niet veel meer te maken hebben met wie ze waren toen ze elke dag nog in hun eigen taal spraken, maar die ook niet volledig westers zijn geworden. Hun ziel zweeft boven twee culturen. Tot de dood komt.
Wie was zij, de vrouw uit de necrologie in de NRC? Was ze gelukkig? Heeft ze hier iets kunnen opbouwen? Verlangde ze naar teruggaan? Likete ze de Facebookberichten van haar verre familie?
Misschien was ik zo ontdaan door haar dood omdat de dood zo definitief is. Zij kan niet meer terug naar Roemenië, ze kan het niet meer goedmaken met degene die ze dertig jaar niet heeft gezien.
Heeft de dood van een emigrant andere connotaties? Misschien is de enige echte dood ook een soort emigratie en zullen we het ‘daar’ goed hebben. We zullen ons sneller aanpassen, dat zijn we immers al gewend.
Rust zacht, Raluca Constantinescu!
Den Haag Centraal, 23 mei 2019

Poep
De banaalste dingen helpen soms om levensinzicht te krijgen. Al twee weken filosofeer ik over een zakje hondenpoep dat vlak bij mijn huis op twee meter van de vuilnis ligt. Hoeveel emoties en gedachten dat zakje al niet heeft veroorzaakt!
Hoeveel inzicht in de menselijke natuur het heeft gegeven! Want degene die niet kon mikken, was níet de hond! Meer dan ooit denk ik over hoe de mens is gemaakt en wat hem in actie brengt, in dit geval: het zakje doet oprapen en in de container gooien.
Gemakkelijk gezegd. Want sommige mensen, zoals ik, hebben een zwakke maag en doen alsof ze de poep niet zien. Niet gezien, niet over gepraat, kan betekenen dat het niet bestaat! Maar toch. Het zakje poep ligt er. Elke dag. In de regen, in de zon. Ik begin te vrezen dat de poep er niet voor niets ligt, maar met een doel.
Het begon misschien met een luie hondenbezitter die de poep wel in een zakje deed, maar het zakje niet in de container. De poep was van de hond, maar hoorde bij de mens toen die hem in het zakje deed.
Maar omdat de hondenbezitter niet kon mikken of gemakzuchtig was, werd de poep van ons allemaal in de wijk, tenminste van degenen die de vuilnis in ‘onze’ container doen. Je kunt dus ook redeneren: hoe meer mensen bij wie de drol hoort, hoe onduidelijker wiens plicht het is om deze op te rapen. De hondenbezitter deed het niet; het is dus aan ons, maar aan wie precies? Moeilijke vraag.
Wat het nog moeilijker maakt, is dat natuurverschijnselen als regen, wind en zelfs de zon de conditie van het zakje hebben veranderd. De poep begon hierdoor aan twee kanten naar buiten te lopen. Degenen met een sterke maag kunnen zien dat de tegels rond het zakje de oorspronkelijke kleur van de poep hebben aangenomen. Ik maak nu een grote stap over de poep heen om er niet middenin te stappen, maar doe het gracieus als een ballerina.
Ik wed dat ik niet de enige ballerina in de wijk ben. Nog iets: het wordt steeds moeilijker om de poep op te rapen. De ouderwetse container wordt bovendien vervangen door een moderne, ondergrondse, die je alleen met een persoonlijke alfvalpas kunt openen. Dit was de echte reden van de enige onenigheid, eergisteren rond de container toen ik dacht, zoals Diogenes de Griek, dat ik toch een mens had gevonden naar wie ik kon uitkijken omdat hij de poep had opgeraapt. Inmiddels is de oude container verplaatst. Elke ochtend komen er twee mensen van de gemeente die de plek voor de nieuwe meten. Er komen wel veranderingen, alleen de drol lijkt onveranderd, hoewel ie elke dag breder wordt
Den Haag Centraal, 16 mei 2019

Gemeente Den Haag
Als ambtenaar mag je geen eigen mening hebben. Ook als je parttimeambtenaar bent, mag je in je vrije tijd je kop niet boven het maaiveld uitsteken. Wie het weet, die kent het. Maar handtastelijk zijn en vrouwen aanranden mag kennelijk wel. De gemeente Den Haag nam onlangs een man aan die eerder bij de Tweede Kamerfractie van GroenLinks was ontslagen, omdat hij zich aan een stagiaire had vergrepen. In de pers wordt over hem geschreven alsof hij de eerste ambtenaar met een verleden als vrouwenmisbruiker zou zijn. Macht erotiseert, ook bij ambtenaren.
Wat mij vooral verbaast, is dat de vrouwenaanrander werd aangenomen door een vrouw. Dat zij besloot over zijn indiensttreding. ‘Aan de benoeming is een procedure voorafgegaan met meerdere kandidaten en gespreksrondes. Hierbij werd gekeken naar kennis en opgedane ervaring.’ Alsjeblieft zeg, alsof we niet weten hoe het eigenlijk gaat! Dat de man bij GroenLinks was ontslagen vanwege vrouwenmisbruik telde niet. Wedijvert de gemeente Den Haag nu met de reclassering of de Haeghe Groep?
Terug naar de dame die hem aannam: wethouder Liesbeth van Tongeren. Er is een plek in de hel voor vrouwen die elkaar niet steunen! De woorden zijn van een andere politica, maar van een ander kaliber: Madeleine Albright. Het citaat kun je vrij interpreteren.
Zou wethouder Van Tongeren geen dochters, zussen, nichtjes of vriendinnen hebben? Benoemen terwijl je weet dat hij een aanrander is, een stagiaire tegen haar wil op haar mond heeft gekust en haar na het incident midden in de nacht in Den Haag alleen zou hebben achtergelaten, wetend dat ze daar niet weg kon. Het had jouw dochter kunnen zijn! Of een van je vrouwelijke collega’s bij de gemeente Den Haag.
Toen ik jaren geleden ongewenste nachtelijke mailtjes van mijn chef kreeg – ik was een paar jaar in Nederland – durfde ik dat aan niemand te vertellen. Ik hoopte dat iemand iets zou zien en begrijpen. Ik zat in een scheiding, met een kind, was buitenlands. Dat laatste was het moeilijkst: mijn baan was zo’n beetje alles wat ik had en ik was zo bang om hem te verliezen. Van mijn veel te vriendelijke baas hoorde ik dat er wel een collega naar een vertrouwenspersoon was gegaan om te klagen over het feit dat onze chef mij veel te veel aandacht gaf.
Maar er gebeurde niets. Niets. Niets. De vertrouwenspersoon vertelde het direct ‘in vertrouwen’ aan mijn baas zelf. En die liet het mij weten, met de subliminale boodschap: ‘Niemand geeft om jou, alleen ik, op mijn manier.’
Ik hoop dat de #MeToo-beweging meer dan een warme bries in een lange winter is. En dat de gemeente Den Haag dat ook begrijpt.
Den Haag Centraal, 9 mei 2019

Wim en Rob
Vorige week zat ik twee uur lang op een hoge stoel in een van de vele kunstenaarsateliers aan het Westeinde. Ik werd er geportretteerd door de schilders Wim Barends en Rob van Dolron. Het poseren en portretteren werd algauw een soort televisieprogramma, maar dan zonder publiek en alleen op ons netvlies opgenomen. Want zo voelde ik me gedurende de twee uren in het sterk naar – wat anders? – terpentijn ruikende atelier. Ik vergat helemaal dat ik aan het poseren was en het portret was twee uur lang een bijzaak voor me, want de discussie, het gesprek met de twee schilders, vond ik veel te leuk. Het portret zelf werd zoals de camera bij de televisie: als het gesprek niet boeiend is, vergeet je geen moment dat je in een camera kijkt, maar als het gesprek interessant is, zie je hem niet meer. Zo was het ook bij Wim en Rob, ik vergat het portret helemaal. De gesprekspartners hadden veel te veel te vertellen: hoe ze 1968 als eerstejaarsstudenten hadden ervaren, waarom Braque superieur zou zijn aan Picasso, over de welvaart van Toulouse-Lautrec, de Vlaamse Primitieven, het in alle tijden moeilijke leven van een kunstenaar en de voor mij altijd boeiende discussie over kunst en ethiek, de vrijheid van de kunstenaar tegenover wat wel en niet mag in de kunst. En het waren niet per se deze onderwerpen die me de camera/het portret deden vergeten, maar de hele sfeer, de vriendelijkheid van mijn gesprekspartners, de sterke geur van terpentijn, het middaglicht in de grote kamer.
Ik ben een van de velen die Rob en Wim hebben geportretteerd. Ze doen het samen, één dag in de week, donderdags: een ballet van vier handen, terwijl de monden de gesprekken voeren. Van het portret werd met bijna geen woord gerept. De handen deden hun werk, zoals ze al vijftig jaar deden. Want zo lang werken Wim en Rob al samen. Ze doen niet alsof ze alles weten, ze zijn niet verbitterd door het leven, ze vullen elkaar aan. Vanaf mijn stoel voelde ik ook hun plezier, zag ik hun handen, hun stappen naar de tafel met verf achter hen. Geen seconde draaiden ze zich om, ze deden een pas zijwaarts om het penseel in de verf te dopen, de monden praatten verder, de handen vervolgden het ballet.
Volgende week krijg ik het portret. Ik heb het al gezien. En hoewel ik tijdens de ‘opnames’ veel heb gepraat en gelachen, zag ik in het portret mijn serieuze blik terug. Ik begreep ook dat we met de uitvinding van de camera iets hebben verloren: deze prachtige menselijkheid bijvoorbeeld, tijdens het poseren voor een portret, het gesprek, het prachtige, vierhandige ballet.
Den Haag Centraal, 2 mei 2019

Lust
Langzamerhand begint de Nederlandse politieke scene op de Roemeense te lijken. Alleen het halalstrand van Arnoud van Doorn zal me er straks nog aan herinneren dat we toch in Nederland zijn. Want als ik lees dat de PVV’er Dion Graus voor een fors bedrag gefraudeerd zou hebben, denk ik dat hij nog steeds een plekje in de Roemeense politiek zou kunnen bemachtigen, mocht hij hier uit zijn partij worden gezet. En wie weet, zouden ze daar nog iets kunnen leren van Dion met zijn lange haren, want tot nu toe heb ik nog over niemand in de Roemeense politiek gehoord dat hij zijn partner tot seks met een derde zou hebben gedwongen – maar dat is tot nu toe niet bewezen, net zomin als de fraude is bewezen. Dion krijgt jaarlijks een onkostenvergoeding van ruim 24 duizend euro, omdat hij aan de Tweede Kamer heeft opgegeven dat hij in Heerlen woont, waar eigenlijk alleen zijn mammie woont. In de wetenschap dat Nederlandse jongens respectvol zijn ten opzichte van hun moeders, denk ik dat hij zijn ex toch niet dáár, bij zijn mammie, tot seks met een ander heeft gedwongen. Dus hij woont vast ergens anders. Misschien toch in Voorburg, waar je ongetwijfeld ook beter je onschuldige pleziertjes kunt beleven dan in Heerlen, waar ik eigenlijk nog nooit geweest ben en ook in de nabije toekomst niet van plan ben te komen.
Zoals ik ook niet van plan ben om naar het halalstrand te gaan, hoewel ik me ook nooit in een echte bikini op het Nederlandse strand heb vertoond. Maar dat betekent nog niet dat ik niet van de bikini’s van anderen heb genoten. Ik geniet nog altijd van de jonge, blonde en bruine lui die de hele dag in bikini op het hete strand liggen, eten van de McDonald’s en na het eten een sigaretje roken en elkaar vervolgens gaan betasten. Jarenlang heb ik me onder de grote pilaren op het Scheveningse strand net de oude schrijver in ‘Dood in Venetië’ gevoeld, verblind door de schoonheid van andere lichamen, dun of dik, esthetisch of – zoals Arnoud van Doorn het netjes noemt – ‘onesthetisch’. In mijn geboortetaal zeggen we, vooral als het om blootheid gaat: ‘Ook God geniet van wat mooi is.’ Dat is vooral om onze eigen zomerse lust te legitimeren, maar het lijkt erop dat God niet altijd een en dezelfde is als het om naaktheid gaat. Maar wat ik eigenlijk vooral interessant vind aan de mogelijke voyeurfraudeur en de oprichter van het halalstrand, is dat ze ooit partijgenoten waren. Allebei PVV’ers, tenminste totdat Arnoud van Doorn de islam omarmde. Maar als je naar hun uitingen kijkt, zijn ze eigenlijk nog steeds partijgenoten.
Den Haag Centraal, 25 april 2019

Zwart gat
Naast het communisme, mijn schoonmoeder en de Haagse politiek heb ik sinds vorige week nog een boeman in mijn leven: het zwarte gat. 10 april was de dag dat voor het eerst een foto van een zwart gat kon worden getoond. Vanaf dat moment is er iets in mijn routine veranderd. En dat terwijl ik in Boekarest, waar ik nog een week verblijf, geen echte routine kan hebben. Ik word wakker en schrijf tot ik misselijk word, ren naar buiten, door het chaotische verkeer van Boekarest, en herinner me dan langzamerhand wie ik ben. Al een week lang eet ik elke dag hetzelfde, in een pub niet ver van mijn appartement, en daarna ga ik terug naar huis. ’s Avonds kijk ik het Roemeense nieuws, vol meldingen over verkeersongelukken, en elke keer ben ik dankbaar dat ik niet tussen al die doden zit. Er is dus nog hoop dat ik terugkom naar huis, als ik tenminste niet gek word van dat zwarte gat, dat ik voor ogen zie wanneer ik het licht uitdoe en probeer te slapen en waaraan ik denk wanneer ik een pauze neem – want ik neem altijd een kleine pauze voor ik een bijzondere scène begin te schrijven.
Wetenschap is ook een religie, bedacht ik toen ik het enthousiasme van de zwarte-gatgelovigen van over de hele wereld hoorde. Er zijn wat goeroes van het zwarte gat in de wereld. Er wordt gezegd dat Einstein de eerste aanbidder van deze nieuwe Jezus was, en een minderheid is van mening dat ook Hawking een vereerder was van het zwarte gat.
Iemand met meer vrije wil meende dat door dat zwarte gat – dat heel zwart is en zelfs onzichtbaar zou zijn – het groene mannetje naar ons zit te kijken. Dat elke stap die we zetten, wordt gezien. Dat ‘ze’ alles over ons weten, dat ze ons volgen vanuit het gat. Dat ook het feit dat de pizza die ik vandaag in Boekarest bestelde koud was en naar benzine stonk hun bekend is. Dat het zeker is dat iemand of ‘Iemand’ door het gat naar ons kijkt. Dat dit de grootste victorie van de wetenschap is in zoveel jaren. Dat we dat nu eindelijk weten!
We wisten het allang, zeg ik. Eigenlijk zei de Argentijn Jorge Luis Borges het rond 1949 al in zijn proza ‘De Aleph’. Zonder foto, maar wie fantasie heeft, heeft het gezien. Het gaat over een veel kleiner zwart gat in een kelder, een bolletje waardoor de hele wereld gezien kon worden: van de kleinste mier tot het dodelijke verkeer in Boekarest, waaraan ik vóór volgende week hoop te ontsnappen. Alleen de uitverkoren konden het zien.
Leve de literatuur, die alwetend is! En voor iedereen!
Den Haag Centraal, 18 april 2019

Veertien jaar
Precies veertien jaar geleden zette ik mijn eerste stap op Hollandse grond. Ik twijfelde even: grond of water? Tellen doe ik nog steeds, wat erop kan duiden dat ik nog terugkijk. Of juist dat ik het voor de toekomst nodig heb, voor de jaren die ooit gewoon het leven zullen worden. Vanaf welk jaar tel je niet meer? Het twintigste? Vijfentwintigste? Sommigen tellen tot hun laatste dag. Ik ben nu langer met mijn man dan ik bij mijn ouders was. We zijn evenveel jaren samen als ik alleen heb geleefd.
Het toeval maakt dat ik dit veertienjarig jubileum vier in Boekarest. Vieren is raar gezegd, want de eerste dag hier lag ik met maagkrampen in bed. Mijn maag is kennelijk het meest ingeburgerd in Nederland.
Inmiddels gaat het weer, maar het is grappig hoe het lichaam zegt: ‘Mij houd je niet voor de gek! Doe niet alsof de melk en cornflakes hier onze melk en cornflakes zijn!’ Ík zag het verschil niet, mijn maag wel.
Misschien had ik het al op het vliegveld moeten begrijpen: 14 graden in Den Haag is anders dan 14 graden in Boekarest. In Boekarest is het bij deze temperatuur bijna zomer. Op de tv zeggen ze hier dat het vandaag regent. ‘Maar het regent echt niet,’ zegt de Nederlander in mij, ‘alleen een beetje water in de lucht.’
Zo gaat het met alles. ‘Geef mij wat geld,’ zegt een bedelares wanneer ik uitstap voor het mooie appartement waar ik logeer. ‘Voor medicijnen.’ ‘Zou ze niet verzekerd zijn?’, zegt mijn Nederlandse hoofd. Mijn Roemeense verstand vindt mijn hoofd belachelijk. ‘Hoeveel jaar woon je al in Nederland?’, vraagt het ironisch. ‘Veertien,’ zeg ik trots. ‘Veertien!’ Ik ben gehecht aan de melk van Campina, aan onze pokkenregen, aan de regels die ik niet kan uitstaan. Vanuit mijn flat in Boekarest zie ik posters met koppen van Roemeense politici en propagandataal. Hoe zouden ze dit bij ons formuleren?, hoor ik mezelf denken.
Mijn kind was twee toen we naar Nederland kwamen. Ze ging meteen Nederlands spreken, ook omdat haar vader dat altijd met haar had gedaan. Volgens mij vergeet ze soms dat ze ook Roemeens is, zo Nederlands is ze geworden. Ikzelf moest, zoals veel vrouwen die hun land achterlaten, opnieuw beginnen. En de taal die ik veertien jaar geleden nog niet sprak, is inmiddels mijn eerste taal geworden. Als mijn Roemeense vriendin nu iets door de telefoon vertelt, zeg ik ‘spannend,’ in het Nederlands, en ik corrigeer mezelf niet meer.
Spannend was het en blijft het! ‘Wie zal ik over nog eens veertien jaar zijn?’, vraag ik ons allebei, de Roemeense en de Nederlandse in mij. ‘Maar voor nu van harte gefeliciteerd,’ antwoord ik, ‘voor de eerste veertien jaar!’
Den Haag Centraal, 11 april 2019

Stiltecoupé
De afgelopen maanden leefde ik vooral in treinen. Daar zoek ik altijd het stiltegebied. Net een leeszaal vol studenten uit mijn studietijd: als er iemand piept, kijken de anderen streng en vervolgens duwt de pieper zijn neus in zijn boek. Maar zaterdag begreep ik dat niets in de wereld vaststaat, niet eens de mooie ‘S’ op het raam van de stiltecoupé.
Ik wilde mijn laptop pakken toen ik een stel luid hoorde praten. Twee gesluierde vrouwen met boodschappenwagentjes wilden niet voor hen onderdoen. Verderop nog een kibbelend stel, niet alleen kibbelend met elkaar, maar ook met (schoon)moederlief aan de overkant. Dit was geen stiltecoupé, dit was Babylon! Het duo vóór de kibbelaars keek filmpjes, het volume keihard: een uitnodiging om mee te genieten of een opgestoken middelvinger naar de rest? Ik stond op. Of ze het geluid misschien wilden dempen, vroeg ik netjes. Nee, dat wilden ze niet. Ik had geen reactie paraat. Ik vernam toen dat ze travestieten waren. Hun vraag was gelijk een politieke: “Waarom kom je naar ons? Iedereen praat hard, zijn wij anders of zo?” De gesluierde vrouwen praatten nog harder. Een student legde een Spaanstalig meisje trots de oorzaak van de treinvertraging uit. Ik luisterde naar de kakofonie in het stiltegebied. De dag was slecht begonnen. Iemand tikte op mijn schouder. Toen ik me omdraaide, zei een vrouw: “Ik heb ook veel last van hen, zou je nog eens iets willen zeggen?” Tegen wie precies? De travestieten, de sluiervrouwen, de student, het kissebissende gezin? Ik keek naar hen en zij naar mij. Het leek een koude oorlog en een western tegelijk. Ik stond op en zei nu luid: “Mensen, ik ben geen politieagent, maar ik wil nogmaals zeggen dat dit stiltegebied is. Willen jullie hier alsjeblieft rekening mee houden?” Stilte. Alleen de kibbelaars wilden weten wat ik had gezegd, ze verstonden geen Nederlands. Hoewel: de man grijnsde naar me, waarschijnlijk had hij geen vertaling nodig. Halverwege stapten de travestieten uit, mijn buurvrouw zei dat ze van buiten een gezicht naar haar hadden getrokken. Maar het bleef een circus. Ik draaide me om naar mijn achterbuurvrouw: “Zou u ook iets willen zeggen? Het is uw beurt.” Ze slikte. “Sorry, bij de volgende stap ik uit.”
Ik sloot mijn ogen om de man die me constant toegrijnsde niet meer te zien. Toen we het Centraal Station binnenreden, liep iedereen langs mijn stoel om nog eens naar me te kijken. Uit ultiem protest wilde ik uitstappen aan de andere kant. Geen perron daar! De stiltecoupé stond buiten het station. “Allemaal uitstappen via de voorste wagon!”, klonk de conducteursstem. Ik liep in de richting van mijn coupégenoten. Iemand grijnsde af en toen naar me van voor in de rij.
Den Haag Centraal, 4 april 2019

Word wakker, schrijversgilde!
Ik hoorde de toespraak van Thierry Baudet via YouTube en schrok in gelijke mate van zowel de speech als het jonge publiek dat hem af en toe met applaus onderbrak. Ook van het in slaapmodus verkerende Nederlandse schrijversgilde schrik ik. Iemand gebruikt hier culturele verwijzingen om racisme te propageren en je reageert niet, schrijversgilde! Ik weet dat het moeilijk is om uit je comfortzone te komen, maar: word wakker voor het te laat is! Iemand wil hier met jouw instrumenten een wereld van racisme creëren, een ‘boreale’ wereld, waarvoor hij het ooit mooie woord ‘boreaal’, dat vroeger in gedichten werd gebruikt, misbruikt. Ik ben opgegroeid met verhalen over Hyperborea, het land van de Hyperboreeërs in de Griekse mythologie, en nu moet ik lezen dat ook de nazi’s het woord al hebben misbruikt.
Ik ben opgegroeid in een land waar de taal door het politieke regime werd misbruikt totdat de taal niet meer betrouwbaar was. We ontwikkelden er een metataal die we ‘hagedis’ noemden, terwijl de misbruikte, van inhoud ontdane, lege taal zelf ‘houten taal’ werd genoemd. Vooral in de jaren zeventig en tachtig was de houten taal het instrument van de (Communistische) Partij, en dat instrument is vandaag de dag nog steeds in gebruik. Je moet namelijk niet denken dat deze taal alleen door de partijbonzen werd gebezigd; nee, de lege taal werd gebruikt in alle lagen van de maatschappij, door mensen die door middel van de taal wilden misleiden en door hen die het taalgebruik overnamen, uit gebrek aan persoonlijkheid of educatie of uit naïviteit. En denk nu niet dat deze taal iets typisch Oost-Europees is! Je komt haar overal tegen, bij mensen van allerlei slag: van een slimme pooier of loverboy tot de baas op je werk die zijn autoriteit en de taal misbruikt voor zijn eigen doelen.
Er zijn journalisten die de taal van Baudet hebben ‘gedeconstrueerd’, maar naar mijn weten is er tot nu toe geen enkele schrijver geweest die dit heeft gedaan. Waar is de schrijver die de slappe uil van haat en stro neerhaalt met een direct, betekenisvol en menselijk discours? In de pen van welke schrijver zit de oprechte Nederlandse taal die de ideologische, lege, maar bombastische taal van Baudet ontmaskert? De uil van Minerva zou zich in haar helm verstoppen als hij zou weten voor welk propagandistisch doel hij wordt gebruikt. Word wakker, kom uit je ivoren toren, schrijversgilde, want uit ervaring weet ik dat het decennialang kan duren tot een lege taal gedeconstrueerd kan worden en dat er achter lege taal vaak een monster schuilt! Vecht! Als het niet voor de mens is, vecht dan tenminste voor de taal! Literatuur is nooit apolitiek geweest en je taal wordt nu gebruikt voor indoctrinatie.
Den Haag Centraal, 28 maart 2019

Incunabelen
Incunabelen, wiegendrukken, zijn boeken die zijn gezet met losse letters en zijn gedrukt in de eerste halve eeuw na de uitvinding van de boekdrukkunst, vóór 1 januari 1501. Schatten zijn het, letterlijk en figuurlijk, en ik ben er al door gefascineerd sinds mijn hoogleraar scheef begon te lopen van de enorme tas die hij dagelijks over zijn schouder droeg om ons, letterenstudenten in Boekarest, elk moment van de dag honderden kopieën van incunabelen te kunnen laten zien. Een incunabel is een redelijk zwaar object dat een bijzondere geschiedenis in zich meedraagt. Het is een boek waarnaast je begint te zweten van liefde en ongeduld, een kunstobject, met tekst en beeld, meestal gekleurd. Voordat je het leest, bewonder je het en daarna begin je de niet makkelijke weg van het ontcijferen.
Er zijn bibliotheken in de wereld die gerenommeerd zijn om hun incunabelen en de lie*ᄀ ebbers weten waarom. Ik heb er zelf enkele bezocht, in Florence en Brugge heb ik specialisten horen spreken en ik heb nog steeds spijt dat ik vorig jaar de bijzondere expositie incunabelen in het Groenigenmuseum in Brugge heb gemist. Er zijn specialisten die de hele wereld afreizen voor een zeldzame incunabel, een unicum dat ze aanbidden zoals de Wijzen uit het Oosten het Kind.
Maar tegenwoordig hoef je niet meer zo ver reizen voor een incunabel, je kunt deze naar je toe halen, digitaal, want veel van deze zeldzame schatten zijn online te bewonderen, op websites die zich sneller openen dan de grot van Ali Baba. Of als je in Den Haag of omgeving woont, kun je naar de Koninklijke Bibliotheek (KB) gaan, met de grootste collectie incunabelen van Nederland. Vorige week werd daar een nieuwe aanwinst gevierd: de zeldzame Raoul Lefèvre, ‘Le recueil des histoires de Troyes’ (Haarlem, Jacob Bellaert, 1485-’86). Bellaert was een belangrijke incunabeldrukker in Haarlem. Hij drukte dit boek in het Frans en het Nederlands en liet hiervoor speciale houtsnedenseries maken door een anonieme kunstenaar die bekendstaat als de ‘Meester van Bellaert’.
Het gesprek over de aanwinst werd geleid door Alexander Reeuwijk; aan het woord kwamen Marieke van Delft (KB), Bas Hesselink en degene die mijn hart sneller deed kloppen, zeldzamer dan de incunabel zelf, met dezelfde liefde en passie voor het bijzondere boek zoals ik die ooit bij mijn hoogleraar had gezien: Willem Kuiper, emeritus hoogleraar aan de UvA, die op zijn scherm, ondanks zijn slechte ogen, nog steeds zeldzame manuscripten ontcijfert. Een grotere ode aan het boek dan een (hoog)leraar die zijn leven wijdt aan het ontcijferen van een verhaal dat zich duizend jaar geleden afspeelde, ken ik niet. Hulde!
En vergeet de grootste Nederlandse collectie incunabelen niet: in de Koninklijke Bibliotheek.
Den Haag Centraal, 21 maart 2019

Vadercentrum
Vader zijn moet je leren. Sommigen krijgen het snel onder de knie, anderen blijven het heel hun leven proberen en je hebt ook mannen die hem smeren, nog voordat het kind hen met hun nieuwe naam kan roepen: ‘Papa.’
Vorige week zat ik in het Haagse Adam Vadercentrum in een zaal met vijftig vaders. Beangstigend gewoon! Maar soms moet je door eigen angst heen en na tien minuten geluisterd te hebben naar een Nederlandse man op leeftijd die meende dat moeders een wat beperkte woordenschat hebben en dat vaders daarom veel moeten communiceren met hun kinderen, kon ik echt lachen. Tijdreizigers heb ik altijd grappig gevonden.
Maar wat daarna kwam, vond ik boeiend. Want het ging niet alleen over het vader-zijn, maar ook over het man-zijn, een onderwerp waarover ik bijna niets weet. Er volgde een interview met mannen die zich via het Vadercentrum hebben ontwikkeld en nu zelf ook rolmodel zijn. En ook al zou je een afkeer hebben van het woord ‘rolmodel’, zou je ontroerd zijn door de menselijkheid van de sprekers. Mannen zijn ook maar mensen. Iemand vertelde dat hij vroeger werkte als glazenwasser en nu, dankzij het Vadercentrum, verkeersregelaar is. Een jongeman vond het jammer dat zijn vader in zijn moeilijke jaren in Nederland niet gebruik heeft kunnen maken van zo’n Vadercentrum. Voor de pauze vertelde een kunstenares haar verhaal over haar zoektocht naar haar vader, die ze uiteindelijk vond en ontmoette, kort voordat hij overleed. Dat haar vader zo’n mooie, positieve dochter, met zo’n prachtige glimlach, heeft kunnen missen, is iets wat ik niet kan begrijpen en stilletjes bewonderde ik haar voor haar levensfilosofie.
Stel je voor dat die afwezige vader voor wie zij zoveel liefde had, een vreselijke, dagelijks aanwezige vader was geweest! Dan zou je minder positief zijn, denk ik. Soms is het leven al beter zoals het is.
Het viel me op hoe mensen zich thuis voelen in het Vadercentrum aan het Jonckbloetplein. Een gastvrijheid die is gelinkt aan de vele nationaliteiten die er rondlopen. Marokkaanse thee, Turkse hapjes, in de pauze speelde iemand mandoline. En de middag voelde niet als een programma, ook al gebeurde het allemaal tijdens de tweede Nationale Mannenconferentie. Het voelde heel gewoon. Workshops, praatjes, muziek, lekkere hapjes, een warmte die gewoon was, door de gastarbeiders meegenomen uit hun eigen land. Een verrijking voor een land dat is opgevoed met één koekje uit de trommel!
Er zijn vaders en er zijn vaders. Maar die vijftig in het Vadercentrum vorige week hebben me het gevoel gegeven dat er ondanks onze soms nare ervaringen altijd hoop is op betere tijden en betere vaders.
Den Haag Centraal, 14 maart 2019

‘ALSO SPRACH’ MIJN DOCHTER
Alles wat van belang is, gebeurt onverwacht. Zo ook het moment in mijn leven dat mijn ogen werden geopend: het was op een zaterdagmiddag dat ik van mijn bijna zestienjarige dochter begreep dat het feminisme niets met vrouwen te maken heeft. “Maar met het feit dat vrouwen gelijk aan mannen zijn en gelijke rechten verdienen.” Ik had de intuïtie om niet te reageren, een talent dat ik te laat in mijn leven heb ontwikkeld. Helemaal wakker geschud werd ik niet lang daarna, toen ik hoorde dat mijn generatie ‘veel verpest heeft’. Ik geef al een paar jaar toe dat ik veel fouten heb gemaakt en dat ik mijn leven probeer te beteren, maar na Roemenië, mijn geboorteland, heb ik me nooit meer aan een generatie gelinkt gevoeld. Ik weet ook dat ik veel meer fouten heb gemaakt dan waarvan ik me bewust ben, en aangezien ik toch nolens volens aan een verpestende generatie ben gelinkt, vroeg ik haar om een lijst van mijn persoonlijke fouten en de zonden van mijn generatie. Ik heb het verpest, mijn ouders hebben het verpest en zelfs opa heeft het verpest. Het stigma rondom de psychismeproblematiek, de opwarming van de aarde, het gebruik van plastic, de vleesconsumptie, onverantwoordelijkheid tegenover LHBT’ers, en de lijst is nog niet af. De eerste stap was vervolgens om mezelf (en mijn ‘generatie’) niet meer te verdedigen. Volgens mijn dochter ken ik zelf veel te veel waarde toe aan… romantische liefde en baseer ik mijn eigenwaarde op de ander (lees: haar vader). Zelf zou zij nooit de woorden ‘mijn wederhelft’ gebruiken, omdat ze zelf een compleet persoon is, niet de helft van ‘iets’. En het idee dat ze op deze aarde gedurende tachtig jaar alleen met zichzelf bezig zou zijn, vindt ze ‘walgelijk’. Het moeilijkste vindt ze dat haar ‘generatie’ geen stemrecht heeft, want ‘schreeuwen’ zonder te kunnen veranderen, helpt niet. Er was nog iets in de lijst die ze uitsprak, wat mij direct aanging en mijn strijd en bestaan onder een dictatuur bijna in één adem annihileerde: ‘het communisme’ bestaat niet en is nooit uitvoerbaar. De conclusie is dat ik mezelf niet meer vertrouw en mijn ‘generatie’ al helemaal niet. Ik begrijp van mijn dochter dat mijn eigen moeder en vader fluisteren bij het uitspreken van het woord ‘homo’ en ik ben van plan om dit met hen te bespreken. Ik maak een heropvoeding door, niet op de Sovjet-manier, maar door mijn puberdochter. Waarom ben ik veertig jaar met gesloten ogen door het leven gegaan, vraag ik mezelf. Mijn dochter zal mijn antwoord niet goedvinden, maar soit: ik denk dat ik als kind te vaak naar ‘de Dikke en de Dunne’ heb gekeken en nooit naar een ‘TEDTalk’.
Den Haag Centraal, 7 maart 2019

Uitgestelde menselijkheid
In het Brusselse café waar ik vandaag mijn column schrijf, betaalde iemand vóór mij een koffie plus vijf ‘uitgestelde koffie’. Het schoot me zo gauw niet te binnen wat uitgestelde koffie ook alweer was en ik bedacht dat Belgen sommige woorden net iets anders gebruiken dan wij. Stappen, lopen, u kent de voorbeelden wel. Bij mijn tweede koffie was er nog iemand die elf ‘uitgestelde koffie’ afrekende. Ik stelde me voor hoe deze goedgeklede zakenman op het station een paar uur moest wachten op de trein en zijn koffie vooraf betaalde. Hij had vast een sterke maag en geen hartproblemen, als hij echt twaalf bekers koffie naar binnen wilde werken. Maar de man dronk zijn koffie op en liep weg. Nu weet ik dat Belgen soms wat apart kunnen zijn, ik zeg dit na mijn ervaring met twee van hen na mijn reis op zoek naar die Picasso, maar zelfs die ervaring heeft mijn zwak voor Belgen intact gehouden. En toen ik mijn liefde voor onze zuiderburen op een weegschaal legde om me ervan te verzekeren dat het gewicht nog gelijk was, stapte er een bedelaar het café binnen. Het soort dat in Nederland verbannen wordt, maar dat je in Brussel en Parijs overal ziet. Mijn bedelaar vroeg om koffie; zonder te betalen kreeg hij een volle kop. En er waren nog vijftien ‘uitgestelde koffie’ voor mensen zoals hij, begreep ik, mensen die geen koffie konden betalen. Een gebaar dat mijn hart verwarmde en mij een nieuwe lens voor het oog zette, waardoor ik de medemens menselijker zie dan hij de laatste tijd overkwam.
Toen dacht ik aan die vriend van me die zich geen tramkaartje veroorlooft en Den Haag op zijn zeventigste elke dag lopend doorkruist, weer of geen weer, op zoek naar werk. En aan de drie bedelaars rond het Centraal Station die nooit lang op een plek kunnen blijven. Want zodra er in Den Haag een bedelaar in zicht komt, verschijnt er in no-time een politieduo dat de bedelaar kort maar krachtig uitlegt dat dit een respectabele stad is, zonder bedelaars, en dat hij, op z’n Nederlands gezegd, snel moet opzouten. We zijn in Den Haag veel respectabeler dan in Brussel en Parijs. Het heeft me altijd verbaasd hoe effectief Nederland met zulke zaken is. Wet is wet, vooral voor armen en degenen die niet door een systeem worden beschermd.
Nu moet u niet denken dat ik pleit voor bedelaars in Den Haag; ik pleit voor menselijkheid. Voor uitgestelde koffie op veel meer dan die paar plekken van nu, of voor uitgestelde broodjes, een uitgestelde kamer of een uitgesteld praatje. Voor effectieve menselijkheid, die je nog altijd kunt leren. Als je je ziel openstelt voor de ander.
Den Haag Centraal, 28 februari 2019

Marx
Het grafmonument van Marx in Londen is beschadigd. Twee keer in korte tijd, wat mij, zelfs in een wereld met IS, terrorisme en Arabische Lentes, doet denken aan die meer dan honderd miljoen doden in naam van het communisme. Ben je in het Westen geboren, dan heb je een dergelijke associatie niet, denk ik. Anders zou je niet, zoals journalisten deden, schrijven dat het graf van ‘de Duitse filosoof’ is beschadigd. Voor mij klinkt dat net alsof je een expositie van ‘de Oostenrijke schilder Adolf Hitler’ zou aankondigen. Ik kan Marx’ naam niet los zien; als ik aan hem denk, noem ik in één adem ook Engels en Lenin.
Ik heb het ‘Communistisch Manifest’ nooit gelezen; ik zal het ook nooit doen. Als alleen al de stoom van een gerecht mensen heeft gedood, dan ga je het gerecht zelf toch niet eten? Ik weet genoeg over hen alle drie om niets méér over hen te willen weten. Sommigen zullen zeggen dat Karl Marx’ ideeën verkeerd zijn geïnterpreteerd. Maar we weten dat hij geen contact had met de klassen waarover hij schreef: boeren en arbeiders. Zoals we ook weten dat hij ideeën van anderen stal en zich de grijze eminentie achter de Commune van Parijs (1871) noemde, terwijl dat een leugen was. Ik schrik als ik lees dat zijn grafmonument is beklad. Ook anderen schrikken, zie ik. Ik vraag me af wie het gedaan heeft: de kleinzoon van een directeur van een met geweld gecollectiviseerde fabriek? Kinderen? Een filosofiestudent? Iemand van de familie? Anarchisten?
Hoe vaak stokte de adem niet in mijn keel als ik vlak bij het Gemeentemuseum langs die belachelijke telefooncel met de kop van Stalin erin liep? Het achterliggende idee van het kunstwerk van Komar & Melamid heb ik nooit helemaal begrepen. Die kop achter een bordeauxkleurig fluwelen gordijn heeft iets van een criminele Oz uit de beroemde kinderfilm, waarin de echte Oz maar een charlatan is. Stel je de charlatan Oz eens voor onder een dictatuur in Oost-Europa, achter een íjzeren gordijn! Dan is zo’n telefooncel in een liberaal land niet zo komisch meer.
Want na het aantal doden achter het IJzeren Gordijn is dit het grote verschil tussen Oost- en West-Europa: de ernst van de situatie. Die voel je vooral als de situatie iets met jou te maken heeft. Als de geschiedenis jou liet bukken. Dan voel je bij het horen van de namen van de ‘drie ridders van de Apocalyps’ – Marx, Engels en Lenin – nog altijd iets in je knieën. En anders noem je Marx zonder met je ogen te knipperen de ‘Duitse filosoof’. Dat wekt eerlijk gezegd mijn jaloezie. De harde wind van de geschiedenis waait niet iedereen omver; wij in het Westen zijn redelijk zen gebleven.
Den Haag Centraal, 21 februari 2019

Thuis
Waar horen we thuis? Ik denk dat er weinig plekken in Den Haag zijn waar deze vraag legitiemer is dan in het Migratie Museum aan het Hoge Zand 42, niet ver van het centrum. Afgelopen zondag klonk daar ook het antwoord in de vorm van de lezing ‘De kunst van het thuishoren’. De spreker leek de sleutel van het thuishoren te hebben gevonden: Vamba Sherif, schrijver, geboren in Liberia (1973), ingeburgerd in Nederland.
Sherif is een polyglot, is positief ingesteld en productief, is een modelimmigrant die geniet van de zon achter de wolken en niet nat wordt van de harde regen, wiens boodschap iedereen goeddoet. Niet alleen heeft hij zich weten te redden, hij maakt ook een mooie carrière als Nederlands schrijver, in een literatuur waar we driehonderdzestig dagen per jaar kleurenblind zijn. En dat terwijl het zelfs in zijn geboorteland niet gemakkelijk was om er thuis te horen, hoewel hij naast zijn moedertaal Mandingoe ook Gbandi, Mendi, Kissi, Lomah en Frans sprak, en later nog Arabisch en Engels leerde.
Aan het slot van Vamba Sherifs lezing kwam ook het publiek aan het woord. Meerdere mensen, die je niet zo gauw bij andere lezingen in de stad zou vinden, vertelden hun verhaal. En wat bleek? Niet iedereen beheerst de kunst van het thuishoren. Velen van ons roeien met de riemen die we hebben, op z’n Nederlands gezegd. Het leven wacht niet tot we de kunst van het thuishoren onder de knie hebben. Zelf zit ik na dertien jaar in Nederland ook weer met een dilemma: ik meende, zeker na mijn emigratie, dat mijn thuis de plek is waar mijn dochter is. Maar over twee jaar zal zij het huis uit zijn. Ze laat nu al geen dag onbenut om ons eraan te herinneren dat de grote wereld op haar wacht. Ik denk daarom dat ik de ‘kunst’ van het thuishoren in de toekomst aan anderen overlaat en me met andere dingen zal bezighouden.
Maar gezien de loop van de geschiedenis vraag ik me wel af aan wie we de vraag over dertig jaar zullen stellen. Waar horen we over vijftig of zeventig jaar thuis? Over vijftig jaar zal ik zeker thuishoren op de plek waar ik dan zal zijn, maar in gedachten zie ik al een jonge man of vrouw voor me die vijftien talen spreekt en in het archief van het Migratie Museum in Den Haag, inmiddels uitgegroeid tot een gerenommeerd, volledig door de staat gesubsidieerd cultuurcentrum, een vermelding van een lezing van precies vijftig jaar geleden vindt: ‘De kunst van het thuishoren’. De notitie zal hem of haar helpen bij het voorbereiden van een eigen lezing over het thema ‘een terugblik op een tijd waarin het niet gemakkelijk was om je overal thuis te voelen’.
Fingers crossed!
Den Haag Centraal, 14 februari 2019

JONGEREN EN HUN GROOTOUDERS VOOR HET KLIMAAT
‘Wee de ouders die hun kinderen niet gehoorzaam zijn,’ luidt een spreekwoord in mijn moedertaal. Ik moet er steeds aan denken nu het zo vaak over het klimaat gaat. Kinderen spijbelen massaal om aandacht te vragen voor het klimaat, en hun bewustwording geeft mij het gevoel dat ik tot mijn 45ste met futiele dingen bezig ben geweest.
De Zweedse Greta Thunberg (16) spreekt alleen als het nodig is, maar als ze spreekt, lijkt ze wel de Messias die is gereïncarneerd. Niet om ons, zondaren, te redden, maar de natuur, die ons nu wel zat is. Misschien loopt mijn generatie inderdaad in alles achter. Als je thuis geen puber hebt die je daar een paar maal daags aan herinnert, luister dan ten minste naar Greta of haar leeftijdgenoten: we zijn bezig met de verkeerde dingen! Mijn eigen puberdochter berekent hoeveel water ze bespaart bij elke vegetarische schnitzel. Alle drie zijn we vegetariër, zij is de enige die het voor het milieu doet.
Misschien hebben we meer met Trump gemeen dan we denken. Toch denkt niet iedereen van Trumps leeftijd hetzelfde over het klimaat. Zo maakte ik afgelopen donderdag kennis met leeftijdsgenoten van Trump die niet alleen níét in de ontkenningsfase zitten, maar ook echt strijden voor bescherming van het klimaat. Onder een naam die hen direct verbindt met de generatie die zich het meest bewust is van de imminente ramp: ‘Grootouders voor het Klimaat’. Op bepaalde donderdagen (de data staan op hun website) ontmoeten ze elkaar. Op het Plein in Den Haag. Afgelopen donderdag was het koud en ik had geen sjaal of handschoenen bij me, wel twee tassen met boodschappen. Pakweg dertig mensen telde ik.
Iemand vertelde dat hij in Brussel met de mars tegen klimaatverandering had meegelopen. Opgewekte grootouders die brieven aan politici schrijven, manifesten ondertekenen en hun zorg over de klimaatverandering kenbaar maken: de vermindering van de biodiversiteit, het verdwijnen van tachtig procent van de insecten in minder dan dertig jaar, de toestand van de bijen, schadelijke landbouwmethoden, al het afval en de plasticsoep in de oceanen.
Wat onze planeet betreft, beweegt mijn eigen generatie zich in slow motion. Brood op de plank krijgen vergt blijkbaar al onze energie. Twee generaties gaan wel een stap verder dan bewustwording van de klimaatverandering: jongeren en ouderen. In Brussel kregen de studenten steun van deze ‘Grootouders voor het Klimaat’. En door de laatste actie krijgen zij nu meer zichtbaarheid. Misschien wordt hun stem op het Plein ook beter gehoord. Want het lijkt erop dat de planeet de grootouders nodig heeft, zoals wij hen ook nodig hebben.
Een andere uitdrukking in mijn moedertaal zegt: ‘Wie geen grootouder heeft, moet er een kopen.’ Als het niet voor jezelf is, dan voor het klimaat!
Den Haag Centraal, 7 februari 2019

Menselijkheid
Eind vorig jaar circuleerde op mijn Facebookpagina een artikel waarin werd gepleit voor meer menselijkheid op de werkvloer. Ik heb het stuk eigenlijk niet gelezen, maar het verbaasde me hoeveel vrienden, goede vrienden, het liketen.
In een land waar alles wordt geregeld, waar voor alles een instantie is, ontbreekt het aan menselijkheid. Ook omdat we hebben geleerd om de menselijkheid uit te schakelen omdat er instanties zijn die alles regelen: daklozen krijgen een dak, weeskinderen krijgen ouders, et cetera. En terwijl ik deze voorbeelden noem, weet ik ook hoe absurd ze zijn. Immers, wat we missen is het menselijke element: een beetje troost, een beetje begrip, een beetje liefde. Ja, misschien excelleert de Nederlander in regelen en instanties creëren, maar niet in het tonen van menselijkheid. Ik herinner me hoe iemand me uitlachte toen ik op de vraag of ik baat had gehad bij een gesprek met een arbeidspsychologe, het volgende antwoord gaf: ‘Ze is heel aardig.’ Iemand naast me die juist bekendstond om haar hardheid, lachte. Maar wat mij is bijgebleven van die arbeidspsychologe, is hoe aardig ze voor mij was, hoe menselijk, hoe warm; precies wat ik nodig had na een heel harde tijd omringd door harde, ongevoelige mensen.
Laten wij onze menselijkheid achter wanneer we naar ons werk gaan? Trekken we haar als een jasje uit op het moment dat we daar de lift instappen? Je bezoekt wel je verre, zieke oom die je jarenlang niet hebt gezien, maar je zieke collega met wie je jarenlang elke dag hebt gewerkt, stuur je zelfs geen e-mail. Vooral omdat het gerucht circuleert dat ze sowieso weg moet. Op de werkvloer gaat het helaas vooral om budgetten, prestaties, nooit om menselijkheid. En uit ervaring weet ik dat vaak geldt: hoe hoger de functie, hoe onmenselijker de persoon. De meest incompetente mensen die ik in mijn leven heb ontmoet, zaten in hoge functies. Warm en veilig, als een beer in zijn winterslaap. Het systeem beschermt immers van boven naar beneden: hoe hoger de functie, hoe minder monden opengaan om iets over je te zeggen en hoe minder oren die daarnaar luisteren. En als je dit systeem nooit bekritiseert, kun je je hele leven lang de vruchten van je gehoorzaamheid plukken. God verhoede dat je vragen stelt of de kwaliteiten van je leidinggevende in twijfel trekt! Als God ons op de werkvloer zou leren kennen, zou hij een nieuwe zondvloed sturen. Want de lafste mensen vind je niet in een oorlog, maar in een vergadering. Maar een systeem werkt pas echt als het wordt bestuurd door een warme hand, een goede bedoeling, barmhartigheid. Dat is wat we zouden moeten doen: menselijkheid aanmoedigen. Maar eerst zoeken bij jezelf.
Den Haag Centraal, 31 januari 2019

Paul Neagu
Zondag was ik bij de opening van de Paul Neagu-expositie in PARTS Project (Toussaintkade, t/m zondag 17 maart). Paul Neagu werd in Boekarest geboren en verruilde Roemenië voor London, drie jaar voor mijn geboorte. Alsof ik een nieuwe editie van ‘Oedipus’ las, zo voelde het. En soms, naarmate ik verder keek, veranderde de lectuur van Sophocles in Afrikaanse verhalen. Want dat wil ik vooral zeggen: het bezoeken van Paul Neagu’s tentoonstelling, samengesteld door curator Maria Rus Bojan, was voor mij vooral een lectuur. En geen gewone, maar een lectuur over de oorsprong van de mens, over de eenvoud van het bestaan en het ontdekken van de kosmos, een soort ‘Mahabharata’ of ‘Gilgamesj’. Zeker een van mijn favoriete boeken.
Op een scherm bladerde ik digitaal door zijn tentoongestelde schetsen en las ik nog eens zijn woorden onder de beelden. Woorden van een kosmoloog of filosoof of priester. Wat aangeeft in welke dimensie Paul Neagu werkte: een dimensie van het mysterie en de eenvoud, van de essentie, van de balans die de natuur ooit had en nu misschien alleen de laatste van de zeven hemels nog heeft. Je kunt niet anders dan aan Brâncuși denken, maar ik dacht ook aan mijn eigen opa, in mijn dorp. Mijn opa had een werkpaard en in de schuur waar hij de wagen stalde bewaarde hij allerlei voorwerpen zoals ik ze bij de expositie zag: zware objecten van ijzer of brons, die ik niet kan benoemen, maar die voor de wagen essentieel waren: misschien een wielblok om te voorkomen dat de met hooi beladen kar achteruit de helling af zou rijden.
Mijn opa zou de woorden van Neagu niet begrijpen: ‘Apolonian lucidity’, ‘Accepting balance’, ‘Chora mythes’, ‘Cosmosizing man’, ‘Antropocosmos’, maar een van de objecten was hem zeker van pas gekomen voor zijn kar.
En dan de ‘Hyphen’. De ‘Hyphen’ (het koppelteken) zette me aan het denken. Omdat het weer over woorden ging. Eigenlijk over wat woorden bindt en scheidt, iets taalkundigs. Ook nu eenvoudig en bijna mystiek. Toen ik jaren geleden naar Nederland verhuisde, was een van de weinige objecten die ik uit Roemenië meenam een krukje met drie poten, iets wat in Roemeense dorpen in elk eenvoudig huishouden te vinden is, de meest eenvoudige vorm van een meubel. Door de vele verhuizingen zijn twee van de poten zoekgeraakt, ik heb alleen nog het zitvlak en een poot. Dit is de ‘Hyphen’ bij Paul Neagu: de drie eenvoudige koppeltekens met elkaar verbonden. De Roemeense boer maakte er een stoel van en Neagu brengt het verder, in zijn ‘Antropocosmos’. En hij noemt het ‘Hyphen’. Of: wat overblijft van het Woord dat in den beginne was.
Den Haag Centraal, 24 januari 2019

Macht is mannelijk
Als je denkt dat dit een feministisch stuk is, vergis je je. Het is misschien alleen net iets meer dan een constatering: een bittere constatering. In het AD las ik over een #MeTooverhaal bij een van de lokale radiozenders dat al een tijdje net zo hard schreeuwde als het werk van Edvard Munch. Ik las dat de van ‘#MeToo’ beschuldigde man uiteindelijk om een andere reden is ontslagen. Het kan waar zijn of helemaal waar. Dat doet er niet eens toe. Iedereen heeft weleens #MeToo-jeuk, maar niet iedereen krabt eraan.
Ik zit in een nieuwe fase waarin ik nieuwe opdrachten zoek, omdat ik freelancer ben geworden en, zoals bijna iedereen, een hypotheek moet betalen. Daarom bezoek ik regelmatig culturele instellingen, waar ik afspraken heb met… mannen. Overal mannen, bijna zonder uitzondering. Niet dat ik daar iets op tegen heb, insjallah, ik houd van mannen, ik heb er een thuis en ook mijn kat en hond zijn van de mannelijke soort. Maar ik had me eerder niet gerealiseerd dat er zoveel mannen op de planeet zitten. De planeet der machtigen waar iemand als ik niets te zoeken heeft.
Zal ik het nog een keer zeggen? Ik houd van mannen! Vooral van hen die niet spelen met macht. Maar ja, denk ik met mijn vrouwelijke hoofd, als je veel macht hebt, hoe kun je er dan níét mee spelen? En met mijn vrouwelijke hoofd denk ik dat veel van deze machthebbers dronken zijn van hun machtspositie, en dat velen van hen niet eens nadenken voordat ze hun macht misbruiken. Macht is macht. En macht erotiseert. In sommige werelden lijkt dit zelfs de eerste functie van de macht. Is er iets aan te doen?
Ja: minder mannen in hogere functies. Als je minder slachtoffers, minder vrouwelijke slachtoffers, wilt, moet je mannen minder macht geven. Maar zoiets zou ik beter in een brief naar de maan kunnen schrijven dan naar de aarde, waar immers ook de beslissingen om iemand in een bestuursfunctie te benoemen door mannen worden genomen.
Het is een mannen-met-machtwereld. Niet dat vrouwen met een beetje macht niet verschrikkelijk kunnen zijn. Oh, vraag me niet naar mijn eigen ervaringen! Maar ik heb nog nooit een mannelijke colléga gehad die grenzen overschreed, een enkele opmerking daargelaten; nee, het was altijd een chéf, iemand met macht. En dan zit je klem, want bijna altijd, ongeacht jouw antwoord op zijn misdraging, of je nu aangifte doet of meegaat in zijn spel, trek je aan het kortste eind.
Er zijn zoveel ‘mannen met functie’ die zich vervelen en op zoek zijn naar afleiding. Zou het anders zijn met vrouwen in dezelfde functies? We weten het niet. En het is maar de vraag of we het ooit zullen weten!
Den Haag Centraal, 17 januari 2019

Intelligentie
Als je online de verse kranten van het verse jaar doorbladert, kom je ook een rubriek ‘boeiende gesprekken’ tegen. Met twee interviews van twee seksuologen. De interviews zijn niet nieuw, maar blijven boeiend. Meer dan dat: ze ontroeren me, op nieuwjaarsdag. Omdat ze anachronistisch én actueel zijn. Omdat ik ze, op deze eerste dag van het jaar dat van alles belooft, ook een beetje bizar vindt. Maar waarom zou een interview over het voorzitterschap van de Europese Unie boeiender zijn dan eentje over de grootte van de clitoris?
Er is nog iets wat me ontroert: de geïnterviewde specialisten zijn allebei vrouw, de ene uit Nederland, de andere uit Amerika, geboren in België. De ‘TED Talk’ van de laatstgenoemde werd 12,7 miljoen keer bekeken en door Oprah Winfrey werd de Amerikaans-Belgische opgenomen op de ‘SuperSoul’-lijst van honderd meest visionaire en invloedrijkste leiders. Boeiend. Maar het andere gesprek ontroert mij echt. AMC-seksuologe Ellen Laan (56) spreekt over haar eigen leven, over de kanker die haar heeft geleerd van zichzelf te houden, over haar dochters aan wie ze obsessief heeft verteld dat vrouwen een lekker plekje hebben, over hoe ze zelf op school werd gepest en hoe ze in haar kindertijd leerde dat masturberen slecht was. ‘Qua seksualiteit zijn we nog lang niet geëmancipeerd,’ zegt ze.
Een van de eerste Nederlandse wonderen die ik na mijn aankomst hier meemaakte, betrof het taboe rondom relaties (lees: seks). Want in het land waar ik vandaan kwam, werd vrijuit gesproken over partners en (andere) seksuele onvolkomenheden. Misschien veel te vrij, denk ik nu, met mijn ingeburgerde hersenen. Maar destijds leek het alsof ik vanuit Gomorra in de ‘Biblebelt’ was beland. De eerste aanduiding is maar een metafoor, de tweede klopt wel. De openbaring kwam tijdens mijn scheiding: veel van die trouwe, gelukkige partners kwamen zich bij mij beklagen over hun wederhelft, en sommigen zouden maar wat graag verder dan klagen zijn gegaan. Toen heb ik mijn eerste grote les over Nederland geleerd: niets is wat het lijkt. Zelfs de seks niet.
De Amerikaanse seksuologe introduceerde het concept ‘erotische intelligentie’ en wil mensen nu leren hoe ze het spannend kunnen houden. De Nederlandse Ellen Laan vindt het schokkend dat een op de tien vrouwen pijn ervaart bij het vrijen. Het is alleen maar goed, denk ik, dat geen Amerikaan tot nu toe een IQ-meting voor seksuele intelligentie heeft uitgevonden. Wie weet wat voor verrassingen we hier in de polder zouden hebben!
Ik wens iedereen een jaar met minder pijn van welke soort dan ook. En alle vormen van intelligentie!
Den Haag Centraal, 10 januari 2019