Blog

‘Social distancing’

Sinds de eerste dag van de verplichte ‘social distancing’ is de woonkamer van mijn buurvrouw een waar callcenter. Om haar kort voor te stellen: mijn buurvrouw is ergens in de zeventig, woont alleen en is naar eigen zeggen – en dat niet alleen – een beetje doof. Ik volg haar telefoongesprekken vanaf de bank in mijn woonkamer. Wanneer ze tussen twee gesprekken door een korte pauze maakt, tuiniert ze in de voortuin met een grasmaaier die de hele buurt wakker houdt. Ze is gekleed zoals de ‘desperate housewives’ in het voorstadje van de gelijknamige tv-serie: hippe broek, bijpassende blouse, een zonneklep zoals we die kennen van vrouwelijke Chinese toeristen. Ze sleurt een kruiwagen met wat gras erin over de grond en neemt een omweg vanachter de huizen naar de vuilcontainer om zich ervan te vergewissen dat alle honden in de buurt en de mijne waakzaam blijven.
Ze krijgt visite van mensen die de kunst beheersen om harder te praten dan zij, doet aan yoga, is gek op harde muziek en in normale tijden rijdt ze in haar auto overal naartoe. Nu ook af en toe. Ze heeft ook een scootmobiel, zoals veel van haar leeftijdgenoten.
Just in case. Wat voor case? Ze is tien keer vitaler dan ik. Ze heeft geen scootmobiel nodig, maar een paard.
Gisteren belde ik bij haar aan en gebaarde ik dat ik twee meter van haar deur zou blijven staan om al die bezoekers in haar woonkamer niet te besmetten. Ik vroeg of ze misschien boodschappen nodig had. In één adem zei ik ook dat ze best veel bezoek ontvangt, en nog meer telefoontjes. Ze vroeg mijn mobiele nummer. Just in case.
Twee uur later, na een gesprek van vijfenzestig minuten met iemand die net zo doof als zij was, of intussen is geworden, belde ze me om te vragen of haar muziek op Spotify te hard stond. Die stond inderdaad te hard, maar het stoorde minder dan haar geschreeuw en geklets de hele dag door. ‘Ken je dat, Spotify?’, vroeg ze. ‘Ja,’ zei ik aarzelend. Ik hoopte dat ze me niet zou vragen naar mijn favoriete liedjes.
Gelukkig vraagt ze weinig. Zij praat vooral. Veel. En hard. Ik ken haar Spotify-list al uit mijn hoofd. Ze vroeg me ook of haar tablet nu besmet is, omdat haar zwager die aangeraakt had. Ons gesprek duurde vierenvijftig minuten, waarin ik de ongehoopte kans kreeg om ‘inzage’ te krijgen in de medische dossiers van al haar familieleden. Ik weet nu ook hoeveel tijd elk van hen in de badkamer doorbrengt. Helaas spreken sommige familieleden alleen via WhatsApp met haar. Nou, ik weet wel waarom.

Den Haag Centraal, 26 maart 2020

 

Resources

Het is mijn laatste nacht in Stellenbosch, en Stellenbosch zit in het donker. Letterlijk. Elke nacht wordt in Stellenbosch de elektriciteit een paar uur afgesneden. Deze week gebeurt het steeds tussen tien en half één. Een ervaring die me doet denken aan mijn jeugd in de communistische jaren in mijn dorp, toen de elektriciteit dagelijks na zeven uur ’s avonds werd afgesloten. In Roemenië was dat omdat dictator Ceaușescu de volledige buitenlandse staatsschuld versneld wilde afbetalen, in Zuid-Afrika vanwege de corruptie. De westerse persoon in mij verbaast zich. “En wat doen jullie in het donker?”, vraag ik een collega-dichter. “We gebruiken kaarsen, we kaarten, ‘we charge the phone’ van tevoren.” “En hoe zit het met de criminaliteit?”, vraag ik de chauffeur die me door de pikdonkere straten naar mijn hotel brengt. Ik weet niet of ik moet lachen of niet, maar de ‘gated’ poortjes die ik bij het betreden van het hotelterrein steeds op slot moest doen, staan nu allemaal open. Iedereen kan naar binnen, om te genieten van het zwembad, bijvoorbeeld. Ik adem diep in en sluit me op in mijn kamer. De deur kan van buitenaf niet opengemaakt worden; dat heb ik in de eerste elektriciteitsloze nacht gecheckt. Ik zit in het donker en nadat alle horrorfilms die ik in mijn leven heb gezien, nog eens draaien in mijn hoofd, begin ik te denken als een volwassene. Aan onze luxe in het Westen, zelfs in deze tijden van het corona-virus. Elke dag water, elke dag elektriciteit. Het is vanzelfsprekend, je prikt je oplader in de muur wanneer je wilt. Ik schrijf deze column hier met de computer in batterijmodus, binnen een paar minuten zal het pikdonker zijn en heb ik nog een uur om alle horrorfilms nog eens te visualiseren en dan misschien te bedenken dat ik zo, als kind, heb leren zingen, vanwege het donker, omdat er geen elektriciteit was en de nachten lang waren. ‘Om niet gek te worden, moet je leren zingen,’ zei mijn vader.
Ik zing hier niet, mijn eigen stem zou me in dit hotel in Stellenbosch alleen maar banger maken. De chauffeur verbaasde zich toen hij hoorde dat het hotel geen generator heeft. Alles loopt hier immers op generators, alsof de apocalyps komt. Ziekenhuizen hebben generators, alle instituties. In het universiteitslokaal waar ik studenten een college gaf, zat de generator boven je hoofd en maakte een enorm lawaai. We denken in het Westen dat wij geavanceerd zijn, dat landen zoals Zuid-Afrika primitief zijn en niet de voorzieningen hebben. Maar als de resources van de aarde opraken, is dit juist de toekomst: sporadisch water, sporadisch elektriciteit. Het is maar hoe je het bekijkt. Zuid-Afrika is er klaar voor. Het Westen niet.

Den Haag Centraal, 19 maart 2020

 

Openbare ruimte

Terecht kunt u zeggen dat ik nu zeur. Ik betrapte mezelf ook. Amper twee dagen in Nederland om een grotere koffer te pakken en ik vertrek weer. Maar ik wil toch even hardop zeggen dat ik nergens in de wereld meer mensen in de tram of trein heb gezien die zo hard tegen hun telefoon praten. Zonder enige rekening met anderen te houden, steeds minder mensen die gewoon uit het raam willen staren.
Na een trein en twee trams ren ik naar huis en voel ik de behoefte om mezelf een tijdje op te sluiten in de badkamer. Gedurende de laatste twintig minuten in de tram moest ik tien conversaties over feestjes, filmpjes of luide muziek aanhoren. En zo gaat het elke rit. En elk gesprek begint met ‘Waar ben je?’ of ‘Ik zit in de tram.’ Openbare ruimte is geen openbare ruimte meer, we personaliseren de openbare ruimte op een hooliganmanier: al schreeuwend aan je telefoon stap je de trein in en dwing je iedereen om jouw uiterst saaie gesprek aan te horen.
Waarom ik geen oordopjes gebruik? Omdat ik geen muziek wil luisteren, in ieder geval niet gedwongen. Ik wil gewoon de tram kunnen nemen zonder dat ik koppijn krijg. Hoe zal het over drie jaar zijn? Wat kan er nog erger worden? De tram en de trein lijken wel een stadion geworden, een ordinaire ruimte die je zo snel mogelijk wilt verlaten, gestrest door de vele ordinaire conversaties en hooliganismen die je om de oren vliegen.
We worden eenzamer en vijandiger, we vermijden het echte contact. Hoe kunnen we de wereld beter maken of onze bijdrage aan de wereld leveren als we ons al zo misdragen in trein en tram? We komen ons huis uit, niet om te genieten van de zon, maar om de ander te negeren, om te laten zien dat de ander ons niet schelen kan. De technologie heeft de mens niet bij elkaar gebracht, ze isoleert, creëert bubbels waarin we een nepgevoel van samenzijn ervaren. Met elkaar praten in de tram is al een uitzondering, zeker als je elkaar niet kent.
‘Dit is zo’n stadje,’ zei vandaag in tram 16 een mevrouw tegen haar man. ‘Zo’n stadje van: we hebben het gezellig, maar je komt er niet tussen.’ Hebt u het over Den Haag?’, had ik haar willen vragen. Maar ik besloot gewoon te genieten van het eerste gesprek tussen twee mensen – en niet mens en telefoon – dat ik die dag hoorde. ‘Je voelt je weleens eenzaam,’ zei ze weer, in de kakofonie die reizen met het openbaar vervoer tegenwoordig inhoudt.
Over een uur vertrek ik weer. Ten minste in het vliegtuig mag je voorlopig niet aan je telefoon schreeuwen.

Den Haag Centraal, 12 maart 2020

Te veel

Als we overal tegelijk in de wereld konden zijn, zou ik de ochtenden in Puglia, Italië, zeker op mijn lijstje zetten. Als we overal tegelijk konden zijn, zou de schoonheid van de wereld ons verblinden en zou het serotoninegehalte in onze hersenen gevaarlijke hoogtes bereiken. We mogen niet té gelukkig zijn. Het is de mens niet gegeven om de ochtenden in Puglia, de zomernachten in Zweden en de kersentuinen in Japan tegelijk te zien. Dat zou te veel zijn. Voor mij is het al veel dat ik al tien dagen in Puglia wakker word. Bijna dagelijks huil ik spontaan door het vele licht, alsof ik zo, vroeg in de ochtend, een offergave aan de dag breng. Het licht is verbluffend. Ik, die graag tot negen uur in bed lig, vooral omdat ik laat ga slapen, ben hier bijna elke ochtend wakker om half zeven, fris en klaar om de dag te beginnen. Als we al de schoonheid van de wereld tegelijk zouden zien, zou ons hart verpulveren, uiteenvallen in ontelbare atomen. Want in vergelijking met het eeuwige geritsel van de olijfbomen, de helderheid van het water in de zee, de generositeit van de bloemen op de velden, zijn wij niets. ‘No photo, no photo,’ riep een oude vrouw als een ekster toen we een paar oorbellen in een vitrine van haar winkel wilden fotograferen. De olijfbomen zeggen nooit ‘no photo, no photo’; het licht valt uit de hemel en impregneert je botten zonder iets terug te roepen.
In het huisje waar ik bijna tien dagen heb geschreven aan mijn nieuwe boek, heb ik elke dag vuur gemaakt, zoals ik dat als kind in mijn dorp deed. Mijn handen wisten nog hoe ik een torentje van hout moest maken, hoe ik het vuur moest onderhouden, hoe ik de as eens in de week moest verzamelen. Voor een van de deuren die toegang geven tot de tuinen, staat een kleine, maar stevige citroenboom. Vol citroenen. Ik pluk er een voor in de thee. Een andere ontdekking, naast het verse bruine brood dat onze onvermoeibare gastvrouw elke dag bakt, is de mosterdplant. Overal, waar je maar kijkt, groeit hier de mosterdplant, als een tienermeisje in een witte jurk. Ik heb er deze dagen veel van gegeten, geplukt op de velden tijdens het uitlaten van de honden.
We kunnen niet al de schoonheid van de wereld zien, zoals we ook niet tegelijk alle lelijkheid kunnen zien. Stel je voor dat je die Syrische kinderen in de kou zou kunnen zien gelijk met de hysterie rondom corona. Corona neemt al onze tijd al in beslag. Ik zit in een cocon in Puglia. No corona virus, no photos, no zorgen. Zon, licht, citroenbomen. En toch is het al te veel. Te veel schoonheid.

Den Haag Centraal, 5 maart 2020

Reizen

De Vlaamse Willy (86) zoekt al 468 dagen naar een vrouw die hij ontmoette in de trein, zo las ik. ‘Op slag verliefd.’ Al meerdere malen plaatste hij een bericht in kranten en zelfs de burgemeester van Kortrijk schreef hij aan, maar tot nu toe zonder resultaat. Er is niets mooiers dan op reis mooie mensen ontmoeten, zeg ik – zelf ook een maand lang op reis, in vier landen en op twee continenten. En het gaat niet om verliefd worden, maar om het leren kennen van andere zielen: de eerlijkheid die je alleen op reis tegenkomt als je urenlang op een vliegveld vastzit bijvoorbeeld. Het kan natuurlijk ook tegenvallen, maar gun het jezelf te genieten van toevallige ontmoetingen, zoals Willy van 86 doet! Reizen maakt je moe, maar gelukkig.
Misschien zijn we tijdens reizen het dichtst bij onze essentie, bedenk ik. Je bent kwetsbaar, maar geeft jezelf bloot, je communiceert, je bent gelijk aan iedereen die ook is gestrand op dat vliegveld. Gedurende twee dagen in Roemenië heb ik rijdend door de Karpaten een theorie van onbalans bij genieën ontwikkeld die elke dromer zal boeien, en in het vliegtuig boven Hongarije was ik ervan overtuigd dat ik de gedichten van Piet Paaltjens nog een kans moet geven. Niets wat een gedicht charmanter maakt dan de muziek van de vliegtuigairco. Mensen, ga reizen, mensen ontmoeten, intellectueel flirten, en kijk, als je dat een luxe vindt, met je beste blik naar je naaste! Het leven is kort, open je ziel, wees aardig, kus je man/vrouw, stuur hem/haar een extra lief bericht, wees dankbaar! Ook degenen die mijn leven onmogelijk maakten, ben ik dankbaar. Het leven is niet ergens anders, zoals Kundera meende. Wíj zijn het leven! Leef het! Hoeveel mensen heb je vandaag gesproken? Hoeveel onbekenden? Herinner je je iets van het gesprek, iets wat je raakte? Stuur je vriendin die de laatste tijd geen tijd voor je heeft nog een bericht! Zwaai naar de postbode, stuur in gedachten een kushandje naar de lente, we leven!
Toen ik op dat vliegveldje vastzat, was ik vooral pissig; pas later begreep ik hoeveel mooie mensen ik er heb ontmoet, hoeveel levens zich naar mij hebben geopend, hoeveel nieuwe gezichten ik me met plezier herinner – zelfs van degene die me op het kleine vliegveld twee keer fouilleerde en keek tot ín mijn broek.
Aan onze tafel in de hak van de Italiaanse laars vraagt iemand hoe de lokale ‘cozze’ (mosselen) smaken. ‘Zo verschillend,’ zegt Tonino, de enige Italiaan aan de tafel. ‘Als de kus van een vrouw.’ Van ons allemaal, officieel ‘scrittori’, blijkt hij de echte dichter te zijn. ‘La vita è bella’, en reizen, zelfs in de tijd van het corona-virus, doet wonderen.

Den Haag Centraal, 27 februari 2020

Angst

Op vliegvelden ziet de wereld er anders uit dan thuis op het televisiescherm of buiten op de weekmarkt. Zondag werd ik om zes uur wakker met de vraag of storm Dennis het vliegtuig dat ik over twee uur moest nemen wel zou laten opstijgen. Is mijn dochter veilig als ze door deze nieuwe storm naar het centrum gaat fietsen, vroeg ik me ook af. En: staan de bloempotten in de tuin safe? Want toen ik de bloemen vorige week had verpot, was ik vergeten om er nog extra grond bij te doen. Zo zag mijn wereld er die ochtend om zes uur uit. Drie uur later zat ik in een vliegtuig vol Roemenen, Nederlanders en Chinezen onderweg naar Boekarest. In Roemenië wonen veel Chinezen, dat was ik even vergeten. Maar bij de gate waren het niet de Chinezen die me opvielen, maar de Europeanen, de Roemenen en Nederlanders, en misschien ook andere nationaliteiten van het Kaukasische ras: veel met een mondkapje. De Chinezen zaten bijna allemaal bij elkaar, daar geen kapje te zien.
Als ik moet vliegen, heb ik altijd een boek bij me, maar op deze vlucht heb ik geen bladzijde omgeslagen, in plaats daarvan heb ik de vele en verschillende mondkapjes bewonderd. Bij reizen hoort nu dus ook een mondkapje. En ik moet zeggen dat de mode in de mondkapjeswereld zich duidelijk heeft ontwikkeld; ze blijken er nu te zijn in verschillende snit en in allerlei kleuren en vormen. Tot onder de neusgaten, tot over de neusvleugels, tot aan de oren, tot over de oren. Dik, dun, transparant, afhankelijk van de mate van angst, denk ik. Door zo’n tafereel groeit de angst zelfs bij niet-dragers, stelde ik vast. Want steeds als ik mijn hoofd naar links draaide, dacht ik met een ongekende nostalgie aan een dokter die me vijftien jaar geleden Xanax had voorgeschreven: links van mij zat de Oost-Europese variant van Hannibal Lector. Met een muilkorf die hij geen seconde afzette. En om de horror compleet te maken had hij op zijn ogen ook een slaapmasker gezet. In dezelfde kleur als de muilkorf: zwart. Zelfs de Chinees die schuin voor ons zat, keek af en toe naar hem. Drie uur lang heb ik mezelf moed ingefluisterd, maar toen het vliegtuig eindelijk boven Boekarest vloog, heb ik stiekem, met een bonkend hart, een foto van hem genomen. Vanuit het vliegtuig leek de wereld bijna een aflevering van ‘House M.D.’ Geen pandemie van het coronavirus, maar wel van de angst.
In Boekarest is het 14 graden. De taxichauffeur in de Roemeense hoofdstad vertelde dat hij in januari al had gebarbecued. Storm en onverwacht hoge temperaturen, overstromingen, dát zou bij ons angst moeten opwekken. Niet de Ander, ditmaal Chinees.

Den Haag Centraal, 20 februari 2020

 

Het Migratie Museum is in relatieve stilte uit Den Haag verdwenen. Een schande voor een stad waar meer dan de helft van de bevolking een al dan niet westerse migratieachtergrond heeft.
Achteraf kun je zeggen dat het Migratie Museum zo’n beetje dood was geboren door het kat-en-muisspel met subsidiegeld, een spel dat strafbaar is als Oost-Europeanen het op kleine schaal, in parken, spelen, maar dat volkomen legaal is wanneer het wordt gespeeld door Haagse ambtenaren. ‘Alba neagra’, heet het bij Oost-Europeanen, ofwel: balletje-balletje. In de taal van de ambtenaren is er vast een andere benaming. De overlevingskansen voor het museum waren dus van begin af aan heel klein. En toch: ik heb er, in de beste tijden van het museum, prachtige evenementen bijgewoond, waarbij ik ook van het publiek genoot, niet alleen van wat er op het podium gebeurde. Het publiek was er anders dan je vaak in hartje Den Haag treft (55+, meestal autochtoon). Niet alleen was het publiek in het Migratie Museum níét wit, je zag er ook types die niet gauw onlinekaartjes voor voorstellingen kopen. Als ik in Den Haag museum- of theaterdirecteur zou zijn, zou ik een moord doen voor zo’n publiek: mensen die naar je evenement komen alsof ze naar een doopfeest in hun eigen familie gaan! Ze brengen een authenticiteit en een eenvoud mee die elke theaterzaal zouden sieren. Hén heeft Den Haag nodig, ook al denken politici dat deze mensen alleen maar goed zijn voor een verkiezingsstem. Hún verhalen, hun pijn en hun dromen heeft Den Haag nodig om de stad niet uit elkaar te laten vallen. Hén mis ik, en ik zal hen nu nog meer missen nu het Migratie Museum hersendood is verklaard.
Er zijn meer migratiemusea in Nederland. Ik ken er een waarvan de curator een vrouw is en dat zou ik voor Den Haag ook willen: een krachtige, kosmopolitische, allochtone vrouw die de vaak debiele taal van de politici ontkracht met haar wil en liefde voor onze stad. Iemand die een plek creëert waar álle migranten (en niet alleen Surinamers, want dat evenwicht miste ik wel een beetje in het Migratie Museum) elkaar de hand schudden en naar elkaars verhalen luisteren! Ik droom bijvoorbeeld van een Afrikaanse zondagochtend in hartje Den Haag, van een plek waar de Afrikaanse geschiedenis samenkomt met de Oost-Europese, bijvoorbeeld. Zo’n museum.
Op de dag dat er een migratiemuseum voor iedereen zal staan, ga ik op het Plein staan zingen: ‘O, o, Den Haag…’ Maar tot het zover is, fluister ik tussen mijn tanden mijn eigen liedjes en minder aardige woorden door elkaar!

Den Haag Centraal, 6 februari 2020

Sorry

Toen Rutte ‘sorry’ zei, moest ik even aan ‘Phileine zegt sorry’ van Ronald Giphart denken, maar na die korte oppervlakkigheid bedacht ik dat het iets groots is: het Nederlandse volk zegt ‘sorry’. Sorry voor ‘het handelen van de Nederlandse overheid in de Tweede Wereldoorlog’, voor ‘het tekortschieten van de Nederlandse regering in de oorlog als hoeder van recht en veiligheid’. Het gaat om de deportatie van 104.000 Joden, Sinti en Roma uit Nederland naar Duitse concentratie- en vernietigingskampen. Dat staat! Maar wie wat dieper in de geschiedenis graaft, weet dat er in Nederland al sinds de zestiende eeuw op Roma werd gejaagd. De eerste officiële zigeunerjacht vond plaats in 1637. Ze moesten worden doodgeschoten. In 1750 waren de zigeuners in Nederland zo goed als uitgeroeid. Pas in de negentiende eeuw kwamen ze in kleine aantallen terug. En zoals we weten, herhaalde de geschiedenis zich.

Een van mijn eerste herinneringen uit Den Haag betreft het boek van Guus Luijters over de in de Tweede Wereldoorlog gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma- en Sinti-kinderen, in de vitrine van de toenmalige boekhandel Verwijs in de Passage. Op 27 januari bezocht ik het Roma- en Sinti-monument in de Vondelstraat. Achter een van de poortjes, in een van de huizen, woonden tot 16 mei 1944 Magdalena en Joseph Berger en hun vader, moeder, broertjes en zusjes. Om vier uur ’s ochtends deed onze Haagse politie een razzia die het gezin Berger in de slaap verraste. Op het monument staat de naam van één Berger vermeld: Renold, de vader. Er liggen verse bloemen bij het monument. Een paar meter ernaast een monument van lichtgevende stenen, gemaakt in opdracht van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, onderdeel van de 104.000 door Nederland verspreide stenen. Twee bewakers, Ilias en Ibrahim, bewaken de stenen omdat ze anders worden gestolen, vertelt Ilias.

Is er in deze wereld een volk dat de Roma in de loop van de geschiedenis wél goed heeft behandeld? Ik kom zelf uit een land dat de Roma tijdens de Tweede Wereldoorlog deporteerde en vermoordde. Het verhaal gaat dat ze op kartonnen boten werden verbannen, de zee op. De Roemeense generaal Antonescu deed in dit opzicht niet veel voor Hitler onder. Dragen wij niet allemaal schuld? We zeggen ‘sorry’ omdat we wegkeken van de deportaties van onze Joodse landgenoten. Maar we deden veel meer dan dat, zeker tegen de Roma-bevolking. Moeten we niet voor elke eeuw ‘sorry’ zeggen, te beginnen met de zestiende? En ook alvast voor de toekomst? Daarom: behandel de zigeuners beter! Daarmee kunnen we nu beginnen.

Den Haag Centraal, 30 januari 2019

 

Lezen

“Het beleidsplan voor de jaren ’21-’24 is ingediend en we zien als bestuur de gemeentelijke reactie op onze plannen tegemoet.” Zo opende Aad Meinderts, directeur van het Literatuurmuseum, de prijsuitreiking van de Jan Campert-Stichting in Theater aan het Spui. Pijnlijk, als een viering met een uiting van zorg begint. Subsidie, een smeekbede gericht aan de tijdelijke politici. De ironie van Meinderts over de subsidieaanvraag was hoorbaar in zijn verdere woordkeuze: “Want daartoe zijn wij op aarde.”
De laureaten van dit jaar waren Marente de Moor, Gideon Samson, Paul Demets en Stefan Hertmans. Ik zou niet zijn gegaan als een van mijn favoriete auteurs, Stefan Hertmans, niet de Constantijn Huygens-prijs 2019 zou hebben ontvangen. Hertmans’ boeken doen me altijd denken aan de grote Franse cultuur, waarin ik ben gevormd, aan Marguerite Yourcenar en André Gide. Een eer om hem in Den Haag te hebben. Dat hoorde je ook in de laudatio van Joke Hermsen, die ik ook vaker in Den Haag zou willen horen. De parelvisser, noemde ze Stefan Hertmans. “De tijd bromt in zijn boeken.”
Het juryrapport van elke laureaat werd voorgelezen door cultuurwethouder Robert van Asten, die echter vóór de laudatio van Stefan Hertmans weg moest. Presentatrice Noraly Beyer excuseerde hem en wenste hem moederlijk ‘wel thuis, of waar u naartoe moet’.
Misschien was hij begonnen aan ‘De bekeerlinge’ van Hertmans en moest hij het dringend uitlezen. Ik herinner me de lijst van favoriete boeken van Barack Obama uit 2019. Geen Stefan Hertmans, helaas, wel boeiende boeken. Hoe kun je hem niet cool vinden? Zelfs de ex-president van Roemenië kreeg meer sympathisanten toen hij vertelde dat hij het laatste boek van een van de grootste Roemeense schrijvers aan het lezen was. Maken wethouders in het algemeen tijd om te lezen? Als je een uur per dag leest en halverwege een pauze neemt voor je ogen, kun je ook denken aan het schrijfproces waarin de auteur zat. Bijvoorbeeld. Vraagt de wethouder zich af wat cultuur eigenlijk is of wat cultuur in Den Haag betekent?
Ik herinner me de Facebookpagina’s van de instellingen op de dag van het indienen van het beleidsplan voor de volgende vier jaar. Teams met tekstspecialisten en begrotingsexperts die weten wat ze moeten schrijven of hoeveel publiek ze moeten invoeren.
Ik kan er nog steeds om lachen: we zijn een stad van projecten. Alsof we allemaal studenten bouwkunde zijn. Het belangrijkste is dat je de juiste mensen kent. Soms mis ik de tijden waarin het belangrijker was om de juiste boeken te kennen.

Den Haag Centraal, 23 januari 2020

 

Nederlands

Behalve mijn gezin heb ik in mijn leven niet veel verdedigd. Misschien past zoiets bij een migrant, de filosofie van ‘het zal wel’, een van mijn favoriete formuleringen in het Nederlands. Taal, vrienden, werk en land heb ik achtergelaten, wat nog verdedigen?

En toch, het leven verrast voortdurend. En over mijn laatste verrassing wil ik hier vertellen.

Ik zat onlangs in de trein van Amsterdam naar Den Haag, zoals zo vaak. En zoals zo vaak zat ik op mijn laptop te werken. Woensdagmiddag rond drie uur is de trein bijna leeg. Vanuit een ooghoek zag ik een jong stel binnenkomen. Schoonheid en lelijkheid vallen op; ik zag meteen dat zij knap waren. En Nederlands.

Nadat ze voor me waren gaan zitten, lukte het typen niet meer, ineens was het alsof ik op een bootje op de oceaan zat. De jonge goden voor mij zaten op elkaar, niet naast elkaar, en waren nogal wild. Even heb ik me afgevraagd of ik het woord ‘droogneuken’ hier wel mag gebruiken, maar dat is wat zij aan het doen waren. Ik twijfel eigenlijk alleen over het woorddeel ‘droog’. Met gêne zei ik dat ik het nogal onbeschoft vond en dat ik door hun geneuk niet kon typen. Het tweede deel begrepen ze, het eerste deel, mijn mening, begrepen ze niet. Waarom ik me met hen bemoeide, was hun reactie. Ja, waarom? “Misschien zit je in een verkeerde trein en in een verkeerd land,” zei de jongen, terwijl het speeksel van zijn vriendin uit zijn mondhoeken drupte.

Het eerste deel begreep ik ook, maar het tweede, o, het tweede niet, vandaag nog steeds niet, lieve mensen. Want bij het horen van ‘verkeerd land’ begon mijn zigeunerbloed te koken. En ja, vervolgens ben ik tekeergegaan. Uit mijn dak. Ik ontplofte en deed zoals ik nog nooit in het openbaar had gedaan. Ik hoor mezelf nog steeds! Ik trilde van woede en schreeuwde als een gek. Ja, u kunt van mij denken wat u wilt, maar: het was de eerste keer in veertien jaar in Nederland dat ik mijn nieuwe identiteit verdedigde. Ik verdedigde het Nederlands-zijn, mijn recht om hier te zijn. Ja, in het openbaar, dat is pas verdedigen. Ja, tegen twee Nederlanders die het argument gebruikten dat ik hier niets te zoeken zou hebben. Waarop ze zich baseerden? Mijn uiterlijk, mijn accent. Mijn temperament, misschien. Want ze noemden me gek en vertrokken naar een andere wagon.

Goed. En goed van mij. Ik kon eigenlijk wel huilen! Maar ik heb niet gehuild. Het leven was vorig jaar moeilijk en de naweeën duren langer dan ik had verwacht, maar ik ben hier en ik ben niet van plan om weg te gaan! Niet eens uit mijn wagon. Ik ben Nederlands.

Den Haag Centraal, 16 januari 2019

 

Leven

We zijn ervan overtuigd dat ons land een vooruitstrevend land is, misschien niet helemaal zoals Zweden, maar toch. Als je alleen al bedenkt dat je al je lasten online kunt betalen, weet je dat je dat niet wilt inruilen voor een land waar je twee dagen in een rij moet staan om je elektriciteitsrekening te voldoen. En toch heb ik momenten dat ik me afvraag in hoeverre deze moderniteit bijdraagt aan het leven. In de Volkskrant las ik het verhaal van Martijn die euthanasie liet plegen vanwege zijn psychische leed. Het raakte me, zoals de dood hoort te raken, ook al is de dode een vreemde.

Martijn was 45 en zijn leven was ondragelijk geworden. ‘Meer leed dan vrolijke momenten,’ zei hij ongeveer. En nog iets: dat hij alles in zwart-wit zag. Het artikel ging deels over hoe moeilijk het als euthanasiepatiënt is om donor te zijn; Martijn wilde zijn organen doneren. Zijn moeder vertelde dat hij hun een cadeau gaf, omdat ze zich geen zorgen meer over hem hoeft te maken.

Dit is het moment om te zeggen dat ik uit een land kom waar je tenminste een paar jaar geleden drie dagen in de rij stond om elektriciteit te betalen, maar dat anders omgaat met de dood en de doodswens. Want de gedachten die na het lezen van het verhaal van Martijn in mij opkwamen, waren – het cynisme daargelaten – ‘opgeruimd staat netjes’. Martijn bestelde twee boeketten bloemen, die na zijn dood bij zijn moeder en zijn ex-vriendin werden bezorgd.

En dat was het ongeveer. Alleen nog het bericht dat de gedoneerde organen waren geaccepteerd door de daardoor geredde lichamen.

Wat ik wil zeggen, is dat de dood in Nederland minder deel uitmaakt van het leven dan ik gewend was in de cultuur waar ik vandaan kom. Het gaat hier heel erg over het leven. Als het over rouwen gaat, gaat het over hoe degene die overblijft met het verlies omgaat. En de dode? Was dat alles? Zijn we niet meer dan ons eigen leed? Als kind gingen we een paar keer per jaar naar het kerkhof om de doden van de familie te herdenken. Mijn oma en mijn moeder huilden bij de graven van overgrootmoeder en betovergrootmoeder en hun vader, ooms en tantes, verre nichtjes. Ze brachten bloemen, verwijderden het onkruid van de graven. Zo’n bezoek duurde urenlang, ik speelde tussen de graven en kreeg tegelijk het gevoel van de eeuwigheid.

En in die eeuwigheid waarvan ik proefde, waren de doden en levenden één. Martijn, mij een vreemde, zag het niet meer zitten en werd geholpen. Het ligt vast aan mijn achtergrond, maar soms gaat de dood sneller dan je in sommige landen de elektriciteitsrekening betaalt.

Den Haag Centraal, 9 januari 2020

 

Aparte kamer

Ik heb de zee aan vuurwerk van het laatste uur van het afgelopen jaar meegemaakt vanuit een vrachtwagen. Een aanrader, want je zit hoog. Zo reden we onder de explosies en soms er middenin. Tegelijk moest ik denken aan mensen met PTSS, na een oorlogservaring, want de onophoudelijke reeks knallen deed mij ook aan loopgraven denken. Maar de hemel met vuurwerksterren was mooi en ik voelde me als op een kermis.
Ik zat in de vrachtwagen, omdat we tot tien voor middernacht spullen van het oude huis naar het nieuwe hadden gesjouwd. Het huis is nu redelijk ingericht, met alles wat we zelf konden vervoeren. We zijn eindelijk verhuisd en daarbij hebben we een spoor als dat van de komeet Halley achter ons gelaten. In ons geval: kapotte vazen, glazen en tijdschriften. Ik werd overrompeld door wanhoop toen ik besefte dat we spullen voor drie levens hebben. Maar om tien voor twaalf namen we snel een douche en daarna openden we net op tijd een fles cava, gekregen van het bedrijf waar we een blokhut hadden gekocht, waarin ik ga schrijven.
Omdat geen professional op korte termijn een tuinhuisje kon monteren, heeft mijn man mijn schuurtje met een vriend van ons in elkaar gezet. Want dit is de filosofie van mijn leven: we hebben een groot huis achtergelaten en we zijn verhuisd naar een nieuwe woning die ons huis moet worden. Maar ik kon niet verhuizen tot ik een plek voor mezelf had: ‘a room of one’s own,’ zoals Virginia Woolf het bijna honderd jaar geleden zei. Een schuur, waarin niet meer dan een tafel, een stoel en een paar boeken passen.
Jezelf afzonderen om die ikke die alleen jij kent te mogen zijn, het meest jij, degene die al een paar weken onder de verhuisomstandigheden lijdt.
Een verhuizing zet je aan het denken; je stelt jezelf vragen die je anders niet tegenkomt. Het pijnlijke moment tijdens de verhuizing was toen ik begreep dat die ruimte voor mezelf ook belangrijker was dan al mijn boeken. Ik heb voorlopig niet meer dan dertig boeken meegenomen, misschien minder. De rest komt later en ik moet er ruimte voor maken. In het oude huis hadden we een bibliotheek, in het nieuwe moet ik mijn boeken verdelen.
Wie ben ik? Wat heb ik nodig om te zijn? Dat zijn de vragen waarmee ik het nieuwe jaar ben begonnen. En ik bedacht dat ik voorlopig nog een jaar heb, een kersvers jaar, om over een antwoord na te denken.

Den Haag Centraal, 3 januari 2020

 

JAREN, HUIZEN

2019 was een kort én een lang jaar. Kort, omdat ik veel dingen snel achter me wilde laten en ik me er midden juni van bewust werd dat het toch redelijk snel ging. Lang, vooral de laatste twee maanden, omdat we niet wisten waar we zouden gaan wonen. Om toch door te kunnen gaan zonder gek te worden, had ik een soort parallel universum opgebouwd met zoveel activiteiten als ik maar kon hebben. Ik deed zoveel dat ik vaak vergat dat we toch weg moesten, dat ons huis moest worden verkocht, dat we door omstandigheden waren genoodzaakt om ergens anders te gaan wonen. Ja, maar waar? Dat was de vraag waarmee ik maandenlang elke nacht naar bed ben gegaan.

Op het moment dat onze krant in uw brievenbus valt en u hem openslaat, hebben wij net getekend voor ons nieuwe huis. Voor mij wordt dit ongeveer huis nummer 42, maar dat maakt niet uit; soms denk ik dat ik de tel kwijt ben. We hebben weer een nest waar we weer met al onze hoop, onze dromen en ons teveel aan spullen intrekken! Op mijn verjaardag kregen we het te horen en hoewel ik mijn verjaardag niet heb gevierd, had ik geen groter cadeau kunnen krijgen.

Nu slaap ik niet meer van opwinding. Hoe zal het zijn? Zal iedereen zijn eigen plek krijgen? Zal ik een plek hebben om te schrijven? Zal iedereen een beetje tevreden zijn? Zal onze oude kat weer te veel verhuizingsstress hebben en daardoor overal gaan plassen? Zal de hond makkelijker naar binnen gaan in het nieuwe huis en niet meer worstelen, zoals bij de vorige verhuizing, toen zijn heup bijna uit de kom ging door het trekken omdat hij het huis niet in wilde?

En de verhuizing is nog niet eens begonnen. Het liefst zou ik morgen al willen verhuizen, maar dat gaat niet.

In het huis waar we nu bijna zes jaar hebben gewoond zullen we toch de kerstboom versieren (die al lang gekocht is, maar niet versierd is, omdat we niet wisten in welk huis we dat zouden doen), luisterend naar kerstliedjes die een geluk en een gezelligheid beloven die niet voor iedereen zijn weggelegd, we nemen twee of drie foto’s als we de piek op de top plaatsen en zoals elk jaar zullen mijn man en ik praten over de eerste kerst en jaarwisseling samen, in ons eerste gezamenlijke huis, of eigenlijk al het tweede, want het hangt ervan af hoe je het bekijkt, et cetera.

Het leven is ingewikkeld, als een onophoudelijke verhuizing.

Ik wens iedereen een dak boven zijn hoofd! Fijne feestdagen allemaal! Tot in het nieuwe jaar!

Den Haag Centraal, 19 december 2019

 

Mos

Het verbaast me hoeveel aandacht de van corruptie verdachte ex-wethouder Richard de Mos in de kranten krijgt. Het AD bijvoorbeeld lijkt niet meer zonder te kunnen. En alles wat in Den Haag gebeurt, ziet de lezer vervolgens door de bril van De Mos. Is er verder niemand in Den Haag die over onze stad kan praten?
Ik vraag me af wat voor journalistiek mechanisme er in beweging is als je een – nogmaals – van corruptie verdachte politicus een megafoon geeft om constant zijn mening te ventileren. Alsof een deel van de pers ‘feels sorry’ dat hij wordt verdacht en hem ruimte geeft. Richard de Mos zus, Richard de Mos zo. Veel aanweziger in de pers dan vóór de verdenkingen. Naar mijn bescheiden mening zou zo’n politicus misschien beter effe een stapje terug kunnen doen, tot duidelijk is dat hij niet corrupt is. Maar nee, Richard de Mos speelt voetbal in de politiek en is een spits, hij stopt niet omdat de scheids hem een rode kaart wil geven. De goal is belangrijker dan de spelregels. De andere door onze stad gekozen politici doen aan andere sporten: ballet, stijldansen, maar het zal me niet verbazen als alle belangrijke beslissingen in Den Haag straks op het voetbalveld worden genomen.
De Mos vindt dat Den Haag verdeeld is, las ik. Misschien heb ik iets gemist, maar als hij dat vindt, wat vinden de andere politici, de wethouders, de burgemeester? Ik moet toegeven dat ik het afgelopen weekend niet te genieten was toen ik in het AD las dat Den Haag verdeeld is, omdat De Mos dat vindt. Straks heten we niet meer Den Haag, maar Ongehoord Den Haag. Is alles wat in Den Haag telt een bijna verdwenen Zwarte Piet en een vuur? Is dat Den Haag? Nee, Den Haag is ook de stad van mensen die drie of vier talen spreken, van studenten die er hun carrière beginnen, van expats die genieten van cultuur, van migranten zoals ik – die me eigenlijk geen migrant meer voel, maar Haagser dan ik ooit Boekarestenaar was – van schrijvers en musici, artiesten, mecenassen, bezitters van mooie huizen en oud geld, huurders, gewone mensen, hun kinderen. Wij denken niet dat je moet schreeuwen om gehoord te worden en zeker niet om de stad in de fik te steken om je goed te voelen.
Maar niet alleen Ongehoord Den Haag speelt met vuur, ook de pers. Kennen kranten het risico dat je loopt als je de spreekbuis van een of andere politicus wordt? Dan heb je geen overzicht meer en verlies je je neutraliteit. Den Haag is een tuin, met bomen, gras en bloemen van alle soorten. Maar je ziet ze niet meer als je alleen naar het mos kijkt.

Den Haag Centraal, 12 december 2019

 

Ongehoord

Alleen al het feit dat een van de gespreksonderwerpen bij kandidaat-omroep ‘Ongehoord Nederland’ pedofilie zou kunnen zijn, doet mijn nekhaartjes overeind staan. Wie zouden de gesprekspartners bij zo’n onderwerp zijn? Hoe kan het dat Nederland bij sommige onderwerpen zo ontspoort? We denken dat we beschaafder zijn dan iedereen, maar als je bedenkt wat voor ideeën in dit land rondzweven, zijn we niet beter dan de taliban.
Nog niet zo lang geleden stond in alle kranten het verhaal over de zoveelste Nederlandse pedofiel, die in een Roemeens dorp een meisje van elf had vermoord nadat hij haar had verkracht. In de Roemeense kranten kon je zelfs satellietbeelden van zijn boerderij in Noord-Brabant zien. De Roemeense politie was hem op het spoor gekomen dankzij camerabeelden en gaf zijn naam vrij. Toen de Nederlandse politie hem vervolgens wilde oppakken, pleegde hij zelfmoord. Ons Nederland staat al bekend als een pedofielenland. Maar het kan ons niet schelen, omdat degenen die dat vinden in onze ogen uit de periferie van Europa komen: Roemenië, Bulgarije, ‘dat soort landen’, waar het leven van een kind niets betekent volgens onze beschaafde normen. Een paar jaar geleden las ik een dagboek van een schrijver die trots beschreef wat hij met kinderen in Thailand deed of wilde doen. Dat boek vond hier een uitgever die het publiceerde!
Wat is er mis met ons land? Geen enkel kind kan normaal opgroeien of een normaal leven hebben na het – al dan niet met instemming – hebben van seks met een volwassene. Dus: zelfs als de helft van het land zich ‘ongehoord’ zou voelen in de wens voor seks met een kind, dan nog moet deze helft ongehoord blijven! Waarom zou iedereen in dit land moeten worden gehoord? In plaats van de schattige aanwinst ‘De meeste mensen deugen’ zou ik juist zeggen dat ik er versteld van sta hoeveel mensen eigenlijk níét deugen! En daarom: geef niet elke debiel een platform! Het feit dat de oprichters van ‘Ongehoord Nederland’ in tweede instantie verklaren dat ze het niet meenden toen ze zeiden dat ze de ontkenners van de Holocaust een platform wilden geven, betekent niet dat ze eigenlijk wel deugen, maar slechts een ‘grap’ maakten! Wie zo’n grap of vergissing maakt, deugt gewoon niet.
Toen ik nog in Boekarest werkte, vertelde mijn toenmalige baas dat Nederlanders de dapperste mensen ter wereld zijn, die hun land zelf hebben gemaakt. Dat ze met helikopters zakken zand aanvoerden om land in het water te maken. Ongehoord!
Misschien was het ooit zo. Tegenwoordig zakken we steeds meer af. Niet in de zee, maar in de shit.

Den Haag Centraal, 5 december 2019

 

Wulfiene

Regelmatig krijg ik de vraag waarom er in Nederland zoveel Oost-Europese vrouwen in de prostitutie zitten. Mijn antwoord is ook door de jaren heen genuanceerd. ‘Omdat prostitutie in Nederland legaal is, denken veel vrouwen dat het zo slecht niet kan zijn,’ is ongeveer het resumé van mijn antwoord aan de bewoners van ons land waar alles mag. Ik moest aan dit antwoord denken toen ik las dat een Haagse (zoals wij) miljonair (niet zoals wij) door een prostituee is gechanteerd. Door een Nederlandse prostituee; een Oost-Europese zou dat hier niet durven, alleen als ze daartoe door haar pooier of loverboy zou worden gedwongen.
Wulfiene, de prostituee (heerlijke naam trouwens, alleen al als je iemand met zo’n naam ontmoet, weet je dat je moet oppassen; des te meer als je haar betaalt voor seks!), heeft onze stadsgenoot tijdens de seks gefilmd en vervolgens, toen ze begreep hoe rijk hij was, gechanteerd. En nu is iedereen verbijsterd dat de heerlijke Wulfiene daar samen met vriend of vrienden het lef voor heeft gehad. Zelfs iets wat in dit land helemaal legaal is zoals prostitutie is gevaarlijk geworden! Maar ditmaal, ongeveer de eerste keer in de geschiedenis, ‘hear, hear!’, gevaarlijk voor de man, voor degene die betaalt! En eerlijk gezegd, als ik iets jammer vind in dit verhaal is het dat Wulfiene niet Lorena Bobbit heet!
Er is ook iets wat mij verbijstert: als prostitutie legaal is, waarom was de miljonair dan chantabel? Hoe kan iets wat legaal is, worden gebruikt voor chantage?, vraag ik me met mijn vrouwenverstand af. Juist! Omdat hij getrouwd was! Wat zielig voor de miljonair, zeg! Dus zelfs miljonairs kunnen niet alles doen in ons land waar alles mag, je kunt zomaar gechanteerd worden! Waarom dan miljonair zijn, als je niet eens op je gemak prostituees mag bezoeken?
En als ik in dit verhaal nog iets jammer vind, is het dat Wulfiene niet Alina of Elena heet. Dat ze niet uit Oost-Europa komt. Dat Elena’s in de prostitutie nog steeds worden gehersenspoeld of gedwongen om een of andere vent te blijven gehoorzamen. Hoeveel van hen dromen niet over een zelfstandig en veilig leven? Hoeveel van hen zullen het krijgen?
De heerlijke Wulfiene zal volgens de Nederlandse wet een straf krijgen. En de miljonair? Niet eens een echtscheiding, niet eens blaam, zijn naam wordt juist beschermd in de pers. Want wet is wet en volgens de wet mag een man prostituees bezoeken, de vrouw die hem seks verkoopt slecht behandelen (‘het was niet altijd even fijn,’ vertelde Wulfiene) en zijn eigen vrouw kwetsen. Een mannelijke wet.

Den Haag Centraal, 29 november 2019

 

Haagse Xena

Vorige week ben ik begonnen met een verdedigingssport die ik nog niet kan benoemen omdat ik zo’n beetje van alles heb gedaan om te kijken wat ik leuk zou vinden. Ik had een proefles.
In mijn groep ben ik de oudste. Voordat de les begint, maakt een meisje haar huiswerk bij de deur. Ik had haar moeder kunnen zijn. Er zitten twee kampioenen in de groep, tegen wie ik een beetje opkijk, aangezien ik, die hun moeder had kunnen zijn, mijn eigen beenbeschermers net nog verkeerd aandeed en bij ‘links’ steevast met rechts sloeg – totdat de coach geduldig zei: ‘En nu de andere links!’
Ik heb de fout gemaakt om een van de meiden mijn leeftijd te vertellen. Ze zette grote ogen op en daarom heb ik besloten om morgen (bij de tweede les) te zeggen dat ik een grap heb gemaakt; als ik zo oud was, zat ik immers niet met meisjes van zestien in dezelfde groep. Toch?
De coach is een heel aardige man die alleen tussen zijn ogen niet is getatoeëerd. Hij spreekt plathaags en af en toe fokt hij me op: ‘Ga je nu echt hard slaan?’ Hij draagt geen beenbeschermers en ik ben bang dat ik te hard zal schoppen. ‘Ik kan het wel hebben,’ zegt hij. ‘Denk aan waarom je wilt leren vechten!’ Een beetje verrast kijkt hij vervolgens naar me: ‘Dit is het! Je kunt dus slaan! Nog een keer!’
En dan sla ik, vaak met rechts als het met links moet en andersom, maar ik sla. Mijn lichaam trilt. Ik ben opgefokt.
Ik vertel hem dat ik me wil leren beschermen, omdat ik ’s avonds vaak op straat ben. Ik trap de coach richting zijn ballen. Daar draagt hij wel een beschermer. ‘En als de klootzak mijn been pakt als ik hem trap?’, vraag ik. ‘Dan sla je met links in zijn gezicht,’ zegt de coach en hij wijst naar mijn rechterhand.
‘Wat kun je nog doen in zo’n situatie?’ vraag ik.
Hij kijkt me serieus aan. ‘Maak lawaai! Schreeuw! Gooi met een steentje tegen het eerste het beste raam dat je ziet!’
‘En als…? En als…?’, vraag ik. Maar de vragen worden minder, het slaan wordt beter.
Ik kijk naar de meisjes om me heen, in de ring: jong, met hun dromen intact. Ze kunnen tenminste slaan. Mijn polsen doen pijn, mijn knieën ook. Maar de meeste pijn doet de gedachte aan zoveel vrouwelijke slachtoffers die zich niet konden verdedigen en vrouwen die verstenen van angst als iemand hen aanvalt.
‘Kom je de volgende keer ook?’, vraagt de coach. Te moe om mijn mond open te doen knik ik.
Ik kan niet wachten.

Den Haag Centraal, 21 november 2019

 

Slechte huwelijken

Het gedoe met geweld en het verstoren van de bijeenkomst van de anti-Zwarte Piet-actiegroep heeft veel weg van een slecht huwelijk. Het wordt erger tijdens de feestdagen. Hoeveel huwelijken worden niet op de proef gesteld tijdens vakanties en feestdagen? Hoeveel huwelijken stranden niet na een vakantie of ergens in januari, als het al niet gelijk met kerst is? Stel je voor dat je je schoonmoeder niet kunt verdragen en dat je naarmate december nadert, steeds opgefokter raakt. Nog een kerst met haar! Wat doe je? Helaas kun je geen commissie regelen, geen anti-witteschoonmoedercommissie, maar het dreigt uit de hand te lopen. Je bent goed ingeburgerd in het land van je schoonmoeder en je claimt rust met de feestdagen. Het wordt je niet gegund, want ‘je overdrijft’, zoals de beschermers van Zwarte Piet menen.
Zwarte Piet is een oud-Hollandse traditie en de witte kindertjes kunnen niet in de steek worden gelaten. Dan merk je dat je niet begrepen wordt, dat je pijn, de oude en de nieuwe, niet serieus wordt genomen. Oude wonden worden opnieuw geopend. Je hoopte dat je uit de rij vrouwen die hun schoonmoeder hun hele leven moeten verdragen kon stappen, lees: uit de lange rij mensen wier families veel meer dan een schoonmoeder hadden te verduren. Slavernij. Vernedering, honger, gevangenschap, geen kansen, geen toekomst, geen beslissingen over eigen lichaam en leven. Toen ik ging scheiden, zeiden veel van mijn Nederlandse vriendinnen dat zij het nooit zo lang hadden volgehouden. Dat je in Nederland gaat scheiden als je in je huwelijk niet gelukkig bent en dat je een betere man gaat zoeken. Dat een Nederlandse vrouw dat meteen zou hebben gedaan. Maar je mag niet uit het slechte huwelijk met zo’n controversiële traditie stappen, want ja, wat doe je met de witte kindertjes?
Het is allang duidelijk dat dit huwelijk tussen Zwarte Piet-aanhangers en niet-witte mensen wankelt, zeker aan één kant. Waarom dan zo’n primitieve reactie, Den Haag? In welke taal moet het je worden uitgelegd dat Zwarte Piet veel mensen pijn doet? Op welke manier moet het worden uitgelegd, op welk niveau?
Met een schoonmoeder heb je nog geluk, je kunt met kerst nog blaasontsteking of een besmettelijke ziekte uit je eigen land krijgen, maar wat doe je met een heel land? Een huwelijk kan makkelijk worden ontbonden, en zo niet, gaat de schoonmoeder nog meestal eerder dood dan jijzelf, maar wat doe je met de geschiedenis? Hoeveel generaties moeten lijden tot we allemaal tot een akkoord komen? Wanneer zal de pijn worden erkend? Wat als een van de partners al jaren ‘pijn!’ schreeuwt?

Den Haag Centraal, 14 november 2019

Huis

Ons ex-droomhuis staat nog steeds te koop. Twee weken lang poetsen en alles tiptop maken vond ik wel genoeg, na twee weken wilde ik me toch in iets anders specialiseren. Inmiddels geniet ik al twee maanden van een bijna té schoon huis. De flux bezoekers stabiliseert zich en we lopen niet meer de hele dag met de hond buiten omdat een huis zonder hond kennelijk makkelijker wordt verkocht.
In de eerste week kregen wij zelf nieuwsgierige mensen aan de deur, buiten de door de makelaar geregelde afspraken om. Zo wilde ik een keer het vuilnis wegbrengen toen een stem zei: “Weet u waar de eigenaar van het huis is?”
Ik keek waar de stem precies vandaan kwam. Ik stond op de veranda, hij eronder, we stonden als Romeo en Julia. “Wat wilt u de eigenaren vragen?,” vroeg ik geïnteresseerd. “Ik ben ook eigenaar,” lette ik op mijn woorden. “O, ik dacht dat u de werkster was,” zei Romeo, en ik vond het niet eens gek, omdat ik na twee weken kon poetsen als een prof. Ik stond daar met de vuilniszak in mijn handen, liet hem los en kwam nu dichter bij de balustrade om Romeo beter te zien.
Hij deed hetzelfde, hoewel ik denk dat niet zozeer zijn oog, als wel zijn oor heel goed was: “Ben je Poolse?,” vroeg hij. En ik bedacht dat wat geen makelaar nog was gelukt, deze Poolse werkster misschien wel zou lukken: het huis verkopen vanaf de veranda.
Romeo was belegger, en niet zomaar één. Op de hoek van de straat stond zijn wagen fout geparkeerd: ‘Glazenwasserij Willem’. De Poolse werkster die ik was, zei met haar Poolse accent dat ze ervan overtuigd was dat kamerverhuur hier mogelijk was en ze verwees naar een aantal documenten die ze dacht te kennen. Willem Romeo leek onder de indruk van mijn kennis en wilde het interieur ter plekke, zonder afspraak, zien. Wie weet, misschien zou hij het meteen kopen, dacht ik enthousiast, trots op mijn accent en op mijn van-de-veranda-overtuigingskracht.
Op het laatste moment, toen de man al bijna bij de deur was, belde ik mijn eigen Romeo, die nooit erg onder de indruk was van de klassieken en die Willem de glazenwasser uitdrukkelijk naar de makelaar verwees: bezichtigingen alleen op afspraak. Willem leek niet beledigd, alleen een beetje teleurgesteld. Ik weet niet of hij een afspraak heeft gemaakt, maar zeker is dat hij het huis niet heeft gekocht. Hij niet, en ook geen van de andere kijkers. Ik leef mee met de Turken op de markt die achter de Nederlanders fluisteren: ‘Kijken, kijken, niet kopen!’ Alleen zeg ik het met een sterk Pools accent.

Den Haag Centraal, 7 november 2019

 

Thuis

Ik heb begrepen dat als je hertrouwt met een ander, je tenminste in het begin van het tweede huwelijk bij elke kus, vrijpartij of een bezoek aan schoonouders aan je eerste man denkt. Onwillekeurig. Hetzelfde doe ik ook, maar dan met mijn landen. En hoewel ik mijn hart aan het eerste heb gegeven, ben ik tot de dood ons scheidt getrouwd met het tweede, Nederland. Maar het land dat mijn hart brak, zit nog in de scherven. En wanneer ik mijn geboorteland bezoek, verklaar ik elke dag van dat bezoek meer mijn liefde aan mijn tweede land.
Vooral in december, de maand van de Roemeense Revolutie. Dan ben ik closer dan ooit met mijn adoptieland, waar ik meer rust, kracht en ook wat begrip heb gevonden. Waar ik geen kogelgaten in de muren van gebouwen ken, waar ik geen kruizen van doden op straat zie, waar de geschiedenis geen ‘Lord of the Rings’-film lijkt en waar ‘orks’ niet bestaan, niet eens in Madame Tussauds. Onze geschiedenis vloeit als de Vliet naast mijn huis en o, wat ben ik daar dankbaar voor! Wat ben ik ons Den Haag, dat soms een dorp lijkt, dankbaar, ons Den Haag waar je na acht uur ’s avonds vaak niemand meer op straat ziet, op veel plekken in ieder geval. Wat ben ik onze ganzen, eenden en zwanen langs de Vliet dankbaar, onze fietsers die voetgangers nooit voorrang geven, onze langzame trams die om middernacht de slaap van de ganzen verstoren, onze geometrische, soms saaie, maar altijd groene tuinen, onze rustige files zonder veel getoeter. Zelfs de boeren op hun enorme tractors die ik twee weken geleden vanuit mijn raam zag, lijken niet meer zo lomp als je ze vanuit Boekarest bekijkt, zoals ik nu doe, zittend aan een tafeltje in een restaurant dat ‘La mama’ heet.
Onze politieke blunders lijken slechts inkt in vergelijking met het bloedbad van de Omwenteling in mijn geboorteland en onze politici – och, wat zal ik volgende week spijt hebben dat ik dit zeg, maar toch – lijken Sneeuwwitjes als je ze beziet naast de ‘orks’ die in Roemenië het systeem vasthielden of nog steeds vasthouden.
Omdat ik in Boekarest beroerd word van de Roemeense tv, kijk ik de laatste nachten van mijn verblijf Netflix op mijn laptop. De serie waar ik thuis aan begonnen was. Thuis. Waar ik, ondanks het drukke leven, aandacht voor de eenden kan hebben, thuis, waar mijn buurman mij nooit groet – maar hij zal me ook nooit aan de geheime dienst verklikken. Thuis, waar alles milder, saaier en geroutineerd is. In mijn tweede huwelijk, met een land dat verre van perfect is, maar waar we in december geen door je eigen land vermoorde familieleden herdenken.

Den Haag Centraal, 31 oktober 2019

 

Taal en politiek

Er zijn veel boeken geschreven over de relatie tussen macht en taal. Een deel daarvan gaat specifieker in op de verhouding tussen politiek en taal. Er blijken talen te zijn die als een voet van een geisha in het politieke systeem zitten en talen die tot op het bot door de politieke macht zijn misbruikt.
Misschien denkt u bij dat laatste dat zo’n verschijnsel ver van ons Nederlandse bed is, maar helaas kan elke taal op een bepaald moment in de geschiedenis ernstig worden misbruikt.
Drie jaar na de dood van Pim Fortuyn kwam ik naar Nederland, ik heb hem niet levend meegemaakt, maar zijn taal wel. Nog voordat ik zijn boodschap begreep, had ik al door dat die man zijn taal kende. De NT2-beginner die ik toen was, genoot van zijn taal. Toen ik ook zijn boodschap begreep, nam mijn bewondering voor zijn taalgebruik drastisch af.
In de neppe taal van Baudet zou ik nooit trappen, hoe gevoelig ik ook voor de echte Minerva en de echte boreale wereld zou zijn. Er zijn al veel pogingen gedaan om zijn taal te ontcijferen (maar ik denk dat het onderzoek van andere aard zou moeten zijn). Maar toch, weer iemand die de taal, al dan niet van hoog niveau, misbruikt. Zo ver van ons bed is het verschijnsel dus niet. En dan heb je ex-wethouder Richard de Mos in Den Haag. Verdacht van corruptie en daardoor heel aanwezig in de pers. Sinds de laatste film met de Dikke en de Dunne heb ik niet meer zo echt om een personage gelachen: net zo enig als dat komische duo. En ook pianist, zoals Baudet. Alleen gaat hij niet verder dan het melodietje van ‘GTST’. Maar zijn taal, oh, ik was meteen fan! In een interview in het AD zei De Mos onlangs dat hij onschuldig is en dat geloofde ik meteen, want ik wilde me alleen op zijn taal concentreren. Ondanks de verdenking van vriendjespolitiek gelooft hij ‘in goede contacten’. En ‘we zijn van het niet lullen, maar regelen’. De hele dag na het lezen van het interview heb ik dat lopen neuriën in huis.
‘Ik word hier nu veroordeeld omdat ik een vriend heb!’ Of: ‘Ik doe het allemaal voor de stad, voor de mensen.’ Richard de Mos is geen Proust, maar zijn hart heeft hij op zijn tong. Mijn favoriete was: ‘Ik heb geen eurocent in mijn zak gestopt, ik heb geen penthouse. Ik rijd een oude Scénic uit 2005, die meubels komen allemaal van de Kringloop, bij wijze van spreken.’ We zitten goed. De Nederlandse taal is bij Richard de Mos niet in gevaar. Als er morgen verkiezingen zouden zijn, zou ik op hem stemmen. Bij wijze van spreken.

Den Haag Centraal, 24 oktober 2019

 

Wachten
45 jaar hebben de Roemenen gewacht op de Amerikanen. Maar ze kwamen niet. De Roemenen wisten toen nog niet dat was afgesproken, dat ze in de klauwen van de Russen moesten worstelen. Er wordt gezegd dat Churchill spijt kreeg van de Jalta-afspraak en het papiertje wilde verscheuren waarop de Amerikanen, Britten en Russen de wereld opnieuw hadden ingedeeld, maar dat vadertje Stalin goed bewaarde.
De Amerikanen kwamen niet omdat ze volgens afspraak iets beters hadden te doen. En dertig jaar nadat de Roemenen inzagen dat de Amerikanen echt niet meer kwamen, zitten de Koerden op de Amerikanen te wachten en hebben zij weer iets anders te doen.
Het verschil tussen toen en nu is dat Donald, zoals onze Mark hem noemt, er geen geheim van maakt. Hij twittert, zodat iedereen op de hoogte is en niemand – ik bedoel geen Koerd – meer aan de Amerikaanse radiozenders zit gekluisterd, in tegenstelling tot de Roemenen en Bulgaren destijds. Van de Amerikanen komt de redding niet. Alea iacta est, de teerling is geworpen. Again. De Koerden zijn dus niet de eersten die door de Amerikanen in de steek worden gelaten.
Het verbaast me wel dat Disney tot nu toe geen film heeft aangekondigd over een lompe, moderne Gulliver, geobsedeerd door een nieuw spel dat Twitter heet, die in zijn lompheid op de Lilliputters – lees: Koerden – dreigt te stappen. ‘Nee’ tegen het klimaat, ‘nee’ tegen de Koerden, is er nog iemand in de wereld die rekent op Amerika? Ons kikkerlandje wist tot nu toe niet anders dan dat je moest geloven in Amerika. Maar onze Mark zou vaker ‘nee’ tegen Donald moeten zeggen en wij zouden niet meer alles moeten slikken wat door Amerika wordt voorgekauwd. Amerika zal nooit meer het leiderschap in de wereld hebben, zelfs Nederland begint dat in te zien. We raken verdeeld, afhankelijk van onze nationaliteiten. Als je niet in Nederland bent geboren, kijk je al anders naar Amerika. Koerden in Nederland reageren geschrokken op de tweet van Donald. En dan heb je nog de Turken met twee paspoorten, een van de obsessies van Wilders, die Turkije ‘great again’ willen maken, het liefst vanuit Rotterdam. Bedreigingen van Turken tegen Koerden, klachten van Koerden tegen Turken. Donald is dit jaar vroeg met vuurwerk begonnen. De internationale politiek is een zootje en die typisch Nederlandse vraag midden in de discussies over wat er nu met de Koerden gebeurt, vind ik ineens niet meer zo absurd. Integendeel, zij werpt een licht in het donker: ‘Is het nog wel veilig om naar Turkije op vakantie te gaan?’
Den Haag Centraal, 17 oktober 2019

Krikke
Wat heeft Halsema wel en Krikke niet? Hoe zou Den Haag hebben gereageerd als de hypothetische zoon van Krikke een inbraak had gepleegd en had gezwaaid met een pistool (van zijn vader)? We weten het niet, maar ik heb zo’n vermoeden. Want het is niet zozeer dat Krikke Halsema niet is, als wel dat Amsterdam Den Haag niet is. Den Haag is Den Haag en je kunt hier niet met je labrador over het Lange Voorhout wandelen en tegelijk de hoogste beslissingen voor de stad nemen. Den Haag heeft zijn eigen regels, zijn eigen ‘men in black’, fouten zoals die van Krikke kun je niet zomaar maken. Hoe ze vorig jaar op de ‘verwarde man met mes’ had moeten reageren? In de ogen van half Den Haag had ze de ballen moeten hebben om hem ‘terrorist’ te noemen. Hoe de andere helft van de stad daarop zou hebben gereageerd vragen we ons niet af, want de meeste journalisten in Nederland behoren tot de helft die de aanduiding ‘terrorist’ zou hebben gekozen. Was Krikke soms te snel, soms te traag, zoals de kranten schrijven? Had ze altijd mot met iedereen en overal? De burgers zeggen van niet, ze vonden haar juist toegankelijk, alleen het gemeentelijk apparaat kon niet aan haar wennen. En hoewel ze niet daarom is opgestapt, omdat ze niet met haar eigen mensen door dezelfde deur kon, waren die kleine interne aardbevingen schadelijker dan een heel Scheveningen in de fik. Hoe groot is de kans dat degene die weggaat vertrekt omdat hij of zij niet ‘past’ in zo’n bijenkorf als de gemeente Den Haag, met haar ongeschreven regels en banen voor het leven? De fout van Krikke was dat ze niet in die gemeentelijke Haagse bijenkorf paste. Fouten hebben ook haar voorgangers gemaakt en haar opvolgers zullen ook fouten maken. Maar die zullen misschien geen gemeentesecretaris hebben die weggaat omdat hij zijn ‘ei niet kan leggen’ en geen adviseurs die beter naar de grote jongens luisteren dan naar een vrouw die haar hond meeneemt naar haar werk. Want dat was eigenlijk de fout van Krikke? Ze heeft Den Haag onderschat; ze had geen idee dat Den Haag een stad van de grote jongens is. Grote jongens die nooit met hun labrador zouden wandelen, niet omdat ze er geen hebben, maar uit andere overwegingen. Want hoe zou een grote jongen tijd kunnen maken om met een hond te wandelen, vooral als er geen verkiezingstijd is? Wat zouden de andere grote jongens daarvan vinden?
Omdat ik griep heb, zit ik Netflix te kijken in bed: ‘Marseille’, the battle voor de gemeente Marseille. Oude trucjes, vieze trucjes, nergens een hond. Mijn conclusie: Den Haag heeft veel meer weg van Marseille dan van Arnhem.
Den Haag Centraal, 10 oktober 2019

Meiden
Ik weet niet of iedereen weet hoe druk de tieners van tegenwoordig het hebben, maar het is echt indrukwekkend: van maandag tot en met vrijdag naar school, plus veel extra activiteiten, in het weekend ook activiteiten, én werken. Echt werken. Kinderen die op hun 15de, 16de, 17de werken bij de Appie, Kruidvat, in een bakkerij of in een café. Echt Nederlands is dat. En het is iets waar ik toch wel een beetje moeite mee heb. Een zomerbaantje begrijp ik wel, maar een weekendbaantje is voor mij een beetje te veel van het goede: goede cijfers moeten halen, af en toe een boek moeten lezen, al die extra activiteiten moeten ondernemen en ’s zaterdags ook nog eens acht uur in een café of zo staan? Dan ben je ’s zondags kapot en begin je de schoolweek al moe.
Ik denk eigenlijk aan al die meisjes die vanaf hun derde vioolspelen, of piano, school serieus nemen, soms veel te serieus, angstig zijn voor toetsen, niet slapen in de toetsweek, en in het algemeen hun uiterste best doen. Hoe komt het dat zovelen van hen een aantal jaren later parttime werken en geen belangrijke bedrijven runnen? Op hun 15de kunnen ze alle ballen al in de lucht houden; waarom hebben zoveel vrouwen in Nederland dan uiteindelijk toch een parttimejob? Wat verandert er in de transitie van meisje naar vrouw? Wat temt hun ambitie? Parttime werken is voor mij iets typisch Nederlands, zeker iets westers. Toen ik opgroeide in mijn land van herkomst was de vrouw geen ‘partner’, maar een ‘kameraad’. Het wemelde van de vrouwen op bouwplaatsen, eigenlijk wemelde het van de vrouwen in alle beroepen waarin je meer mannen zou verwachten. En ze deden het goed. Dat dat de politiek van de Communistische-Partij was, is een ander verhaal.
Hier zie ik overal slimme meiden, pienter, verantwoordelijk, hardwerkend, op school en buiten school. Ze begrijpen het leven maar al te goed en hebben vaak een betere kijk op zaken die mijn eigen generatie, de generatie van hun ouders, vermeed of niet snapte. Ik neem aan dat ze fantastische banen zullen krijgen, want ze leren van alles: op school over de wereld waarin ze leven, op zaterdag over de verantwoordelijkheid van een baan, geld et cetera. Hebben ze grote dromen? Ik neem aan van wel, anders zouden ze niet zo hun best doen. Waar zullen ze over tien of vijftien jaar staan? Wat voor posities zullen ze bekleden in de maatschappij? Hoeveel van deze verantwoordelijke, drukke, intelligente meiden die je op zaterdag koffie serveren in een café zullen over twintig jaar een parttimejob hebben, en soms op vrijdag een ladies night? Ik weet het niet, maar ik houd mijn hart vast.
Den Haag Centraal, 3 oktober 2019

Meer lezen? Zie Archief blog 2013-2019