Blog

Huis

Ons ex-droomhuis staat nog steeds te koop. Twee weken lang poetsen en alles tiptop maken vond ik wel genoeg, na twee weken wilde ik me toch in iets anders specialiseren. Inmiddels geniet ik al twee maanden van een bijna té schoon huis. De flux bezoekers stabiliseert zich en we lopen niet meer de hele dag met de hond buiten omdat een huis zonder hond kennelijk makkelijker wordt verkocht.
In de eerste week kregen wij zelf nieuwsgierige mensen aan de deur, buiten de door de makelaar geregelde afspraken om. Zo wilde ik een keer het vuilnis wegbrengen toen een stem zei: “Weet u waar de eigenaar van het huis is?”
Ik keek waar de stem precies vandaan kwam. Ik stond op de veranda, hij eronder, we stonden als Romeo en Julia. “Wat wilt u de eigenaren vragen?,” vroeg ik geïnteresseerd. “Ik ben ook eigenaar,” lette ik op mijn woorden. “O, ik dacht dat u de werkster was,” zei Romeo, en ik vond het niet eens gek, omdat ik na twee weken kon poetsen als een prof. Ik stond daar met de vuilniszak in mijn handen, liet hem los en kwam nu dichter bij de balustrade om Romeo beter te zien.
Hij deed hetzelfde, hoewel ik denk dat niet zozeer zijn oog, als wel zijn oor heel goed was: “Ben je Poolse?,” vroeg hij. En ik bedacht dat wat geen makelaar nog was gelukt, deze Poolse werkster misschien wel zou lukken: het huis verkopen vanaf de veranda.
Romeo was belegger, en niet zomaar één. Op de hoek van de straat stond zijn wagen fout geparkeerd: ‘Glazenwasserij Willem’. De Poolse werkster die ik was, zei met haar Poolse accent dat ze ervan overtuigd was dat kamerverhuur hier mogelijk was en ze verwees naar een aantal documenten die ze dacht te kennen. Willem Romeo leek onder de indruk van mijn kennis en wilde het interieur ter plekke, zonder afspraak, zien. Wie weet, misschien zou hij het meteen kopen, dacht ik enthousiast, trots op mijn accent en op mijn van-de-veranda-overtuigingskracht.
Op het laatste moment, toen de man al bijna bij de deur was, belde ik mijn eigen Romeo, die nooit erg onder de indruk was van de klassieken en die Willem de glazenwasser uitdrukkelijk naar de makelaar verwees: bezichtigingen alleen op afspraak. Willem leek niet beledigd, alleen een beetje teleurgesteld. Ik weet niet of hij een afspraak heeft gemaakt, maar zeker is dat hij het huis niet heeft gekocht. Hij niet, en ook geen van de andere kijkers. Ik leef mee met de Turken op de markt die achter de Nederlanders fluisteren: ‘Kijken, kijken, niet kopen!’ Alleen zeg ik het met een sterk Pools accent.

Den Haag Centraal, 7 november 2019

 

Thuis

Ik heb begrepen dat als je hertrouwt met een ander, je tenminste in het begin van het tweede huwelijk bij elke kus, vrijpartij of een bezoek aan schoonouders aan je eerste man denkt. Onwillekeurig. Hetzelfde doe ik ook, maar dan met mijn landen. En hoewel ik mijn hart aan het eerste heb gegeven, ben ik tot de dood ons scheidt getrouwd met het tweede, Nederland. Maar het land dat mijn hart brak, zit nog in de scherven. En wanneer ik mijn geboorteland bezoek, verklaar ik elke dag van dat bezoek meer mijn liefde aan mijn tweede land.
Vooral in december, de maand van de Roemeense Revolutie. Dan ben ik closer dan ooit met mijn adoptieland, waar ik meer rust, kracht en ook wat begrip heb gevonden. Waar ik geen kogelgaten in de muren van gebouwen ken, waar ik geen kruizen van doden op straat zie, waar de geschiedenis geen ‘Lord of the Rings’-film lijkt en waar ‘orks’ niet bestaan, niet eens in Madame Tussauds. Onze geschiedenis vloeit als de Vliet naast mijn huis en o, wat ben ik daar dankbaar voor! Wat ben ik ons Den Haag, dat soms een dorp lijkt, dankbaar, ons Den Haag waar je na acht uur ’s avonds vaak niemand meer op straat ziet, op veel plekken in ieder geval. Wat ben ik onze ganzen, eenden en zwanen langs de Vliet dankbaar, onze fietsers die voetgangers nooit voorrang geven, onze langzame trams die om middernacht de slaap van de ganzen verstoren, onze geometrische, soms saaie, maar altijd groene tuinen, onze rustige files zonder veel getoeter. Zelfs de boeren op hun enorme tractors die ik twee weken geleden vanuit mijn raam zag, lijken niet meer zo lomp als je ze vanuit Boekarest bekijkt, zoals ik nu doe, zittend aan een tafeltje in een restaurant dat ‘La mama’ heet.
Onze politieke blunders lijken slechts inkt in vergelijking met het bloedbad van de Omwenteling in mijn geboorteland en onze politici – och, wat zal ik volgende week spijt hebben dat ik dit zeg, maar toch – lijken Sneeuwwitjes als je ze beziet naast de ‘orks’ die in Roemenië het systeem vasthielden of nog steeds vasthouden.
Omdat ik in Boekarest beroerd word van de Roemeense tv, kijk ik de laatste nachten van mijn verblijf Netflix op mijn laptop. De serie waar ik thuis aan begonnen was. Thuis. Waar ik, ondanks het drukke leven, aandacht voor de eenden kan hebben, thuis, waar mijn buurman mij nooit groet – maar hij zal me ook nooit aan de geheime dienst verklikken. Thuis, waar alles milder, saaier en geroutineerd is. In mijn tweede huwelijk, met een land dat verre van perfect is, maar waar we in december geen door je eigen land vermoorde familieleden herdenken.

Den Haag Centraal, 31 oktober 2019

 

Taal en politiek

Er zijn veel boeken geschreven over de relatie tussen macht en taal. Een deel daarvan gaat specifieker in op de verhouding tussen politiek en taal. Er blijken talen te zijn die als een voet van een geisha in het politieke systeem zitten en talen die tot op het bot door de politieke macht zijn misbruikt.
Misschien denkt u bij dat laatste dat zo’n verschijnsel ver van ons Nederlandse bed is, maar helaas kan elke taal op een bepaald moment in de geschiedenis ernstig worden misbruikt.
Drie jaar na de dood van Pim Fortuyn kwam ik naar Nederland, ik heb hem niet levend meegemaakt, maar zijn taal wel. Nog voordat ik zijn boodschap begreep, had ik al door dat die man zijn taal kende. De NT2-beginner die ik toen was, genoot van zijn taal. Toen ik ook zijn boodschap begreep, nam mijn bewondering voor zijn taalgebruik drastisch af.
In de neppe taal van Baudet zou ik nooit trappen, hoe gevoelig ik ook voor de echte Minerva en de echte boreale wereld zou zijn. Er zijn al veel pogingen gedaan om zijn taal te ontcijferen (maar ik denk dat het onderzoek van andere aard zou moeten zijn). Maar toch, weer iemand die de taal, al dan niet van hoog niveau, misbruikt. Zo ver van ons bed is het verschijnsel dus niet. En dan heb je ex-wethouder Richard de Mos in Den Haag. Verdacht van corruptie en daardoor heel aanwezig in de pers. Sinds de laatste film met de Dikke en de Dunne heb ik niet meer zo echt om een personage gelachen: net zo enig als dat komische duo. En ook pianist, zoals Baudet. Alleen gaat hij niet verder dan het melodietje van ‘GTST’. Maar zijn taal, oh, ik was meteen fan! In een interview in het AD zei De Mos onlangs dat hij onschuldig is en dat geloofde ik meteen, want ik wilde me alleen op zijn taal concentreren. Ondanks de verdenking van vriendjespolitiek gelooft hij ‘in goede contacten’. En ‘we zijn van het niet lullen, maar regelen’. De hele dag na het lezen van het interview heb ik dat lopen neuriën in huis.
‘Ik word hier nu veroordeeld omdat ik een vriend heb!’ Of: ‘Ik doe het allemaal voor de stad, voor de mensen.’ Richard de Mos is geen Proust, maar zijn hart heeft hij op zijn tong. Mijn favoriete was: ‘Ik heb geen eurocent in mijn zak gestopt, ik heb geen penthouse. Ik rijd een oude Scénic uit 2005, die meubels komen allemaal van de Kringloop, bij wijze van spreken.’ We zitten goed. De Nederlandse taal is bij Richard de Mos niet in gevaar. Als er morgen verkiezingen zouden zijn, zou ik op hem stemmen. Bij wijze van spreken.

Den Haag Centraal, 24 oktober 2019

 

Wachten
45 jaar hebben de Roemenen gewacht op de Amerikanen. Maar ze kwamen niet. De Roemenen wisten toen nog niet dat was afgesproken, dat ze in de klauwen van de Russen moesten worstelen. Er wordt gezegd dat Churchill spijt kreeg van de Jalta-afspraak en het papiertje wilde verscheuren waarop de Amerikanen, Britten en Russen de wereld opnieuw hadden ingedeeld, maar dat vadertje Stalin goed bewaarde.
De Amerikanen kwamen niet omdat ze volgens afspraak iets beters hadden te doen. En dertig jaar nadat de Roemenen inzagen dat de Amerikanen echt niet meer kwamen, zitten de Koerden op de Amerikanen te wachten en hebben zij weer iets anders te doen.
Het verschil tussen toen en nu is dat Donald, zoals onze Mark hem noemt, er geen geheim van maakt. Hij twittert, zodat iedereen op de hoogte is en niemand – ik bedoel geen Koerd – meer aan de Amerikaanse radiozenders zit gekluisterd, in tegenstelling tot de Roemenen en Bulgaren destijds. Van de Amerikanen komt de redding niet. Alea iacta est, de teerling is geworpen. Again. De Koerden zijn dus niet de eersten die door de Amerikanen in de steek worden gelaten.
Het verbaast me wel dat Disney tot nu toe geen film heeft aangekondigd over een lompe, moderne Gulliver, geobsedeerd door een nieuw spel dat Twitter heet, die in zijn lompheid op de Lilliputters – lees: Koerden – dreigt te stappen. ‘Nee’ tegen het klimaat, ‘nee’ tegen de Koerden, is er nog iemand in de wereld die rekent op Amerika? Ons kikkerlandje wist tot nu toe niet anders dan dat je moest geloven in Amerika. Maar onze Mark zou vaker ‘nee’ tegen Donald moeten zeggen en wij zouden niet meer alles moeten slikken wat door Amerika wordt voorgekauwd. Amerika zal nooit meer het leiderschap in de wereld hebben, zelfs Nederland begint dat in te zien. We raken verdeeld, afhankelijk van onze nationaliteiten. Als je niet in Nederland bent geboren, kijk je al anders naar Amerika. Koerden in Nederland reageren geschrokken op de tweet van Donald. En dan heb je nog de Turken met twee paspoorten, een van de obsessies van Wilders, die Turkije ‘great again’ willen maken, het liefst vanuit Rotterdam. Bedreigingen van Turken tegen Koerden, klachten van Koerden tegen Turken. Donald is dit jaar vroeg met vuurwerk begonnen. De internationale politiek is een zootje en die typisch Nederlandse vraag midden in de discussies over wat er nu met de Koerden gebeurt, vind ik ineens niet meer zo absurd. Integendeel, zij werpt een licht in het donker: ‘Is het nog wel veilig om naar Turkije op vakantie te gaan?’
Den Haag Centraal, 17 oktober 2019

Krikke
Wat heeft Halsema wel en Krikke niet? Hoe zou Den Haag hebben gereageerd als de hypothetische zoon van Krikke een inbraak had gepleegd en had gezwaaid met een pistool (van zijn vader)? We weten het niet, maar ik heb zo’n vermoeden. Want het is niet zozeer dat Krikke Halsema niet is, als wel dat Amsterdam Den Haag niet is. Den Haag is Den Haag en je kunt hier niet met je labrador over het Lange Voorhout wandelen en tegelijk de hoogste beslissingen voor de stad nemen. Den Haag heeft zijn eigen regels, zijn eigen ‘men in black’, fouten zoals die van Krikke kun je niet zomaar maken. Hoe ze vorig jaar op de ‘verwarde man met mes’ had moeten reageren? In de ogen van half Den Haag had ze de ballen moeten hebben om hem ‘terrorist’ te noemen. Hoe de andere helft van de stad daarop zou hebben gereageerd vragen we ons niet af, want de meeste journalisten in Nederland behoren tot de helft die de aanduiding ‘terrorist’ zou hebben gekozen. Was Krikke soms te snel, soms te traag, zoals de kranten schrijven? Had ze altijd mot met iedereen en overal? De burgers zeggen van niet, ze vonden haar juist toegankelijk, alleen het gemeentelijk apparaat kon niet aan haar wennen. En hoewel ze niet daarom is opgestapt, omdat ze niet met haar eigen mensen door dezelfde deur kon, waren die kleine interne aardbevingen schadelijker dan een heel Scheveningen in de fik. Hoe groot is de kans dat degene die weggaat vertrekt omdat hij of zij niet ‘past’ in zo’n bijenkorf als de gemeente Den Haag, met haar ongeschreven regels en banen voor het leven? De fout van Krikke was dat ze niet in die gemeentelijke Haagse bijenkorf paste. Fouten hebben ook haar voorgangers gemaakt en haar opvolgers zullen ook fouten maken. Maar die zullen misschien geen gemeentesecretaris hebben die weggaat omdat hij zijn ‘ei niet kan leggen’ en geen adviseurs die beter naar de grote jongens luisteren dan naar een vrouw die haar hond meeneemt naar haar werk. Want dat was eigenlijk de fout van Krikke? Ze heeft Den Haag onderschat; ze had geen idee dat Den Haag een stad van de grote jongens is. Grote jongens die nooit met hun labrador zouden wandelen, niet omdat ze er geen hebben, maar uit andere overwegingen. Want hoe zou een grote jongen tijd kunnen maken om met een hond te wandelen, vooral als er geen verkiezingstijd is? Wat zouden de andere grote jongens daarvan vinden?
Omdat ik griep heb, zit ik Netflix te kijken in bed: ‘Marseille’, the battle voor de gemeente Marseille. Oude trucjes, vieze trucjes, nergens een hond. Mijn conclusie: Den Haag heeft veel meer weg van Marseille dan van Arnhem.
Den Haag Centraal, 10 oktober 2019

Meiden
Ik weet niet of iedereen weet hoe druk de tieners van tegenwoordig het hebben, maar het is echt indrukwekkend: van maandag tot en met vrijdag naar school, plus veel extra activiteiten, in het weekend ook activiteiten, én werken. Echt werken. Kinderen die op hun 15de, 16de, 17de werken bij de Appie, Kruidvat, in een bakkerij of in een café. Echt Nederlands is dat. En het is iets waar ik toch wel een beetje moeite mee heb. Een zomerbaantje begrijp ik wel, maar een weekendbaantje is voor mij een beetje te veel van het goede: goede cijfers moeten halen, af en toe een boek moeten lezen, al die extra activiteiten moeten ondernemen en ’s zaterdags ook nog eens acht uur in een café of zo staan? Dan ben je ’s zondags kapot en begin je de schoolweek al moe.
Ik denk eigenlijk aan al die meisjes die vanaf hun derde vioolspelen, of piano, school serieus nemen, soms veel te serieus, angstig zijn voor toetsen, niet slapen in de toetsweek, en in het algemeen hun uiterste best doen. Hoe komt het dat zovelen van hen een aantal jaren later parttime werken en geen belangrijke bedrijven runnen? Op hun 15de kunnen ze alle ballen al in de lucht houden; waarom hebben zoveel vrouwen in Nederland dan uiteindelijk toch een parttimejob? Wat verandert er in de transitie van meisje naar vrouw? Wat temt hun ambitie? Parttime werken is voor mij iets typisch Nederlands, zeker iets westers. Toen ik opgroeide in mijn land van herkomst was de vrouw geen ‘partner’, maar een ‘kameraad’. Het wemelde van de vrouwen op bouwplaatsen, eigenlijk wemelde het van de vrouwen in alle beroepen waarin je meer mannen zou verwachten. En ze deden het goed. Dat dat de politiek van de Communistische-Partij was, is een ander verhaal.
Hier zie ik overal slimme meiden, pienter, verantwoordelijk, hardwerkend, op school en buiten school. Ze begrijpen het leven maar al te goed en hebben vaak een betere kijk op zaken die mijn eigen generatie, de generatie van hun ouders, vermeed of niet snapte. Ik neem aan dat ze fantastische banen zullen krijgen, want ze leren van alles: op school over de wereld waarin ze leven, op zaterdag over de verantwoordelijkheid van een baan, geld et cetera. Hebben ze grote dromen? Ik neem aan van wel, anders zouden ze niet zo hun best doen. Waar zullen ze over tien of vijftien jaar staan? Wat voor posities zullen ze bekleden in de maatschappij? Hoeveel van deze verantwoordelijke, drukke, intelligente meiden die je op zaterdag koffie serveren in een café zullen over twintig jaar een parttimejob hebben, en soms op vrijdag een ladies night? Ik weet het niet, maar ik houd mijn hart vast.
Den Haag Centraal, 3 oktober 2019

Meer lezen? Zie Archief blog 2013-2019