Blog

Herfst

Ik weet niet wat u het afgelopen weekend hebt gedaan, maar ik heb de herfst verwelkomd. Nog steeds ben ik dat boerinnetje uit mijn dorp dat ging studeren en haar lot ontliep, en het best zie je dat wanneer de seizoenen wisselen. Voor de zomer voel ik het minst, maar bij het intreden van de lente, de herfst of de winter verander ik in een personage van Dostojewski: te veel existentiële vragen. De lente geeft me energie, de winter stemt me dankbaar, maar de herfst maakt me melancholiek.
Hebt u nog de tijd om te zien dat de bladeren vallen, dat de hemel hoger wordt? De natuur is op dit moment aan het veranderen van kleren. Heeft dat invloed op de stadsmens? In mijn dorp gingen we nu plukken. Appels, peren, druiven. Op een van de eerste mooie herfstdagen waren de walnoten aan de beurt. En zij die een kweepeerboom hadden, plukten tot slot ook de kweeperen en legden ze in het venster, om de donkere, lange winterdagen die volgden, te verlichten. Van komkommers, groene tomaten en witte kool werden pickles gemaakt. Het gezinshoofd zorgde voor brandhout. Vooral de armen baden om zachte winters. Het daglicht doofde geleidelijk, wat je de tijd gaf om je innerlijke tijdmeter aan te passen aan de natuur. Iedereen verwelkomde wat er aan stond te komen: korte dagen, sneeuw en kou.
De herfst was in mijn kindertijd altijd lang. En extreem genereus. Van de fruitbomen en de oogst tot de enorme dahlia’s, groot en zwaar als volle emmers, die iedereen in de tuin had. De heuvels, de bergen, de velden in de herfst waren de eerste haute couture die ik in mijn leven heb gezien. De geuren en kleuren gaven de ziel de kracht om de winter te doorstaan. De helft van de lange nachten stond je bij het raam, wakker gehouden en geroepen door de geest van de vertrekkende zomer of herfst, je had de tijd om na te denken. Zonder spijt gaf je jezelf steeds weer over aan het komende seizoen, met zijn werk, beperkingen of rijkdom.
Maar de drukke stad minacht rituelen. Pas bij de eerste regen die een week aanhoudt, merken we dat het herfst is. Dit weekend zong ik, zoals elk najaar, in mezelf de laatste verzen van ‘Herfst’ van Rilke: ‘Wij allen vallen. Het geldt ook deze hand./ En zie naar de andere: het is in allen./ Toch is er Iemand die dit algemene vallen/ oneindig teder met zijn hand omvat.’
Toch kan ik me na een zomer vol bosbranden en overstromingen niet onttrekken aan de vraag of iemand dit algemene vallen nog wel in zijn hand houdt, want de mens heeft er een zootje van gemaakt.

Den Haag Centraal, 16 september 2021

Bataafs

Ik had nooit gedacht dat ik dit zou zeggen: studeren of lezen is niet voor iedereen goed. Het is voor het eerst in mijn leven dat ik dit zeg, nu ik zie wat klassieke lectuur heeft gedaan met iemand zonder inlevingsvermogen. Ik heb het over Baudet, die zichzelf Cato de Jongere vindt, omdat hij, in zijn ogen, de oude tradities van ons Rome (lees: Nederland) beschermt. Maar feitelijk, en dit zeg ik ook met spijt, is hij niet meer dan het Bataafse oor dat Martialis in zijn epigrammen ridiculiseerde. ‘Tune es, tune’ ait ‘ille Martialis, cuius nequitias iocosque novit aurem qui modo non habet Batavam?’ (‘Ben jij nou die Martialis wiens liederlijke grappen iedereen kent behalve wie een Bataafs oor heeft?’) Met ‘Bataafs’ wordt hier ‘onontwikkeld’ bedoeld en na Baudets ‘Homo!’-gescheld tegen de journalist die hem geen hand gaf, weet ik dat er echt een auris Batava bestaat in de zin die Martialis gaf.
Laat u dus niet verblinden door die uil van Minerva en de boreale stront, want Baudet misbruikt cultuur en culturele referenties op dezelfde manier als waarop de communisten in mijn geboorteland de taal misbruikten. Cultuur is voor hem geen doel, maar slechts een instrument. ‘Homo!’ roepen is het ware niveau van Baudet. En dan heb ik liever iemand die nooit een boek heeft gelezen dan iemand die voor niets heeft gelezen en citaten misbruikt. Dat het zo kan misgaan met iemand die zegt dat hij belezen is!
Ik las dat in 2010 de ouders van een 9-jarige jongen hun zoontje tien cent hebben laten overmaken naar COC Nederland. De reden: het kind had het woord ‘homo’ als scheldwoord gebruikt. De ouders lieten hun zoontje daarom een schadevergoeding betalen aan het COC. Wat gaat Baudet betalen aan de cultuur die hij misbruikt? Aan het COC? Aan de kinderen die niet uit de kast durven te komen, omdat ‘homo’ op scholen nog steeds het populairste scheldwoord is? Wat gaat hij betalen aan Nederland? Wat voor reprimande krijgt Baudet?
Misschien had Martialis gelijk en zijn we inderdaad onontwikkeld, lomp, en zijn we Erasmus’ tegenspraak tegen Martialis niet eens waard. Was Nederland ooit een ontwikkeld land, een land voor iedereen? Moeilijk te geloven als je naar ‘onze’ politici kijkt. Tien jaar geleden vond meer dan de helft van de Nederlanders dat het woord ‘homo’ als scheldwoord mocht worden gebruikt, zo bleek uit een peiling van de AVRO en COC Nederland. Is er in de afgelopen tien jaar iets veranderd? Ja. De helft van de Nederlanders van tien jaar geleden heeft inmiddels zijn Scaramouche gevonden, met zijn geaffecteerde spraak, in feite onontwikkeld, het prototype dat Martialis voor ogen had toen hij dat epigram schreef dat wij zo graag willen vergeten.

Den Haag Centraal, 9 september 2021

 

ABK

Hoeveel Ankie’s Broekers-Knol zijn er in Nederland? Wie durft ze te tellen? Ze, alle Ankie’s Broekers-Knol, mannen en vrouwen, bekleden mooie posities in deze maatschappij en niet altijd zie je wat ze aan het doen zijn, maar de gevolgen van hun acties zul je zelf ooit ondervinden. We kenden de Ankie’s Broekers-Knol al voordat we de naam hoorden. Ze komt immers uit een grote familie en heeft veel nichten en neven. Onmogelijk dat je, hoe kort je ook in ons landje zit, nog nooit een Ankie Broekers-Knol bent tegengekomen. Een ABK weet vanaf haar geboorte dat zij slimmer is dan iedereen en veel meer rechten heeft. Primus inter pares. Buitenlanders tellen niet. In de ogen van de vele Ankie’s Broekers-Knol zijn buitenlanders een soort muggen die in zwermen zijn gekomen met de klimaatverandering en moeten worden bestreden, van kinds af aan, op de manier waarop de heks Dorothy bestrijdt in ‘The Wizard of Oz’. En dat is wat ABK doet, bestrijden. Want ondanks haar leeftijd is ze nog fit en ze is niet het type dat met haar kleinkinderen in de bioscoop gaat zitten. ABK wil beleid maken, want daar is zij, samen met de andere ABK’s, voor geboren: ‘to make Holland great again’.
Na een paar jaar in Nederland leer je een ABK herkennen, maar haar talent is groter dan dat van jou: zij herkent jou al voordat jij weet dat zij een ABK is. Je wilt gedag zeggen of iets vragen, en dan zie je haar blik wanneer ze je accent hoort. ABK-vrouwen zijn erger dan ABK-mannen. Van een ABK-man zou je met tact een graseter kunnen maken, maar een ABK-vrouw is een T. Rex, een Tyrannosaurus, en zal dat ook blijven. Ze zitten vooral in de ‘betere’ klassen, ze zijn je baas, leraar of minister, maar ook bij de bakker kun je een T. Rex tegenkomen. Vooral als het gesprek een-op-een is, vallen ze aan. Ze moeten zich veilig voelen en zijn stiekemerds, van het soort dat brieven stuurt zonder de Kamer te informeren.
Wie denkt dat een ABK anno nu alleen een VVD’er kan zijn, vergist zich. ABK’s zitten overal. En alle functies die ze hebben, dienen hun doel. Denk niet dat het een generatie is die op een gegeven moment vanzelf zal verdwijnen. Die denkfout hebben mijn vaderlandgenoten gemaakt met de communisten. Sommige ABK’s zijn oud, zoals Ankie Broekers-Knol, maar andere zijn nog niet eens geboren. Ik las deze vakantie iets over Hekataios, een Griek die in de tijd van Ptolemaeus Egypte bezocht en de xenofobie daar betreurde.
Iedereen kent nu Ankie Broekers-Knol en kan zich distantiëren van haar betreurenswaardige handelen. Maar wat te doen met al die andere ABK’s?

Den Haag Centraal, 2 september 2021

Vlinders

Ik lees momenteel een boek over vlinders. Ook voor mij is het bijna vakantie, ik zie het in wat ik lees. Met het zwaard van een nieuwe lockdown boven ons hoofd gaan velen op vakantie. Maar vakantie vieren kun je ook in onze stad. Niet per se op de volle pleinen of op de volle stranden, maar juist in parken, tuinen, in de groene omgeving.
Laatst liep ik van de Laan van Meerdervoort naar het Zuiderpark, via de De la Reyweg. Heeft iemand weleens die kleine, bijna Japanse, miniatuurtuintjes voor de vele huizenblokken aan De la Rey opgemerkt? Ook daar, tussen het vele steen en beton, hebben mensen met liefde voor groen minituinen aangelegd, alsof ze wilden zeggen: ja, dit is inderdaad de weg naar het Zuiderpark als je van de Laan van Meerdervoort komt, met bloemen geven we je tekens dat je op de goede weg zit. En dan het Zuiderpark, een van de mooiste parken van Den Haag, waar ik de grootste tuberozenstruik ooit tegenkwam en eraan rook tot ik op mijn benen stond te trillen.
Gigantische sieruien. Duizendschoon. En in de stad die legioenen lindebomen, die nu allemaal in bloei zijn en waarvan de parfum je ’s avonds of na regen naar je bol stijgt? Wie heeft er nog een joint nodig als je onder de lindebomen fietst?
Blijf je deze zomer in de stad? Als je oog voor detail en passie voor kleur hebt, hoef je nergens heen! Het Haagse Bos is mijn ‘Secret Garden’, die ik een paar keer per week bezoek. Geen plek meer op het terras? Zet een eerste stap in het Haagse Bos en kijk wat er met je gebeurt. Eerst wordt je ademhaling regelmatig. Dan die grote bomen. Ga er eens staan, in het Haagse Bos, en probeer te visualiseren hoe het water onderweg is van de wortels van de grote bomen naar hun bladeren. Ultieme wetenschap heeft voor mij veel van het magisch realisme. Vogels.
En ook het vlindereffect, waar je heel de zomer van mag genieten. Vragen we ons weleens af waar ze vandaan komen? Wat het zijn? Hoe ze aan zoveel schoonheid komen? Vlinders zijn magisch. Ik lees in mijn boek dat het Griekse woord psyche een dubbele betekenis had: vlinder en ziel. Het verbaast me niet. Insecten bestaan al 400 miljoen jaar en zijn op deze aarde ver in de meerderheid in vergelijking met de 5400 bekende zoogdiersoorten. Op dit moment zijn er, lees ik ook in mijn boek, 900.000 soorten insecten bekend. Er wordt gezegd dat de kleine wezentjes heersen op aarde. Begrijpen we hoe ingewikkeld hun mysterie is?
Ik wens iedereen, maar vooral degenen met verdriet, een zomer vol kleuren, geuren en vlinders!

Den Haag Centraal, 15 juli 2021

Qu’est-ce qu’un auteur?

Witold Gombrowicz beweert dat een auteur die niet in staat is om over zijn eigen werk te spreken geen volwaardig schrijver is. Nederlandse auteurs trekken zich van deze bewering niets aan en schrijven of spreken weinig over auteurschap. Als ze het een keer doen, is het nieuws.(*) Ik heb me altijd afgevraagd waarom. Knikte de Nederlandse auteur simpelweg instemmend toen Michel Foucault met een bepaalde brutaliteit zei: ‘Qu’importe qui parle, quelqu’un a dit qu’importe qui parle,’ een uitspraak die nog steeds als een bevestiging wordt gezien van Roland Barthes’ melancholische aankondiging van de dood van de auteur? Naar mijn idee moet de vraag ‘Qu’est-ce qu’un auteur?’ juist nog altijd met een soort onschuld worden gesteld. En wat is de relatie tussen de auteur en de teksten die vóór hem werden geschreven? In de hilarische novelle Deserteren (2019), een werk in de toon van De stoelen (1952) van Eugène Ionesco, gaat Annelies Verbeke nadrukkelijk wel in op vragen over het wezen van de auteur. Haar boek is zelfs meer dan dat: het behandelt ongeveer alle vragen uit de literatuurtheorie.

Een ark van Noach vol literaire concepten

Deserteren is de vijfde novelle die werd geschreven voor Te Gek!?, een grootschalige campagne die de geestelijke gezondheid in Vlaanderen bespreekbaar wil maken. De hoofdpersoon, de vrouwelijke ‘Auteur’, wordt gedwongen tot groepstherapie omdat ze een einde aan haar leven wil maken. Tijdens de therapie ontmoet ze enkele notoire personages, onder wie de jonge Werther, de bekendste Hoogsensitieve Persoon uit de literatuurgeschiedenis, maar ook diens auteur Johann Wolfgang von Goethe en Thomas Mann. De Amerikaanse psycholoog Elaine Aron, grondlegger van het begrip hoogsensitiviteit, tracht het gesprek in goede banen te leiden.

Uit het therapeutische groepsgesprek leren we dat de mistroostigheid van de Auteur onder meer wordt aangewakkerd door de eenzaamheid die haar schrijverschap kenmerkt. Ze bekent:

Ik ben de laatste tijd geïnteresseerd in hoe auteurs over de tijd en het gekakel heen met elkaar in gesprek gaan, elkaar in de armen vallen soms zelfs, los van de tijdsgeest, modes en vetes. Wellicht boeit me dat omdat mijn eenzaamheid binnen de literaire wereld totalitaire trekken is gaan vertonen en mijn leven en de literatuur zich tegelijk niet meer van elkaar laten scheiden.

Ook een thema als de positie van de vrouw in de literatuur komt aan bod. ‘Ik moet immers vierentwintig uur per dag mijn dankbaarheid uitdrukken omdat ik mee mag doen.’ Als psycholoog Elaine aandringt op een gesprek over vrouw-zijn en schrijven, antwoordt de Auteur: ‘Ik wil het helemaal niet hebben over vrouw zijn en schrijven. Dat is het net. Waarom moet het daar altijd maar over gaan? Waarom mij niet gewoon als een auteur zien?’ Lezers weten ondertussen dat dit onder meer komt doordat het grammaticale geslacht van ‘auteur’ mannelijk is.

Zo weet de Goethe aan tafel niet meer welke Goethe hij is: ‘de echte of die van Mann?’

Een gesprek over de troostende waarde van literatuur volgt, of eigenlijk vooral een oefening voor in hermeneutiek getrainde geesten, een hermeneutisch spel: de deelnemers aan de groepstherapie gaan over tot ontmaskering van het auteurschap, zoals Poirot, detective uit de boekenreeks van Agatha Christie, de moordenaar ontmaskert. Er mag dan wel niemand in het gezelschap zijn die twijfelt aan de ernst van de situatie of de ernst van het schrijverschap; wel twijfelen ze allemaal aan de echtheid ervan. Wat is echt en wat is literatuur? Zo weet de Goethe aan tafel niet meer welke Goethe hij is: ‘de echte of die [uit het werk] van Mann?’

De inzet van Deserteren is ironisch en ernstig tegelijk. Het boek maakt niet alleen geestelijke gezondheid bespreekbaar, maar tevens een misschien nog wel problematischere categorie: de literatuurtheorie. Deserteren is werkelijk een ark van Noach gevuld met literaire ideeën en concepten. Alle grote thema’s van de literatuurwetenschap komen voorbij: auteurschap, de vraag voor wie de schrijver schrijft, ballingschap, de functie van het schrijven, de vrouw in de literatuur, de zwarte vrouw in de literatuur, schrijven als therapie, vragen over het waarom van het schrijven en werkelijkheid in de literatuur.

Uitrusten in eigen werk als personage

Wat blijkt uit Deserteren, is dat Annelies Verbeke in de Nederlandse letteren niet alleen haar room of her own heeft, maar dat ze ook graag speelt met het meubilair ervan. In de novelle stelt ze directe vragen aan collega-schrijvers, doet ze soms zelfs een appèl op hen, corrigeert ze hen. Al aan het begin van het boek geeft ze een knipoog naar de reeds in de jaren zestig door Barthes aangekondigde dood van de auteur. De dood van de auteur leeft dus nog steeds (sic). Dat is althans wat de openingszin van de novelle suggereert: ‘Wie wordt daar opgegraven uit een modderige kuil (…). Hemeltjelief! Het is de auteur!’ De auteur is opgestaan en Foucaults vraag kan weer in alle onschuld worden gesteld: ‘Qu’est-ce qu’un auteur?’

Misschien ben ik door mijn eigen formatie extra gevoelig voor dit thema. In Roemenië is de hele ‘Generatie 80’ tot op de dag van vandaag bezig met het thema auteurschap. Mijn universitaire studies vielen precies tussen de aankondiging van Barthes en de vraag van Foucault in. We begonnen met Gustave Flauberts bekentenis ‘Madame Bovary, c’est moi’ en tot de laatste lesdag hielden we ons bezig met de vraag van Pierre Bourdieu in hoeverre Frédéric uit L’Éducation sentimentale met de woorden van Flaubert uit diens brieven spreekt.

Verbeke komt in dit verband met een verrassende en genuanceerde visie: de auteur is niet dood en wil ook niet dood. De auteur wil hooguit (af en toe) deserteren! In Deserteren is de Auteur namelijk moe, maar zeker niet dood. Moe, want ze schrijft al sinds de Ramayana aan (voegen wij in de geest van Stéphane Mallarmé toe) Het Boek. Volgens Mallarmé bestaat de wereld om daar terecht te komen. De tekst is universeel en de auteur schrijft hetzelfde verhaal als altijd, zoals alle generaties voor hem ook deden. Ralph Waldo Emerson beaamde: ‘Je zou zeggen dat één iemand alle boeken ter wereld heeft gemaakt; zo groot is hun innerlijke eenheid dat er geen twijfel over bestaat dat ze allemaal door hetzelfde alwetende individu zijn samengesteld.’ Emerson werd weer geciteerd door Jorge Luis Borges, die eraan toevoegde: ‘De wereldgeschiedenis is een oneindig geschreven boek dat alle mensen schrijven en lezen en proberen te begrijpen, maar waarin tegelijkertijd hun naam is geschreven.’ De auteur was nooit van plan om dood te gaan, hooguit om uit te rusten van zijn eindeloze karwei, door zijn verantwoordelijkheid als auteur tijdelijk neer te leggen en zich terug te trekken als personage in zijn fictie of die van anderen.

In lijn met Emerson en Borges verzucht Goethe in Verbekes Deserteren op een gegeven moment: ‘Ik ben dus zelf een tot literatuur verworden mens.’ ‘Dat zijn we momenteel allemaal’, antwoordt Mann dan. ‘Zoiets valt ook niet te verhinderen.’ Wie is de schrijver en wie is een personage? ‘Hij (Thomas Mann) kijkt de vrouw (Charlotte) twijfelend in de blauwe ogen – is ze de door hem gefictionaliseerde versie wel? Charlotte gaat staan en trekt zijn blik met zich mee.’ Het is niet voor niets dat Barthes zijn pet als criticus op had toen hij de auteur doodverklaarde; hij verkondigde dit niet in de rol van auteur. De Auteur in de tekst van Verbeke klaagt over de moeilijkheden waarmee het auteursbestaan gepaard gaat. Moeilijkheden die haar tot deserteren brengen, maar haar zeker niet uitroeien. Dit laatste wordt dus duidelijk aan het begin van de novelle, met de Auteur die uit haar graf verrijst; een rechtzetting van de door Barthes aangekondigde dood van de auteur. De metafoor van Verbeke zou carrière moeten maken: de auteur is hooguit af en toe schijndood, deserteert in zijn of andermans fictie, maar staat telkens weer op uit zijn schijngraf.

Ingelijfd in het oneindige gedicht

Tijdens het lezen van Verbekes boek heb ik me de vraag gesteld waarom ze voor Goethe en Mann heeft gekozen, en niet, bijvoorbeeld, voor Flaubert en Guy de Maupassant. Flaubert was voor Maupassant net als Goethe voor Mann immers Het Grote Voorbeeld. Maar anders dan Mann Goethe heeft Maupassant Flaubert nooit tot personage in zijn eigen werk gemaakt. En Verbeke had juist personages nodig die de theorie van onder anderen Percy Shelley bevestigden: dat alle gedichten uit het verleden, het heden en de toekomst fragmenten zijn van een oneindig gedicht dat door alle dichters van de wereld wordt geschreven (A Defense of Poetry, 1821). Die theorie houdt namelijk ook in dat een auteur na tweehonderd jaar kan opduiken als personage in het werk van een andere auteur. Zit Goethe in Deserteren aan dezelfde tafel met Mann omdat Goethe Werther is?

De auteur is niet dood – maar een autonome schepper, geheel en al verantwoordelijk voor zijn eigen werk, is hij evenmin. De Tekst waaraan hij werkt, is immers vierduizend jaar geleden begonnen, in de beroemde bibliotheek van Assurbanipal in Nineve, en nog steeds wordt er aan geschreven. T. S. Eliot legt dit punt net anders uit: in zijn essay Tradition and Individual Talent (1919) stelt hij dat een dichter zich altijd te verhouden heeft tot de traditie als geheel; het werk van een dichter kan alleen beoordeeld worden in vergelijking met de werken uit het verleden. Borges beaamt dit gebrek aan auteursautonomie weer op een andere manier. In een van zijn essays rept hij van een man die een verhaal schrijft en ontdekt dat het verhaal zich tegen zijn bedoelingen in ontwikkelt. De personages gedragen zich niet zoals hij wilde, er vinden onvoorziene gebeurtenissen plaats en er wordt een catastrofe aangekondigd die hij tevergeefs probeert te voorkomen.

De auteur mag dan niet dood zijn, wel heeft hij een klacht: hij lijdt aan een chronisch gebrek aan autonomie en zelfbeschikking, kan zelfs zomaar door een andere auteur als personage worden ingelijfd. In Deserteren vertelt de Auteur zelf: ‘Ik mag het niet meer pikken mij te laten vernederen door de neerbuigenden, de onbegrijpenden of de door nijd verstikten, mijn credits niet te krijgen, mijn tijd te laten verprutsen door kwaadaardige parasieten.’ Wat dán het lot van de schrijver is? Goethe en Mann zeggen het in koor: ‘We gaan allen onder in wanhoop! Eer dan ook de wanhoop! Want de wanhoop zal je laatste gedachte zijn!’

Le roi est mort, vive le roi!

Literaire grootheden, echt en fictief, zijn lang niet de enigen die voorbijkomen in Deserteren. Annelies Verbeke onderschat haar lezer niet. Er komen ook paarden die zelfmoord plegen voorbij, ‘een edel soort paarden, die als ze verschrikkelijk worden verhit en opgejaagd instinctief…’ Deserteren is een zwarte komedie met schrijvers en hun personages. Werther pleegt zelfmoord en ligt met zijn hoofd op het bureau van de Auteur, een paar seconden voordat de man van de Auteur naar huis komt, haar een ‘malse kus’ op de lippen geeft en vraagt of ze goed geschreven heeft. Een scène uit het leven van de Auteur. Het verhaal eindigt met een scène waarin de Auteur de vijand, Stanislav Poepmans genaamd, verandert in een kind van drie en hem op schoot zet. Ze weet dat als ze nog een keer zou blazen, Poepmans zou verdwijnen. Maar dat doet ze niet. Een beetje weerstand kan namelijk stimulerend werken.

Je zou kunnen concluderen dat Verbeke zich in Deserteren uit tegen de traditionele kijk op de literatuurgeschiedenis, waartegen ook Barthes tot het einde van zijn leven heeft gevochten. Tegen de literatuurgeschiedenis die drijft op de idee dat we, wanneer auteurs sterven, een ‘laatste’ exegese van hun werk kunnen geven, hun werk daarmee ‘uitgeïnterpreteerd’ en dood verklarend. Zoals Barthes zei: ‘ons wordt gevraagd te wachten tot de auteur dood is om hem “objectief” te kunnen behandelen’. Gaat de Auteur aan het eind van Deserteren weer in haar graf liggen? Zeker niet. Misschien denkt ze er af en toe aan deserteren, maar ze schrijft al vierduizend jaar haar Tekst en is niet van plan te stoppen. Le roi est mort, vive le roi!

Noot
(*) Zie bijvoorbeeld deze beschouwing van journalist Haro Kraak, die in 2020 een kleine trend onder jonge schrijvers ontdekte om over zichzelf en dus over schrijverschap te schrijven: https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/waarom-schrijven-schrijvers-zo-graag-over-schrijvers~bbcd9d42/. Dat men dit in Nederland kennelijk pas vorig jaar is gaan doen, wijst op een schril contrast met de rijke tradities aan schrijverschapsreflecties in vele andere taalgebieden.

De Nederlandse Boekengids,

The Dutch Review of Books, 14 juli 2021

 

Oppervlakkig

Ik weet niet waarom, maar in één weekend zag ik twee documentaires over Afrika én aankondigingen voor nieuwe Afrika-boeken. In de media is het klimaat afgevinkt, het is nu tijd voor slavernij. Ik zeg dit met enige ironie, want het onderwerp is uiteraard meer dan nuttig, maar ik stoor me aan andere dingen, bijvoorbeeld het taalgebruik waarin we informatie geven over een zo pijnlijk verleden, pijnlijk, ook voor de Nederlander. We leven in bijzondere tijden, de geschiedenis zoals we die kennen, is net de Titanic die op de ijsberg stuit. En ik vraag me af of de taal na het zinken onder de overlevenden zal zijn. Wat me precies stoort? Iets wat ik toch typisch Nederlands vind: het taalgebruik van degene die al eeuwen gewend is om te beslissen. Je ziet het in alle compartimenten van de maatschappij, van vergaderingen tot burenruzies. Eerst ergerde ik me lichtelijk aan ‘Ondersteboven van Afrika’, waarin Waldemar Torenstra ‘op een motor door Afrika rijdt, op zoek naar verhalen die niet eerder zijn verteld met historische feiten en de huidige situatie’. Daar heb je hem weer: die vrolijke, opgewekte Nederlander die zelfs de geschiedenis het hoofd kan bieden. Tegen de Afrikaanse boer die een ernstige definitie van de Afrikaner geeft, zegt hij met een brede lach: ‘Dit is een serieus onderwerp voor jou, hè?’ En tegen de afstammeling van het San-volk zegt hij dat we allemaal San zijn, hijzelf ook.
Niet dus! We zijn niet allemaal San, zoals we ook niet allemaal Afrikaner zijn. Waarom begrijpen we niet dat goede apparatuur en betaalde reiskosten geen substituut kunnen zijn voor empathie? ‘We’ zijn geen kolonisten meer, maar ik kan me onmogelijk níét afvragen wat de boer voelde na zo’n oppervlakkige opmerking, of wat de San-afstammeling dacht na zo’n ongenuanceerde conclusie. Wat is het verschil tussen iemand die nooit van Afrikaners en Khoisan heeft gehoord en een oppervlakkige Nederlander die denkt dat hij van alles kan zeggen, omdat hij toch uit een andere werkelijkheid komt, waarin hij wordt betaald voor zijn ‘avontuur’ in Afrika? Op dezelfde dag las ik de promotietekst voor een nieuw boek over Afrika. Die zei niets over het boek, maar veel over ‘ons’: ‘Markeerde de aankomst van de Nederlander Van Riebeeck inderdaad het begin van veel huidige problemen in ZuidAfrika? En waarom weten Nederlanders zo weinig van dit stukje van hun eigen geschiedenis?’ Let op ‘inderdaad’.
Ergert u zich ook aan dit taalgebruik? Dan heb ik een tip: de andere documentaire, ‘Opstand op de Neptunus’, over de bloedigste opstand op zee in ons slavernijverleden. Verteld met gevoel, in een mooie taal. Misschien omdat de voorouders van de verteller aan de andere kant van de geschiedenis stonden, aan de kant die geen beslissingen kon nemen.

Den Haag Centraal, 8 juli 2021

 

M

Ik kende M voor zover zij zich door mij liet kennen. Iedereen die in onze stad woont, heeft haar vermoedelijk ook weleens gezien, in de stad kwam je haar zeker tegen: een vrouw van in de zeventig die een trolleykoffertje en twee tassen meedroeg, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Een vrouw die liever Engels sprak. Aardig, opgewekt. Slim. Grijze staart, blauwe ogen en oorbellen zoals alleen door lady’s worden gedragen.
Gekleed in zwart en wit. Zwarte broek, witte blouse. In de zomer met een bijpassende batik halsdoek, in de winter met een sjaal, zoals alleen mensen die veel ervaring met kleren hebben en weten wat elegantie is, kunnen. Goedkoop, maar in stijl.
In de HEMA in het centrum had je grote kans om haar tegen te komen, je kon haar ook treffen in de AH in de Elandstraat of in de bibliotheek. Of in de tram, zoals ik haar voor het eerst heb ontmoet, toen ik op zoek was naar een oma voor mijn dochtertje. Wie weinig familie heeft, moet improviseren, de vreemde wereld telt zoveel tantes en oma’s en nichten als je nodig hebt. M was toen nog niet klaar om oma te worden, maar ook zij was op zoek naar iets; anders hadden we elkaar niet gevonden. Ze kon bij ons slapen wanneer ze dat nodig had en onze feestdagen hadden de laatste jaren vóór corona iets feestelijks, omdat M dan kwam. Toen we vlak voor corona haastig moesten verhuizen, ben ik haar uit het oog verloren.
Corona kwam. Het verbaasde me dat ze me niet meer belde. En toen ik háár na enkele pandemiemaanden belde, nam ze niet op. Ik dacht dat ze zich had gered, haar telefoon ging immers over. En als ze soms niet kon opnemen, belde ze altijd terug, zeker dezelfde dag. Maar ditmaal belde ze niet terug, ook niet nadat ik het dit afgelopen jaar nog een paar keer heb geprobeerd. Haar telefoon ging wel over. Deze week belde ik nog een keer en ik kreeg te horen dat haar nummer niet meer in gebruik is.
Waar zou M, die geen vast adres had, kunnen zijn?
Hebt u haar misschien gezien? Een Britse vrouw, in de zeventig, grijs haar, netjes in een staart. Nepgouden oorbellen en een batik halsdoek om haar nek, als een stewardess. Met een grote, dikke bril. Grote tassen en een trolley, waarvan je de wielen al van ver hoort, net als haar kleine hakken. Het leven keert kennelijk terug, alleen M niet. Heeft corona haar meegenomen?
Als u haar kent, herkent u haar ongetwijfeld in mijn beschrijving. Meer dan dat zou M niet goed vinden.
Ik hoop dat je oké bent, M.

Den Haag Centraal, 1 juli 2021

Controleren, controleren

Polska Porada is de naam van een adviesbureau voor migranten in het dorp De Lier, dat in 2004 versmolt tot de grote tuinbouwgemeente Westland. Ik ben er om te spreken met Jarek, een van de duizenden arbeidsmigranten die de Westlandse glastuinbouw draaiende houden. Jarek is Pool. Na een jaar werken in de kassen werd hij gediagnostiseerd met een post-traumatische stressstoornis en ik ben hier om zijn verhaal te horen. Ik weet nog niets over hem, maar Polska Porada-eigenaar Hans Thunnissen, met wie ik op Jarek zit te wachten, heeft me niet voor niets uitgenodigd.

Gedurende de afgelopen zes maanden dat ik onderzoek naar migranten deed, heb ik veel verschillende verhalen gehoord. Goede ervaringen, maar ook verhalen over misstanden, uitbuiting, mishandeling zelfs. Arbeidsmigratie heeft in mijn ogen soms iets weg van het communisme in mijn geboorteland: het land kan niet zonder de hardwerkende migranten, zoals het communisme niet zonder de arbeidersklasse kon, maar na verloop van tijd duiken er steeds meer ernstige verhalen op. Op zo’n verhaal wacht ik nu, op deze zaterdagochtend in het hart van de kassen in De Lier. En hoewel ik weet dat ik een ernstig verhaal ga horen, ben ik veel rustiger dan het hondje van Thunnissen dat om de seconde tegen mijn knieën op springt.

De man met wie we hebben afgesproken laat op zich wachten. Als hij maar komt, denk ik. Vorige week zaten we hier in dezelfde samenstelling, de hond incluis, te wachten op een Poolse mevrouw die uiteindelijk niet durfde te komen. Thunnissen vertelt intussen over de zaken van buitenlandse werknemers die hij in behandeling heeft, veel ernstige verhalen.

Ik speel advocaat van de duivel: “Maar waarom blijven ze dan komen, als ze hier zo veel ernstige dingen meemaken?”

Te mooie verhalen

“Ze komen omdat er nog steeds ‘mooie’ verhalen worden verteld”, zegt Thunnissen. “En de grens wordt letterlijk verlegd. Eerst kwamen de Polen (die overigens goede en betrouwbare werkers zijn), daarna proberen ze de Litouwers en zo verder. Veel Polen blijven komen. Meestal uit gebieden die tegen de Russische of de Oekraïense grens liggen. Omdat het daar nog redelijk onontwikkeld is, er niet zoveel wordt verdiend en de werkloosheid hoog is. En niemand wil boer worden of een ander zwaar beroep doen. Bovendien worden ze door de eigen recruiter van een uitzendbureau benaderd. In Nederland verdienen ze ten opzichte van het thuisland drie tot vier keer zoveel. Maar hier wordt hun een worst voorgehouden, dat het allemaal goed zal gaan en ze met veel geld terug zullen keren. Dat is een misverstand. Het is en blijft onwetendheid. En de contracten kloppen veelal niet.” Thunnissen kijkt me aan. “Je moet eens naar zo’n malafide uitzendbureau bellen!”

Ik herinner me een Roemeense krantenkop: ‘Roemenen verdragen de misstanden in het buitenland, omdat niemand in het thuisland hun heeft geleerd dat ze rechten hebben.’ Geldt dat niet voor elk herkomstland? Wat doen de herkomstlanden voor arbeidsmigranten? En is iemand zonder scholing niet in het algemeen kwetsbaarder, vatbaarder voor uitbuiting? Om te spreken met de woorden van een van de arbeidsmigranten die ik interviewde: veel werk, weinig rechten. Bescherming van migranten zou moeten beginnen in de herkomstlanden. De slavernij, zoals Jarek straks tijdens het gesprek zijn eigen situatie in de Nederlandse kassen zal omschrijven, is immers begonnen in zijn land van herkomst, waar hij heel slecht werd betaald.

Het afgelopen anderhalf jaar heeft ook laten zien welke risico’s arbeidsmigranten lopen in de landen waar ze komen te werken. Ook voor hen is de pandemie een sociaaleconomische schok. Velen zijn hun werk kwijt en sommigen daardoor ook hun huis. Voor arbeidsmigranten ontsloot de pandemie een ware doos van Pandora. En nog een effect van corona-berichtgeving over migranten: een explosie van horrorverhalen van arbeidsmigranten in de media: opsluiting in barakken, inname van paspoorten, mishandeling.

Wantrouwen

Hoe komt het dat de arbeidsmigrant bang is om hierover te spreken? Niet alle Bulgaren met wie ik sprak tijdens mijn onderzoek, zouden bijvoorbeeld naar de Bulgaarse ambassade gaan als er problemen op hun werk waren. Waarom niet? Omdat ze niet geloven dat ze geholpen zouden worden. Oud wantrouwen, van voor de val van de Muur. Nog een krantenkop uit mijn geboorteland: ’77 procent van de Roemenen wantrouwt de overheid’.

Maar het wantrouwen is niet alleen aan de overheid gericht. “Als mensen niet naar de vakbond komen, kunnen ze niet geholpen worden”, zei ook Izabela Muchowska, projectleider bij het FNV, met wie ik over de problematiek sprak. “In het land van herkomst worden ze verkeerd geïnformeerd. Grote bureaus hebben locaties alleen in grote steden. Zij komen uit dorpen en daar horen ze niet het hele plaatje, dat ze bijvoorbeeld in een kamer zullen verblijven die ze delen met nog vijf anderen of dat ze in een ander sector gaan werken dan ze hadden gewild. Ze komen uit regio’s met veel werkloosheid, dus beter een slechte baan in Nederland dan geen baan in Polen.” Het komt overeen met het algemene beeld dat ik zelf van de arbeidsmigranten in Den Haag en het Westland kreeg.

Oplossingen

“Waar ligt de oplossing?” vraag ik aan Hans Thunnissen. Zijn antwoord laat niet op zich wachten: ‘In de controle-instellingen.’ De zin die hij toevoegt, doet me denken aan vadertje Lenin, die ook van herhalingen hield: ‘Controleren, controleren, controleren!’. Volgens hem moet de arbeidsinspectie meer teams samenstellen om strenger toe te zien op naleving van de arbeidswetgeving. En ook meer onaangekondigde controles uitvoeren, want volgens Thunnissen horen bedrijven nu soms dagen van tevoren over een controle, tijd die ze benutten om eventuele misstanden te verdoezelen. En ik zou daar zelf aan willen toevoegen dat deze controles ook nadrukkelijk moeten worden uitgevoerd bij de talloze uitzend- en bemiddelingsbureaus voor arbeidsmigranten. Want bij hen gaat het maar al te vaak mis. En, zoals Thunnissen ook bepleit, bij geconstateerde overtredingen: minder waarschuwingen, meer boetes! In het algemeen, een veel strenger handhavingsbeleid voeren. Hoe moeilijk kan dat zijn?

Jarek is gearriveerd. Hij komt binnen. Een kleine man van mijn leeftijd. Voordat hij gaat zitten, zie ik dat hij drie vingers van zijn rechterhand mist. En een paar tanden.

Dit artikel is tot stand gekomen met de steun van Luis in de pels, fonds voor politieke en onderzoeksjournalistiek voor de regio Haaglanden.

Trouw, 30 juni 2021

 

De ondergang van een Poolse stukadoor

Voor een onbekende dode heb ik veel moeite gedaan om erachter te komen wie hij was. Veel gewacht vooral. In de gure wind, meerdere keren een uur, soms langer. Op kennissen van hem die niet kwamen opdagen. Naar nummers gebeld die niet meer bleken te bestaan. Berichten gestuurd, e-mails. Berichten in het Pools, vertaald met Google Translate. Rondjes gemaakt om het huis waar hij had gewoond. Gestaan voor het pand waar hij was overleden, aangedrongen bij mensen die hem hadden gekend.
Op een dag besefte ik dat ik keek naar de mensen op straat en me afvroeg wie op hem zou lijken, met zijn hoge voorhoofd. Hoe lang was hij? Waarom is de dood van iemand bijzonderder dan zijn leven? Omdat het onrechtvaardig was? Onverschillig? Is de dood niet altijd zo? Toen ik eenmaal had begrepen dat niemand wilde praten, heb ik ook een moment van twijfel gehad, ik heb me zelfs even afgevraagd of hij ooit had bestaan. Waarom wilde ik toch over hem schrijven? Ik had zijn foto gezien. Een mens zoals u en ik, maar met meer pech dan wij.
Zijn familie wil niet over hem praten, was me verteld. Na zijn vertrek naar Nederland hadden ze geen band meer met hem. Ik weet hoe het is als je dood bent voor degenen die je achterlaat: het leven gaat door, zonder jou. Je gaat twee keer dood, vóór je sterven ben je al dood voor degenen die thuisblijven. Dit is niet zelden het lot van de migrant. Maar wat me was verteld, bleek niet te kloppen. Radeks moeder was na zijn dood, op 7 maart 2019, kapot. Ze was nu twee zonen kwijt, een oudere broer van Radek had een paar jaar eerder zelfmoord gepleegd. Voor de familie was Radek helemaal niet dood toen hij vertrok.

Twee keer dood
Toch ging Radek twee keer dood. Toen hij in zijn woning door twee vrienden en de eigenaar van de onderliggende kapsalon levenloos werd aangetroffen, was hij al twee dagen dood. Al twee dagen lag hij op zijn zoldertje, niet meer dan een kamer met een keukentje, gehuurd van de kapperssalon. De badkamer was beneden.
Twee jaar na Radeks dood hoorde ik van zijn bestaan. Beter gezegd: van zijn dood. Hij had dus bestaan. Radek heeft bestaan en hij heeft huur betaald. Die eerste bewering hoefde ik niet recht te zetten, de tweede wel. Want toen ik negen maanden geleden besloot dat ik wilde weten wie Radek was, had ik gelezen dat hij een zwerver was. Hoe kon hij dan een studio in de Weimarstraat bewonen?
Nu, negen maanden later, op een zonnige dag, heb ik afgesproken met een familielid van Radek, een nicht. Ze komt opdagen. Waarom ik over Radek wil schrijven? Omdat ik denk dat hij geen zwerver was. Nee, hij was geen zwerver. Maar zo is hij afgeschilderd toen hij dood in zijn studio werd gevonden. Omdat degene van wie Radek zijn zoldertje onderhuurde dat beweerde? “Ik heb de politie gevraagd,” vertelt het familielid, “om de sms’jes die ik van Radek had gekregen en die ik had gewist, terug te halen. Dan kon je lezen hoe Radek mij vroeg om de eigenaar van de kapsalon te vragen om hem nog wat uitstel te geven van het betalen van de huur. Soms betaalde hij laat, maar hij betaalde wel. Maar de politie doet niet aan rectificatie van portretten.”

Geen ideale vader
Radek was een Poolse stukadoor die is overleden in het land waarheen hij emigreerde, Nederland. Hij was 39 en liet in Polen een dochter van 23 achter voor wie hij geen ideale vader was. Zelf was hij zonder vader opgegroeid, net als het familielid dat me het verhaal van Radek vertelt. Hoe dat kwam? Is dat gebruikelijk in Polen? Alcoholisme. De tragiek van het communisme, dat mannen tot niets reduceerde. De man, de mens in het algemeen, mocht niets betekenen, mocht niet nadenken, werd gedegradeerd. En wat deden de meesten, aangezien het moeilijk was om uit de cirkel te stappen? Ze namen hun toevlucht tot alcohol. Oom, vader, oudere broer. En Radek? Radek dronk ook. “Een zachte man met een kort lontje.” Of hij een litteken had? “Een litteken? Hij miste veel tanden en vloekte constant.” Hoe hij vloekte? “Kurwa! (gvd, red.) in bijna elke zin.”
Bijna alle migranten die ik tijdens dit onderzoek naar migranten heb ontmoet, hebben hetzelfde ‘litteken’: ze missen tanden. Wanneer ze lachen, schamen ze zich voor hun ontbrekende tanden en houden een hand voor hun mond.

Waarom is de dood van iemand bijzonderder dan zijn leven?

In het dorp waar ik zelf ben opgegroeid, waren de ontbrekende tanden ook zichtbaarder dan de gave tanden, en ze hadden meer met het communisme te maken dan met het uiterlijk. Op je vijfentwintigste miste je al tanden. Als een gezondheidsverzekering een wassen neus is en je geen consult krijgt zonder de dokter een envelop met geld toe te schuiven, is een tandarts luxe.

Waakvlam
Radek groeide op in een dorp niet ver van Warschau en trouwde vroeg, scheidde ook vroeg. En ging dus heel vroeg dood. “Het bleek dat de ouderwetse gasinstallatie met waakvlam was vervangen, maar kennelijk niet door een vakman, maar, zoals zo vaak, door een kennis die minder geld vroeg,” aldus de nicht. Maar de nieuwe afvoer van de verbrandingsgassen bleek te lekken. Radek werd langzaam vergiftigd, vanaf de dag van de ketelvervanging in augustus tot begin maart, toen hij werkelijk doodging. Waarom hij niet gelijk in augustus was doodgegaan? “Hij hield het raampje in zijn kamer altijd open, maar begin maart was het zo stormachtig en zo winderig dat hij het dichtdeed. En toen ging hij dood.”
Blijkbaar was de concentratie koolmonoxide in de woning zo hoog dat bij de buren het alarm afging. Maar Radek was alleen en had geen alarm. Met de ene hand onder zijn buik en de andere onder zijn voorhoofd werd hij levenloos aangetroffen. Uit zijn mond had hij op het kussen gebloed. Hij was toen al twee dagen dood. Misschien heeft zijn leven niet veel voorgesteld, misschien was hij de echte ‘Mann ohne Eigenschaften’. Een Pool. De wereld is hem vergeten, de wereld had geen tijd voor hem.
Hij was een van de vele Poolse arbeidsmigranten, een van de vele stukadoors. Hij vloekte graag… en betaalde huur.

Den Haag Centraal, 1 juli 2021

Dit stuk is tot stand gekomen met steun van de Stichting Luis in de Pels.

 

Colette

Boeken. Belangrijk voor ieder van ons. Op verschillende manieren, maar belangrijk. Waarom boeken zo belangrijk zijn? Ik heb in mijn leven tweemaal een perfecte definitie van mijn eigen relatie met boeken gelezen en twee keer heb ik de formulering niet genoteerd. Misschien omdat het voelde alsof iemand me met een man zag en begreep dat dat mijn minnaar was. De publieke onthulling van een intimiteit. Maar op verschillende tijdstippen van de dag zou ik verschillende definities van mijn relatie met boeken geven. In ieder geval houd ik me eraan vast, zoals een schipbreukeling zich aan een plank vasthoudt.
Boeken betekenen veel, op verschillende manieren. Den Haag is een stad die leest. Ik herinner me de niet zeldzame momenten dat ik vanachter de balie van de bibliotheek waar ik ooit werkte, ware lezers ontdekte. Een keer vroeg iemand aan de telefoon om Laclos, ‘Les Liaisons dangereuses’. Het mysterie achter de stem. Dan zijn er de Dante-lezers. Een keer Eco, ‘De geschiedenis van imaginaire plekken’. Wat ik wil zeggen: het gebeurt maar zelden dat een mens met ons doet wat boeken met ons doen. En het is prima zo, want vreemdgaan met een boek is minder gevaarlijk dan met een mens. Maar onze boeken binden ons meer dan wij zelf kunnen. Als we samen in de trein zouden zitten, zou ik je misschien vreemd vinden, en wie weet, vervelend. Of wellicht zou ik je geur niet kunnen verdragen. Of omgekeerd. Maar allebei hebben we Dante gelezen en stel je voor dat je zou weten welke passage mijn favoriete is. Er was ooit iemand die heeft geraden welk gedicht van Borges mijn lievelingsgedicht was. Dat zeg ik: gevaarlijk. Boeken zijn gevaarlijk. En omdat boeken zo gevaarlijk zijn, houden we er allemaal van.
Vandaar ook dat het leukste antiquariaat van Den Haag, Colette, zo snel gered kon worden en zo veel publiciteit kon krijgen. Landelijk, van De Telegraaf tot NRC. Een verademing om te zien dat niet iedereen het stomme beleid van de bibliotheken volgt, die steeds kleinere collecties willen. Jogchum de Vries, de eigenaar die nu het estafettestokje van Colette doorgeeft, heeft nooit afgeschreven, alleen verzameld. Een boekenminnaar, zoals de beste minnaars. En Colette gaat door, want er zijn gelukkig nog genoeg boekenminnaars en -minnaressen in deze stad.
Deze stad heeft niet alleen boekenliefhebbers, maar ook schrijvers. Haagse schrijvers. Yvonne Keuls, Justine le Clercq, Christiaan Weijts en ondergetekende komen op zaterdag 3 juli bij Colette om over onze boekenkoorts te vertellen. Tussen 13.00 en 16.00 uur. Kom ook, alsof je naar een liefdesafspraak komt. Wij zullen met onze boeken op je wachten!

Den Haag Centraal, 24 juni 2021

 

Qatar

2711 Indiërs, 1641 Nepalezen, 1018 Bengalezen, 824 Pakistanen en 557 Sri Lankanen zijn de afgelopen periode in Qatar om het leven gekomen. Zes en een half duizend migranten zijn overleden tijdens werkzaamheden in de aanloop naar het WK voetbal in Qatar. Ik lees de cijfers een paar keer. Alsof ik tussen de elegante 2, de eenvoudige 1 en de volgepropte 8 een smal gezicht van een Nepalees zou zien. Of het zwarte haar van een Sri Lankaan. Alsof ik onder de buik van het cijfer 4 een Pakistaanse moeder zou ontwaren, in elkaar gezakt nadat ze heeft te horen gekregen dat haar zoon nooit zal trouwen, nooit kinderen zal krijgen en nooit meer haar kip tikka zal eten. Cijfers beschikken over een soort magie en hoewel de pijn van de moeder er niet door zal worden verzacht, kun je ze toch om het uur of elke dag lezen. 6500 migranten.
Ik moet denken aan het nog onbekende dodental van de aanleg van het Donau-Zwarte Zeekanaal, een van de dromen van de Roemeense farao Ceaușescu. Voorlopige cijfers geven aan dat bij de realisering van ‘Grandioos Roemenië’ zo’n tweeduizend mensen zijn omgekomen. Volgens sommige bronnen zelfs veel meer. De lijken werden ’s nachts vervoerd met een kiepwagen. Nog eens tienduizenden anderen overleefden het concentratiekampregime, maar hielden aan de ‘bouwplaats’ blijvend letsel over. Bij het kanaal, destijds ook wel aangeduid als het Kanaal van de Dood, hebben in totaal negentienduizend politieke gevangenen dwangarbeid moeten verrichten. En dictator Ceaușescu, die in 1973 opdracht gaf om het kanaal af te maken, wilde na een bezoek aan de havens van Antwerpen en Rotterdam in datzelfde jaar, ook nog een haven en een waterkrachtcentrale.
Toen ik een paar jaar oud was, vertrokken veel vaders uit mijn dorp een tijdlang naar de andere kant van het land om er te werken aan het kanaal. Verplicht door het regime. Voor mijn vader was het de eerste en ook de laatste keer in zijn leven dat hij heeft gezwommen. Jonge vaders waren het, net zoals veel van de duizenden Sri Lankanen, Nepalezen en Indiërs die in Qatar tien uur per dag moeten werken in de hitte, maar geen verkwikkende duik kunnen nemen.
Er zijn historici die beweren dat de slaven die de piramiden hebben gebouwd geen slaven waren, maar behoorden tot een volk dat al vóór de Egyptenaren in Egypte woonde, arbeiders die werkten in diensten van drie maanden en dagelijks 21 runderen en 23 schapen aten. Het legendarische volk van Atlantis. Ik heb geen wetenschappelijk bewijs, maar ik vrees dat ze de verre voorouders zijn van de Indiërs, Sri Lankanen, Bengalezen, Pakistanen en Nepalezen die stierven in Qatar.

Den Haag Centraal, 17 juni 2021

Dion Graus

Veel mensen wantrouwen wel iets of iemand. Sommigen mistrouwen buitenlanders. Anderen de Belastingdienst. Ik wantrouw politici. Maar ik werk eraan. En altijd zijn er wel stemmen die door mijn schild van wantrouwen heen komen.
Af en toe hoor je een discours dat niet uit het hoofd komt, maar uit het hart. Soms is er iemand die ‘het spel’ niet speelt. Ik doe ook mijn best. Maar hoe hoopvol kun je blijven als types die op de Wallen thuishoren zich politici noemen?
Hoe is het mogelijk dat een Dion Graus nog steeds Den Haag pollueert? Nee, de meeste mensen deugen niet, en in de politiek geldt dat zeker. Wat heeft zo’n ‘Addams Family’-type, dat volgens beschuldigingen zijn eigen vrouw dwong tot seks met anderen, nog in Den Haag te zoeken, vraag ik me oprecht af.
Hoeveel vrouwen moeten zich melden met klachten over ongewenst gedrag van de politicus? Is er een complot tegen hem beraamd, zoals hij zelf stelt? Ik hoop het!
Want als die vent naast je gaat staan, lopen de koude rillingen al over je rug. Dan hoeft ie niet eens wat te doen of te zeggen. Voor mij als buitenstaander is het grootste mysterie toch wel dat er ooit een vrouw bereid is geweest om met hem te trouwen. NRC vermeldt dat Graus de afgelopen twintig jaar door verschillende vrouwen is beticht van seksuele intimidatie, mishandeling, bedreiging en stalken. Hoe kan zo iemand kiezers vertegenwoordigen? Wat voor kiezers? Van die enge zestigplussers op klompen die op de brommer naar de Geleenstraat komen? Beschuldigingen die een periode van twintig jaar bestrijken en desondanks een politieke carrière van zo’n vijftien jaar. De politiek kijkt toe. Zwijgt.
Maar wie zo lang zonder in te grijpen toekijkt hoe vrouwen worden geïntimideerd, is medeschuldig! Ik ben gewend aan rare types in de politiek, je roeit met de riemen die je hebt. Maar Graus? Als je naar de beschuldigingen van de afgelopen twintig jaar kijkt, lijkt die man genetisch geprogrammeerd om vrouwen lastig te vallen. En die beschuldigingen roepen erom serieus te worden genomen. Om ingrijpen. En niet om die houding van die vertrouwenspersonen die al op de hoogte waren en niets deden. Immers, de ‘laatste ridder van Limburg’ is niets anders dan een ontspoorde bok, een stalker, een machtsmisbruiker. En dat zo’n man, die vrouwen lastigvalt, misbruikt, dan opkomt voor de rechten voor dieren? Wat een ironie! Kom op, Den Haag, onderneem eens actie! Politieke klasse, schaam je ervoor dat deze man zo lang zijn gang heeft kunnen gaan! Een man die zijn eigen vrouw dwingt tot seks met derden. Ja, ik heb eerder over zulke types gehoord. Oost-Europese pooiers, die in de gevangenis belanden. In de gevangenis, nooit in de politiek.

Den Haag Centraal, 10 juni 2021

 

Inferno

Beste Sylvain Ephimenco, ik schrijf u naar aanleiding van uw column van 29 mei in Trouw. Als ‘Fransoos’ (uw woorden) te worden gediscrimineerd lijkt me toch een tikje anders dan als Turk of Ghanees in Nederland. Het lijkt me net het verschil tussen brioche eten als je honger hebt, naar het recept van Marie Antoinette, en met een opgezet hongerbuikje lopen, een buik die niet weet wat brioche is. Ik kom zelf niet uit de derde wereld, hoewel de meningen verdeeld zijn in dit opzicht, maar ik zou toch iets anders voelen als ik zou worden uitgemaakt voor ‘Paturain’ of ‘knoflook’ dan voor ‘Oost-Europese hoer’ of voor de mildere variant: ‘Oostblokbarbie’. Maar het verbaast me niet dat u de nuance niet ziet, dat kunnen immers alleen de anderen, die graag de slachtofferrol omarmen, die de erwt voelen onder de door deze maatschappij neergelegde matras. Wat de slachtofferrol betreft, denk ik dat het beste is om het slachtoffer ruimte te geven, om hem te laten praten, ook degene die de slachtofferrol graag omarmt.
Het blijkt dat we het meeste begrip voor iets hebben als we het zelf ervaren. Het is mogelijk dat u gelijk hebt en dat degenen over wie u in uw artikel spreekt aan de tepel van het slachtofferschap zuigen. Maar dat stoort mij minder dan dat u zichzelf als voorbeeld geeft. Het inferno heeft meerdere Borgia’s en ik moet toegeven dat ik best begrip heb voor degenen die te veel Paturain aten in de derde kring van Dante, maar mijn hart bloedt bij de lagere kringen, waar Ugolino zijn (klein)kinderen van de honger opat. Groot verschil: niet voor niets plaatst Dante hen in verschillende kringen. Maar laten we zeggen dat dat literatuur is. Ik zie echter ook een groot verschil tussen twee weken omringd door lijken, dobberen op zee, op weg naar het Westen, en met de Thalys naar Nederland komen. Wat ik wil zeggen is dat ik, vrouw die in haar geboorteland de honger van de jaren ’80 en andere ongemakkelijkheden heeft meegemaakt, mijn mond houd naast een slachtoffer van een groepsverkrachting uit Rwanda. In ieder geval zou ik mezelf niet als voorbeeld stellen. Als u hulp nodig hebt, denk dan eens aan het ‘Inferno’ van Dante. Dat helpt.
In sommige kringen was best te leven, de andere waren het echte inferno.
Als we ons gevoel niet meten met een thermometer van redelijkheid en empathie, dan lijkt de vertraging van de Thalys een grotere ramp dan die genocide van, nee, niet de Fransen, maar hun buren, de Duitsers, op de Namibiërs – net erkend. Als we ons altijd net iets beter dan de anderen voelen, zijn wij de grote verliezers. Niet mijn woorden, hoor, wijsheid van de geschiedenis.

Den Haag Centraal, 3 juni 2021

 

Het kind als prooi

Geen plek op aarde waar een kind kwetsbaarder is dan in een internaat. Als de Griekse tragedies later waren geschreven, dan hadden ze zich ongetwijfeld in een internaat afgespeeld, waar alle kinderen iets van Oedipus hebben. Ik denk aan die film van Pier Paolo Pasolini waarin op alle wegwijzers ‘Theba’ stond. Welke weg je ook nam, hij leidde onveranderlijk naar Theba, de plek van ellende. De weg van kinderen in internaten leidt zelden naar iets anders dan naar een kleine of grote tragedie.

Ook mijn hart breekt, zoals dat van premier Justin Trudeau, bij het lezen van het bericht dat bij een voormalig Canadees internaat de stoffelijke resten van 215 kinderen zijn gevonden. In mijn Roemeense internaat waren we met ongeveer evenveel. Allemaal meiden. Ik denk dat ik van die tweehonderd meiden met wie ik ben op­gegroeid, geen gezicht ben vergeten. De onvoorwaardelijke liefde die ik heb voor les jeunes filles en fleurs, ongeacht hun ras, lengte of gewicht, is daar ontstaan, in mijn internaat. Zij waren de meiden met wie ik de honger en het gemis van ouders, familie en heuvels heb gedeeld. Als je op één internaat hebt gezeten, dan heb je op alle internaten van de wereld gezeten. Je voelt je daarna als een kankerpatiënt die het geluk had te genezen. Je hebt het gered. Je bent niet alleen een prooi geweest, je mag volwassen worden. De pech om in een internaat te belanden, was in jouw geval dus niet totaal, wat het wel was voor die215 Canadese kinderen.

Ik zie ze, alle 215. Bang, verhongerd, geterroriseerd door een strenge ‘pedagoge’, door honger en gemis. Ik hoor hun gehuil. Ik zie hun blikken, eerst bang, daarna verloren. Hun kleine knieën, hun vieze vingers, hun ongepoetste tanden. Hun smalle militaire kledingkast, hun tranen, hun dierlijke haast om te eten wanneer ze iets te eten krijgen. Ik voel hun kou, ik zie hun schouders schokken van het huilen. Een kind weet niets van de dood en denkt niet als een volwassene over zijn eigen dood. Een kind is bang. Een kind moet je troosten, liefhebben. Beschermen. Laten groeien.

De aarde is een onbekende begraafplaats. Dat wist ik al in Roemenië, toen na de val van de Muur het ene na het andere communistische massagraf werd ontdekt. Maar 215 kinderlijken? Mensheid, je bent je kinderen niet waard.

De Standaard, 2 juni 2021

 

Homo Omscholicus

‘Dj kiest voor omscholing’ luidde de onderwerpregel van een e-mailbericht dat ik gisteren ongevraagd ontving van het UWV, zoals de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in Nederland heet. Ik was er de hele avond misselijk van. Niet vanwege de houten taal waarin de mail was opgesteld, taalgebruik dat ik verafschuw, ook al verwacht ik van het UWV geen Proust. Maar vanwege de boodschap en het verhaal eromheen.

Omscholing. Bijscholing. Carrièreswitch. Het zijn de toverwoorden waarmee de overheden je in deze tijden van corona te pas en te onpas benaderen met als doel ons economische systeem ‘veerkrachtig’ (lees: in stand) te houden. Maar ik wil helemaal geen omscholing. Ook al verdien ik minder en heb ik de laatste tijd het syndroom van onrustige benen zodra ik in het donker in bed lig. Wat zal het in dit postcoronatijdperk betekenen om artiest te zijn of schrijver, schilder, danser, dj? Zullen we weer zoals de artiestenkolonies uit Montmartre en Montparnasse eeuwig met geldgebrek kampen, auteurs van ongeschreven meesterwerken zijn?

We zullen leven met hoop. We zullen weer ambtenaar worden, zoals Kafka, want als je als artiest niet tot de tien gevestigde namen behoort, zul je verhongeren. Je verlaat de beste versie van jezelf, omdat de maatschappij de beste versie van jezelf niet nodig heeft. In mijn werkkamer in het centrum van Den Haag vraag ik me af of er echt plek is voor de artiest tussen al die hardwerkende Hagenaars in hun tuinen en op hun balkons.

Al drie weken schuurt een buurman deuren in zijn tuin, dubbele deuren, met apparaten van verschillende snelheid en geluid. De hele dag door. Je vraag je af hoeveel deuren een appartement in het centrum van Den Haag kan hebben. En waar de schrijvers die schrijven zijn. Zijn ze allemaal omgeschoold of bijgeschoold en schuren ze deuren? Het is absurd, het lijkt De stoelen van Ionesco wel, alleen gaat het hier om deuren. Welke plek heeft de Artiest in deze maatschappij? Zijn er genoeg deuren voor iedereen?

In maanden ben ik niet meer zo misselijk geweest. Omdat ik het gevaar loop, zoals in de tijd van de communisten onder wie ik ben opgegroeid, om weer De Nieuwe Mens te worden. Geen Homo Sovjeticus ditmaal, maar Homo Omscholicus. Dankbaar, zoals de dj in het verhaal van de instelling van sociale zekerheid. De Homo Omscholicus die geen land meer heeft, maar een vaderland. Een vaderland dat hij dankbaar is, omdat hij niet verhongert. De nieuwe culturele revolutie kan beginnen.

Ik kies om Homerus te herlezen op de dagen dat ik omgeschoold zou moeten worden. Ik kies om te schrijven. Om te schelden. Op deze tijden, op politici, op de wethouders voor Cultuur die in mijn stad niet eens de namen van gevestigde schrijvers kunnen uitspreken. Ik wil geen Nieuwe Mens worden, ik wil de beste versie van mezelf worden. En daarvoor moet ik schrijven, lezen, lezen, schrijven.

Uit masochisme heb ik de e-mail van het UWV drie keer gelezen. Wat voor dj was de man die nu in de zorg werkt? Wat weet ik eigenlijk van dj’s?

Want als je eenmaal schrijver bent, kun je nooit meer iets anders zijn.

De Standaard, 27 mei 2021

 

Windturbine

Het mocht niet baten. Oud-wethouder Rabin Baldewsingh wordt geen wethouder. Niet nu en niet in Leidschendam-Voorburg. 28 raadsleden stemden tegen zijn benoeming, 7 vóór. Het is niet altijd makkelijk om te verwoorden wat niet gaat als het niet gaat. Maar in het geval van het (niet) benoemen van Baldewsingh tot wethouder in Leidschendam-Voorburg lijkt het vrij makkelijk te formuleren. Want het ging over een windturbine. Dan is het immers duidelijk dat het niet gaat.
In mijn geboortedorp onder de Karpaten ging het ook zo, al was daar geen windturbine in het spel – want een windturbine zou daar nog steeds als een ufo worden gezien. Het ging daar om iets anders, maar de effecten herken ik. In mijn dorp was het geen windmolen maar een koe. De koe van ome Ion at namelijk de klaver voor de konijnen van tante Mila. En dus was er geen klaver meer voor de konijnen. Maar dat was niet het ergste; het ergste was dat de koe geen klaver mag eten, want dan wordt haar buik dik, de buik zet op en als niemand er een lange naald in prikt om de lucht te laten ontsnappen, gaat de koe dood. De koe van ome Ion werd gered, maar de konijnen aten elkaar op van de honger, en tante Mila heeft het ome Ion nooit vergeven dat haar konijnen elkaar opaten en vooral niet dat zijn koe níét doodging.
Toen ik over die windturbine las, moest ik aan de konijnen van tante Mila denken. Die 28 raadsleden hadden in het verhaal van de windturbine de rol van de naald kunnen spelen en de buik van Leidschendam-Voorburg kunnen laten leeglopen. Zeven anderen hebben het geprobeerd, maar in de politiek gaat het om de meerderheid.
We zijn een dorp. Ondanks de internationale tribunalen, de expats en de multiculturaliteit zijn we een dorp. Binnen en buiten Den Haag. De technologie mag van de laatste generatie zijn, de vele (inter)nationale bedrijven mogen ‘shinen’ in duurbetaalde magazines, de expats mogen klagen over hoe koud het is in Den Haag, als ze maar dure bakfietsen kopen en de huizenprijzen hooghouden, want ‘the money must rule’.
Den Haag heeft nog een gezicht, minder shiny, en ik denk dat Rabin nog niet is vergeten dat het geld voor wijlen het Migratiemuseum van de rekening werd gehaald. Het gedoe met de windturbine lijkt een geschikte plot voor een aflevering van ‘Murder, She wrote’ in Cabot Cove, Maine (VS). Alleen is er niemand doodgegaan, behalve de politieke dromen van Rabin Baldewsingh en het Migratiemuseum. En Leidschendam-Voorburg zal een wethouder naar zijn gelijkenis krijgen.

Den Haag Centraal, 27 mei 2021

Zeus op leeftijd verkracht Europa opnieuw

Ik herlees La vie devant soi van Romain Gary en kom een zin tegen die zomaar uit de mond van Jurgen Conings had kunnen komen: ‘Ik wist nog niet zeker of ik bij de politie zou gaan of me bij de terroristen zou aansluiten, dat zal ik later wel zien, als het zover is.’

Op het moment van schrijven is Conings nog niet gevonden, maar ik hoop dat de wereld ondertussen ook beter naar de andere terrorist van dit moment begint te kijken: de arrogante, dictatoriale Aleksandr Loekasjenko, die een vliegtuig kaapte om een jonge moedige journalist te arresteren. Dat we in de lucht niet veilig zijn, krijgt door Loekasjenko een nieuwe betekenis. Hij is een creepy mastodont, die mooie vrouwen als ‘bodyguard’ gebruikt, eigenaar van een modellenbureau, een man die het in een normalere wereld niet verder zou schoppen dan pooier op leeftijd, denkt dat hij de tweede Vladimir Poetin is. Maar in vergelijking met Loekasjenko is Poetin een vertegenwoordiger van het magisch realisme: die komt nooit te dicht bij de plaats delict en zelfs zijn minnaressen en hun kinderen bestaan niet echt. En terwijl Poetin ‘Ceci n’est pas une pipe’ blijft spelen, is Loekasjenko een soort Javert van het laagste niveau. En de internationale gemeenschap, de Europese Unie incluis, liet hem jarenlang zijn gang gaan.

Hoelang zal de EU nog blijven kijken naar deze dictator van Wit-Rusland, deze vreemde combinatie van Julio Iglesias en Dzjengis Khan, zonder sancties op te leggen die zijn regime echt raken? Een investeringsplan bevriezen, is dat toereikend? Een vliegverbod voor Belavia? Waarom zat de EU tot nu toe koffie te drinken, terwijl het leven van een journalist die zijn leven riskeerde voor de vrijheid van het woord en de waarheid, misschien al (mond)dood is?

Wat een leuke bezigheid hebben ze daar in het Oosten: vliegtuigen kapen of neerhalen. Ze spelen er met vliegtuigen in de lucht zoals een rijk kind met treintjes speelt. Eerst vlucht MH17 neerhalen, nu de vlucht naar Vilnius kapen. Het gaat niet alleen om de gearresteerde journalist, maar ook om al die andere mensen in het vliegtuig. Hun families die op hen wachtten. Hun kinderen.

Ik stik van woede. Poetin Voldemort heeft een Harry Potter nodig om te worden uitgeschakeld, laten we hopen dat Aleksej Navalny in de buurt komt, maar EU, laat je koffie staan, en doe meer dan blaffen naar deze Corleone van het Oosten. Bijt! Kijk nooit meer weg. Want de vervallen Zeus op leeftijd verkracht Europa opnieuw.

De Standaard, 25 mei 2021

 

Vakantiedag

‘Toen de Ottomanen op de deuren van Byzantium bonkten, zaten de theologen daar te ruziën over het geslacht van engelen,’ placht mijn favoriete docent op de universiteit te zeggen als hij het gevoel had dat wij onze aandacht voor zijn college verloren. Daar moest ik het afgelopen weekend aan denken toen ik in Noordwijk naar de intens blauwe hemel keek, waarvan het blauw door een vliegtuig met een banner werd verstoord. Iedereen op het terras waar ik aan de appeltaart zat, had moeite om de boodschap te ontcijferen: ‘Martijn, gefeliciteerd! Je Corren.’ Blijkbaar zag Martijn de boodschap uit de blauwe hemel niet, want het vliegtuigje bleef rondjes maken, zodat iedereen in Noordwijk Martijn kon feliciteren. Maar wat een blauwe hemel was dat, wat een vakantiedag!
Hoe kon je niet denken aan al die raketten die de hemel van Israël en Palestina dagen en nachtenlang doorkruisten om de vele Martijns, Ruths of Samirs te doden, niet te feliciteren. En niet alleen Ruth en Samir, ook hun kinderen. ‘Iemands dood is een tragedie; de dood van een miljoen mensen een statistiek,’ zei vadertje Stalin ooit. En zittend op de comfortabele stoel op het Noordwijkse terras had ik het gevoel dat ik ze zag, zwaaiend vanuit de hemel: die doden die niet meer dan een statistiek zijn. Intussen viel het vliegtuig met de boodschap op het hoofd van Martijn, want de rondjes stopten. Kijkend naar de blauwe hemel kon ik de raketten aan de hemel van Israël en Palestina bijna horen. Naast me bewonderde een groep jongemannen elkaars dure sportschoenen en dure zonnebrillen. Door hun stemmen heen hoorde ik het kabaal in Gaza. Verderop speelde half Noordwijk midgetgolf op een terrein met kleine, aangelegde heuvels en een reliëf dat bij zo’n recreatiesport hoort.
Wat een gelukkig volk in Noordwijk, zeg! Wat een leuke vakantiedag! Wat een rijke gemeente, dat Noordwijk, wat een luxe! Ik bedacht dat ons Den Haag met Scheveningen normaler lijkt. Of misschien wilde ik me er gewoon van overtuigen dat het zo is. Dat Palestijnen en Joden in Israël op een dag samen humus zullen eten, dat de kinderen in Gaza naar de blauwe hemel zullen kijken zoals de kinderen in Noordwijk, zonder angst. Ik fietste terug vanuit Noordwijk door de duinen, een lange, maar prachtige weg met af en toe een meertje, en ‘echte’ heuvels, die me aan mijn geboortedorp deden denken. Toen ik eenmaal in Den Haag was, ging het regenen, almaar harder, je kon de hemel niet meer zien.
Hoe zit het met de raketten als het regent? Kun je raketten afvuren als het regent?

Den Haag Centraal, 20 mei 2021

 

Kattenleven

‘Ik heb in mijn leven twaalf honden gehad,’ zegt A.L. Snijders. We zitten te wachten voor de opnames van het nieuwe tv-programma ‘Brommer op zee’. ‘Tegelijk of na elkaar?’, vraagt Esther Gerritsen. We lachen alle drie. Stel je voor: tegelijk! Ik zie het al voor me, het beeld lijkt wel een Roemeens tafereel met straathonden. Straathonden, daar maar al te vaak alleen verzorgd door bedelaars of daklozen.
Ik bedenk dat twaalf honden na elkaar voor een nomade zoals ik onmogelijk zou zijn. Hoeveel honden kun je hebben als je in een nieuw land een tweede leven begint? Ik bedenk een alternatieve vraag voor ‘Hoeveel jaar zit je al in Nederland?’: ‘Hoeveel honden heb je hier gehad?’ Als je labrador twaalf is, heb je hier dus al een klein leven, een hondenleven in de letterlijke zin van het woord, hopelijk niet de figuurlijke. Heb je al twee honden gehad, vanaf dat ze puppy waren, dan zit je er al een tijd. Neem je als nieuwkomer een hond? Dan wil je echt blijven. Een hond is net een paspoort, je blijft!
Misschien nemen mensen daarom eerder een kat. Studenten nemen katten, alleenwonenden en mensen die iets groters dan een cavia willen, nemen een kat. Een kat als definitie van ‘ik wil het proberen, dat leven, en ik hoop dat het lukt’. Een kat is een huurhuis, een hond al een hypotheek.
Toen wij naar Nederland kwamen, namen we een kat. Uit het asiel. Om te proberen. Vijf jaar later een hond erbij. Niet omdat we meer vertrouwen hadden in het leven of in onszelf, meer omdat we bleven proberen. De kat was ziekelijk, en omdat hij erg verzwakte, hebben we hem laten inslapen. Toen we zaterdag in de auto met z’n drieën zaten te huilen voor de kliniek waarvandaan onze kat naar het kattenparadijs zou gaan, bedacht ik dat we al een leven in Nederland zijn: het leven van onze kat, waarvoor wij alles waren wat hij kende. In veel opzichten leken wij zelf op onze schuwe asielkat toen we naar Nederland kwamen. We hadden niemand, maar gaven onze kat een gezin, ondanks ons wankele lopen. Misschien omdat we bleven proberen. We zijn zo menselijk als onze dieren ons laten zijn. Misschien hoe onze dieren ons in veel gevallen léren te zijn. Ik bedacht ook dat je, hoe zwak, wankel, onzeker of verpletterd door het leven je ook bent, je altijd je menselijkheid kunt tonen. Aan je huisdier, aan je mede-treinreiziger, aan wie dan ook.
Ik denk weer aan de bedelaars en daklozen met hun honden. Ook in de Nederlandse steden zie je ze vaak samen. Hoeveel menselijkheid valt er van hen te leren? Hoeveel (mede)menselijkheid tonen wij?

Den Haag Centraal, 13 mei 2021

De uitverkoop van Roemenië

‘Had hij een Roemeense naam gehad, was hij misschien niet dood’, jammeren de ultranationalisten in Roemenië. Maar zelfs westers georiënteerden zien in de dood van Arthur, de grootste beer van Roemenië, een symbool. ‘De beer is voor ons, Roemenen, en voor onze voorouders, een totemdier, het symbool van een leven in vrede en harmonie, een symbool van onze kracht en weerstand’, zijn de gevoelens die Roemenen op sociale mediakanalen en in de Roemeense pers delen. ‘Wij allemaal zijn Arthur’, is nu de Roemeense variant van ‘Je suis Charlie’.

‘Beer Arthur, dat zijn alle Roemeense industrieën, banken en breinen die door de buitenlanders zijn gestolen. Net zoals Arthur waren sommige ervan uniek in Europa, ze waren vet en mooi. Maar ze stonden hun in de weg’, schrijft de Facebookgroep ‘Beer Arthur – wij beschermen de natuur’, die na de dood van de beer werd opgericht. Nog even en Arthur overtreft Balou of beer Edward, alias Winnie de Poeh, in populariteit. Waarom Arthur veel kans maakt om populairder dan alle beren te worden? Omdat er naar mijn weten tot nu toe geen beer is geweest die het oosten en het westen verdeelde. Van de ene op de andere dag is de dood van Arthur een metafoor geworden van: ‘Something is rotten in het westen.’

‘Buitenlanders leiden ons land en verkopen volk en vaderland’, roepen de (ultra)nationalisten, een duidelijke verwijzing naar de Roemeense president Klaus Johannis, die behoort tot de etnisch Duitse minderheid en bevriend zou zijn met de dader, de in het Oostenrijkse Stiermarken residerende prins Emanuel von und zu Liechtenstein. Van het Roemeense ministerie van Milieu bleek de prins een ontheffing te hebben gekregen om een berin met welpen, die vorig jaar schade zou hebben aangericht aan enkele boerderijen, uit te schakelen, maar hij doodde gewoon de grootste beer die in Roemenië is gezien. Volgens specialisten was Arthur waarschijnlijk zelfs de grootste beer in de hele EU. Uit metingen aan het kadaver bleek dat Arthur goed was voor 593 van de 600 punten die de hoogst mogelijke score vormen in kringen van trofeejagers.

Strooppartij

‘Ik vraag me af hoe de prins een wijfjesbeer met welpen, die tot in een dorp kwam, kon verwarren met het grootste mannetje dat diep in de bossen leefde. Het is duidelijk dat de prins niet kwam om het probleem van de dorpelingen op te lossen, maar om de beer te doden en zijn grootste trofee mee naar huis te nemen en daar aan de muur te hangen. Dit is een strooppartij, aangezien ze de verkeerde beer hebben doodgeschoten’, verklaarde Gabriel Păun, voorzitter van het Roemeense Agent Green, en heel Roemenië deelt zijn mening.

Ik bedenk ineens dat het boek van Herta Müller De vos was de jager verplichte lectuur zou moeten zijn voor buitenlandse trofeejagers die in Roemenië gaan jagen.

‘Wij allemaal zijn Arthur’, is nu de Roemeense variant van ‘Je suis Charlie’

Wereldwijd worden er dagelijks zoveel dieren doodgeschoten of gesmokkeld, groot of klein, maar die halen de krant niet en doen het bloed van een natie niet koken. Sinds de olifantenjacht van de Spaanse oud-koning was er geen ophef meer. Want er is iets wat deze twee schietpartijen in de ogen van het volk gemeen hebben: de decadentie, de decadentie van het Westen, de decadentie van het blauwe bloed. Degenen die de olifanten en de beer doodschoten zijn vertegenwoordigers van de wereld qui s’amuse in tegenstelling tot de wereld qui travaille en dat weegt net zo zwaar als – misschien wel zwaarder dan – de grootse beer van Roemenië. En daar komt nog bij dat Arthur Arthur was en de Roemeense nationaliteit had.

Nachtegalen

De notoriteit van Arthur is net ontstaan en het is heel goed mogelijk dat zijn leven na de dood bekender wordt dan zijn echte leven van zeventien jaren in de bossen van Roemenië, tot die noodlottige ontmoeting met een westerse prins, op die noodlottige dag van 13 maart. Het zou zomaar kunnen dat de dood van Arthur ertoe gaat leiden dat trofeejacht helemaal wordt verboden. De Roemeense minister van Milieu, degene die de prins de ontheffing had gegeven om een berin te doden, heeft in ieder geval al aangekondigd dat hij naar aanleiding van de casus-Arthur de regels heeft veranderd, zodat buitenlanders niet meer kunnen worden uitgenodigd om in Roemenië op beren te komen schieten. Heel Roemenië kijkt nu naar buitenlanders die Roemenië binnenkomen. Velen herinneren zich ook nog de Italiaan die bij de grens werd aangehouden met twaalfhonderd nachtegalen in de kofferbak van zijn auto. Ik vraag me af of die nachtegalen ook namen hadden.

De Standaard, 10 mei 2021

Poppenspel

Het was een bijzondere week, waarin Biden in zijn discours de Armeense genocide genocide noemde. De geschiedenis van honderd jaar geleden wordt nog steeds geschreven.
Maar het nieuws dat de afgelopen dagen even mijn totale aandacht had, was dat Nederlandse parlementariërs via Zoom een gesprek hebben gevoerd met een nepversie van de stafchef van de Russische oppositieleider Aleksej Navalny. En niet alleen onze politici hadden de eer om vragen te kunnen stellen aan een deepfake-imitatie van de naaste medewerker van Navalny, ook een Letse en een Britse politicus hebben een uur vragen gesteld aan, eigenlijk, een dienaar van Poetin. Vermomd als stafchef Volkov.
Is de Koude Oorlog eigenlijk ooit beëindigd of is er een nieuwe gaande?
De gebeurtenis die niet alleen aan de Koude Oorlog doet denken, maar ook aan de ‘commedia dell’arte’, toont de arena van de internationale politiek.
Ik heb me afgevraagd of zo’n actie, waarbij je denkt dat je met iemand spreekt maar eigenlijk met een deepfake-imitatie praat, in alle domeinen van het leven mogelijk zou zijn. Ik stel me bijvoorbeeld voor dat ik een Zoom-gesprek heb met Cees Nooteboom of Antjie Krog. Zou ik echt niet doorhebben dat Nooteboom niet Nooteboom is en dat de fakestem van de fake Antjie Krog minder emotie toont? Zou ik of een andere literatuurhebber dat echt niet doorhebben, vraag ik me af – en ik besef tegelijk dat ik degene was die een fakebrief over een gestolen Picasso authentiek achtte. Maar toch maak ik mijn punt: hoe klinken die gesprekken tussen internationale politieke gasten eigenlijk? Wat heeft Wilders, die deelnam aan het nepgesprek, eigenlijk gevraagd? Heeft hij gezegd dat er internationaal gezien minder-minder-minder behoefte is aan figuren als Darth Vader Poetin? Of gaan zulke gesprekken niet verder dan ‘Nice to meet you en we leven mee met Navalny?’ Als de Nooteboom in mijn imaginaire gesprek de naam van Borges verkeerd zou uitspreken, zou ik al zo mijn vermoedens hebben, maar hoe kun je vermoeden dat Volkov geen Volkov is? Als het niet sinister zou zijn, zou de politiek een scene kunnen zijn voor Scaramouche, Pantalone en Harlequin, een act zonder regels, waarin improvisatie een grote rol speelt.
Met zulke internationale ‘gesprekken’ vraag je je ook af wat het lot van Navalny zal zijn. Wie kan hem redden uit de handen van onze eeuwige Tartaglia?
Of Darth Vader? Het lijkt er soms op dat we blind zijn voor het poppenspel dat voor onze ogen wordt gespeeld. Het poppenspel is echter dan ooit. En je weet niet meer wie wie is en wat ieders rol is. Ondertussen spelen wij, de toeschouwers, onze eigen kleine komedie. Het leven gaat door, want de terrassen zijn open!

Den Haag Centraal, 29 april 2021

Viezeriken

Ik zou niet in andere tijden willen leven en misschien ook niet in een ander land. Tegelijkertijd ben ik wel op zoek naar wat ik mis, wat me verblindt. De diversiteit van de meningen in onze maatschappij houdt me scherp en zet me aan het denken. Zo heb ik soms meer aan degenen die níét op mij lijken en ánders denken. Als ze integer zijn en niet fake, wil ik graag weten wat ze te zeggen hebben.
Als vrouw doet het me goed om te zien dat je viezeriken tegenwoordig kunt aanpakken, hoewel ik, zoals in de gezondheidszorg, meer ben voor preventie dan voor behandelen. Laat het niet zover komen dat er behandeld moet worden! Hoe Sidney Smeets tot in de Tweede Kamer heeft kunnen komen of namens een bekende partij kon optreden, zijn niet de juiste vragen. Wat hij over zichzelf denkt, interesseert me meer. Hij ‘wist niet dat hij met zijn berichten iemand kwetste’. Om te kotsen. Wat een brutaliteit!
Of waanzin à la Foucault? Buiten Nederland wordt ons land vaak niet alleen als belastingparadijs gezien, maar ook als een paradijs voor pedofielen. Voor viezeriken. Don’t ask me why. Desondanks koos de Franse filosoof Foucault destijds voor Tunesië. Ik zie hem niet in Scheveningen met muntjes strooien om jongens op het kerkhof te kunnen neuken.
Waarom reageren we altijd zo laat? Waarom pas als Smeets in de Tweede Kamer zit? Mag je zulke berichtjes wel als gewone mens sturen, maar niet als politicus?
Als het om moraal en wetgeving gaat, bewegen we als een mollige worm, half slapend, inert. Waarom moeten de slachtoffers het voor ons en voor onze kinderen oplossen? Waar komt deze amoraliteit vandaan, vraag ik me steeds af.
Oh, het is de lust!
‘De seks is het waard om voor te sterven,’ zei Foucault en hij had het niet over voortplanting.
Doen vrouwen ook zoveel voor de lust? Heeft de man meer lust dan de vrouw? Ik vraag dit, omdat bekend is dat hij ook meer hersenen heeft. Was Foucault het product van zijn tijd? Laat me niet lachen! En nu serieus, welk aandeel heeft de tijdgeest in je daden? Ook voor zijn liberale tijdperk was Foucault extreem. Heel Frankrijk wist dat hij seks met kinderen wilde, officieel, en dat hij het had, onofficieel. Waarom schrikken wij er nu van, zestig jaar later?
Zijn de boeken van Foucault er minder interessant door? Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat de slaperige larve die onze moraal is, meer impulsen moet krijgen.
Viezeriken zijn overal. En als wij onze ogen sluiten, is het antwoord op de bekende vraag van Foucault ‘Qu’est-ce qu’un auteur?’ makkelijker dan in de literatuurtheorie. Wij allemaal zijn de auteur.

Den Haag Centraal, 22 april 2021

 

Helden

Aleksej Navalny is binnen een maand al dertien kilo kwijtgeraakt in zijn strafkamp, zijn rugpijn neemt toe, hij heeft een dubbele hernia en de internationale organisaties die zich inzetten voor mensenrechten en politieke gevangenen wachten op Godot. Waarom er twijfel ontstond? Omdat Navalny niet de perfecte sprookjesheld bleek te zijn. En eer de internationale organisaties zichzelf zullen hebben overtuigd dat ze zelf ook geen Bollywood zijn, is Navalny al bijna dood.
De situatie heeft wel wat weg van zo’n sprookje van Grimm dat kinderen angst moet aanjagen: keizer Poetin slaagt erin om zichzelf tot farao uit te roepen, zijn tegenstander Navalny zit in een strafkamp en wordt ’s nachts elk uur door bewakers wakker gemaakt – een bekende martelmethode, die ook in de communistische gevangenissen in Roemenië heel populair was. Het kwaad ontwikkelt zich niet, het is al geniaal geboren.
Er zijn meer Navalny’s in de wereld, maar een zaal in Bollywood zou je niet met hen kunnen vullen, denk ik. Ze zijn per definitie zeldzaam.
Toch laten we ze doodgaan. Omdat ze niet perfect zijn. Omdat ze, naar verluidt, ooit toch iets hebben gezegd dat niet met de tijden van nu rijmt. In mijn naïviteit dacht ik dat de internationale organisaties eerst menselijkheid op het menu hebben en pas daarna trouw aan de finesses van de ‘political correctness’. Menselijkheid, vóór alles. Ik dacht dat een internationale organisatie geen tribunaal was. En bovendien: een held, hoe groot ook, is ook maar een mens, een product van zijn wereld, hoe oprecht hij ook is. En dus kijk je naar zijn daden en naar zijn lijden, je gaat geen hermeneutische analyse van zijn discours maken.
Wij verdienen onze helden niet. Ze zijn goed voor sprookjes en films, maar als hun leven in onze handen ligt, beginnen we te twijfelen: zijn ze echt wel helden?
Ik stel me voor dat we Navalny op een groot scherm in een Pathé zien, we zien hoe de beul van Poetin elk uur binnenkomt om hem wakker te houden, we zien Navalny kreunend van de pijn. En wij zitten achter de knoppen van ‘help hem’ en ‘laat hem creperen, want hij was niet ‘politically correct’ in een van zijn toespraken’. We twijfelen welke van de knoppen we moeten indrukken. We kijken en laten hem creperen en we lopen de zaal uit.
Als we niet menselijk zijn, zijn we andere dingen voor niets, hoe belangrijk die andere dingen ook mogen zijn. Menselijkheid is zeker wat ik verwacht van internationale organisaties die zich inzetten voor politieke gevangenen. En dat ze tenminste de juiste adviseurs hebben, als ze niet zelf een keuze tussen de knoppen kunnen maken.

Den Haag Centraal, 15 april 2021

 

Waarheid

Hoewel momenteel ziek in bed (geen corona), heb ik met een trots die alleen mijn eigen geschiedenis kan verklaren, het gedicht van Lieke Marsman over de laatste nationale (de hele natie rakende) leugen gelezen. Als iets me deze Pasen van mijn ziekbed kreeg, was het wel dit: te kunnen zien dat literatuur kracht toont en de waarheid van de daken schreeuwt. Heel anders dan vroeger in mijn geboorteland, waar de schrijver onder de dictatuur niet veel opties had. Wij zijn een democratie en dat zie je (ook) in de literatuur. Dat het niet ‘iedereen’ kan schelen, is een ander verhaal.
Ik vraag me, nog herstellende maar opgewonden van het gedicht van Lieke, gewoon af hoe de verkiezingen eruit zouden hebben gezien als ‘Een paasgedicht’ een week voor de verkiezingen zou zijn verschenen: ‘Treurig die dag, een donderdagnacht/ waarin een land op waarheid wacht.’
Bam!
Kan dit gedicht geen nationaal lied worden? Want ik ken het al uit mijn hoofd!
Dus het kan, heb ik tegen mezelf gezegd. Het kan! Je hoeft geen oorlog te hebben meegemaakt, geen dictatuur, geen totalitarisme, geen honger, geen politieke gevangenis, geen censuur, om de enorme kracht van de waarheid te kennen. En om te begrijpen hoe belangrijk het is om je pen te gebruiken in dienst van de waarheid!
Er was een nationale leugen voor nodig om bijna iedereen te laten begrijpen dat er geen ‘meer waarheden’ zijn, of dat ‘iedereen’ zijn eigen waarheid heeft en je dus alles moet ‘uitpraten’, zoals ik al jarenlang hoor in Nederland. Ik heb me vaak afgevraagd of de vele waarheden in ons land niet de oorzaak zouden zijn van de nationale ziekte, burn-out, gezien de vele ‘waarheden’ die je hier steeds moet slikken, ook als de waarheid gekruisigd en naakt boven je hoofd staat.
Nee, er is één waarheid. Zwaar, naakt en oncomfortabel. En die zit niet in de buurt van Rutte zoals bergen niet in de buurt van Den Haag liggen. Maar ze zit wel in de literatuur.
Het was lang geleden dat ik van een gedicht zo high werd. En nee, het komt niet door de pijnstillers, het komt door het gedicht van Marsman, Dichter des Vaderlands, die bewijst dat Plato het mis had waar het dichters betreft.
Ik weet zeker dat ik morgen beter zal zijn en zal gaan lopen, want ik kan zingen, ik zing, als een mantra, na elke slok thee: ‘Oh Rutte – door te blijven heeft u ons verlaten.’

Den Haag Centraal, 8 april 2021

Pasen

De enige traditie die niet verdwaalde tussen de twee culturen waarin ik leef, is Pasen vieren. Een psychoanalyticus zou zeggen dat dat niet toevallig is, dat ik vasthoud aan iets wat gaat over schuld en magisch realisme.
Maar het is zoals het is. Ik zou de psychoanalyticus kunnen tegenspreken en zeggen dat de omstandigheid dat Pasen in de lente valt, ook een rol speelt bij mijn vasthoudendheid. In mijn kindertijd was na de harde winters met Pasen bijna alles groen en was ik er getuige van dat in de natuur wonderen mogelijk zijn. Niets magischer dan de aarde die zich vernieuwde, opnieuw en opnieuw, elk jaar weer, met een kracht die me versteld deed staan! Een tijdje geleden heb ik begrepen dat ik twee levens nodig zou hebben om kwijt te raken wat ik als kind, in een land waar geloof werd afgekeurd, in een dorp dat geen kerk of kerkhof had, leerde van geloven in de natuur en het goede. In mij zit een Bernadette, ook al heb ik van haar alleen de overtuiging dat Maria haar in het patois toesprak. Geloof zou een intieme overtuiging moeten zijn, in ieder geval een persoonlijke zoektocht en niet een die je met de hele kerk deelt. Als meisje vond ik al meer mysterie en goddelijk bewijs in de schoonheid van de natuur dan in de letter van de Bijbel. Dat meisje dat ik was, ben ik ook niet kwijtgeraakt tussen deze twee culturen.
Maar hoe kan het dat we de kruisiging en het enorme lijden van een mens als onze eigen redding en zaligmaking kunnen zien?
Geen psychoanalyticus kan me ervan overtuigen dat zoiets koosjer is.
Op mijn twijfels vind ik nog steeds meer antwoorden in de natuur, zoals toen ik kind was. Na de val van de Muur kregen we op tv met Pasen ‘Jesus of Nazareth’ met Robert Powell, elk jaar opnieuw, en elk jaar moesten mijn ouders me de kamer uit sturen, want ik viel bijna flauw van het huilen wanneer Jezus werd gekruisigd. Ik was wanhopig van onbegrip. Wat voor religie kon zo wreed zijn? Het feit dat hij na drie dagen uit de dood verrees, maakte op mij veel minder indruk dan zijn lijden.
Wreedheid zit overal, ook in Urk en Krimpen aan den IJssel. Naast ons, in ons.
Wat ik van elke paasviering in mijn dorp heb overgenomen, en deze overtuiging heb ik meer op de heuvels dan in de kerk gekregen, is dat het leven krachtiger is dan alles. En dat pijn een functie kan hebben in het vernieuwen.
Ook van de ziel. Maar schop je naaste niet, zoek liefde en vertrouw op de goddelijke schoonheid van de natuur! De lente komt! Vrolijk Pasen allemaal!

Den Haag Centraal, 1 april 2021

 

Maar één Kaag

De resultaten van deze verkiezingen deden me denken aan de situatie op school waarbij je een vak niet leuk vindt, maar de docent wel. En de docent is zo cool dat je het vak een kans geeft en het zelfs leuk begint te vinden. De docent is zo buitengewoon dat je uiteindelijk een passie voor zijn vak krijgt en het zelf gaat studeren. Een goede, gepassioneerde docent doet wonderen. Kan dat ook in de politiek? Zo te zien wel. Sigrid Kaag is het bewijs.
Want velen van ons hebben deze keer op de docent gestemd en niet per se op zijn vak. Of beter gezegd: uiteindelijk ook op zijn vak, maar alleen vanwege de docent. Velen hebben voor Kaag gekozen, omdat zij met haar discours boven alle partijen uitsteeg. Boven alle politici uit.
Ze is cool, ze kan onderhandelen, en ze weet iets over de wereld. Bovendien is ze getrouwd met een buitenlander. Net als Wilders, zou je kunnen zeggen. Maar wat bij Wilders een klein detail in zijn sowieso oninteressante biografie is, wordt bij Kaag een politieke daad.
Kaag is de docent die de saaie materie aantrekkelijk maakt. En de stemmers vielen voor haar. De stemmers hebben hun ding gedaan. Nu is het aan Kaag. Als je in je schoolleven een of twee van zulke docenten ontmoet, zit je goed. Wat je van je docent meekrijgt, draag je je hele leven mee, tenminste in je herinneringen – als je het zelf, op jouw beurt, niet ook doorgeeft of transformeert in iets anders, wat anderen kracht en richting geeft. Met politici is het net zo. Ik heb het nu niet over de partijen. Ik heb het over de Jan Terlouw van een partij, de Sigrid Kaag en – hoewel ik zeker niet voor zijn ideeën was, maar zijn charisma (en zijn mooie taal) niet kan ontkennen – Pim Fortuyn.
Tip voor de verliezende partijen: zoek jullie eigen Kaag! Iemand die echt iets te zeggen heeft, dat ‘iets’ dat geen politieke blabla is, weliswaar goed geformuleerd in het Nederlands maar niet meer dan dat. Zoek iemand die ons écht iets kan vertellen. Want hoe kil Kaag bij sommigen ook overkomt, ze heeft wel veel minds, en misschien ook harten, weten te overtuigen.
Maar ook de ‘leerling’ die uiteindelijk, dankzij de docent, voor het vak viel, was geen gewone leerling. Het was een intelligente, hoogopgeleide, maar zoekende stemmer. Die zich niet vertegenwoordigd voelde. Tot nu toe.
Geen wonder dat de andere partijen verloren hebben. Er was immers maar één Kaag. Helaas.

Den Haag Centraal, 25 maart 2021

 

Paradijsje

De Haagse bibliotheek zal een nieuwe directie krijgen. Het is de plek waar ik de boeken uit mijn leven in Roemenië terugvond en waar ik werkelijk de Nederlandse taal heb geleerd. En niet alleen dat. Ik heb er veel meer geleerd en ik zal de bibliotheek altijd een warm hart toedragen. Het is de plek waar ik en anderen zoals ik richting hebben gekregen, omringd door boeken. De bibliotheek is groter dan haar naam, en haar functie is groter dan in politieke toespraken wordt gezegd. Ze is geen addendum van de gemeente en moet ook geen cadeau onder de kerstboom voor tijdelijke machthebbers zijn.
Daarom wens ik de bibliotheek een boekenmens toe als directeur! Immers, wie boeken leest, weet de mens de waarde te geven die hij verdient. Ik wens de bibliotheek een directeur toe die de schatten van de bibliotheek kent en ze kan belichten. In Den Haag is er geen andere plek zoals de bibliotheek. Een sober paradijsje, maar wel een paradijsje voor iedereen! Een plek met boeken geeft iedereen die er zit waarde. Daarom wens ik de bibliotheek een directeur toe die de boekencollectie wil ontdekken en de mensen die er soms hun hele leven werken, wil leren kennen. Een directeur die af en toe van zijn positie op de hoogste verdieping afdaalt tot op de begane grond. Een directeur die weet dat in de kleren van Assepoester een prinses zit en die weet dat de mens de plek heiligt. In een bibliotheek wordt de plek ook geheiligd door de boeken. Tegen iedereen zeg ik dan ook: Je bent geen Hagenaar als je niet weet waar de Haganacollectie in de bibliotheek staat. Ik gun de Haagse bibliotheek een directeur die, ook al staat het niet in zijn functieomschrijving, de Haganacollectie met gesloten ogen kan vinden. Een directeur die zijn eigen herinneringen uit de tijd dat hij naar de bibliotheek ging, koestert en ook onder druk nooit vergeet dat de bibliotheek voor iedereen is, voor alle mensen die vanaf 10.00 uur binnenkomen en er tot 20.00 uur kunnen blijven, en voor hun kinderen en hun kleinkinderen. En die niet vergeet dat de bibliotheek het anker van onze stad is en geen vehikel naar een nog betere functie. En dat de wethouder die de bibliotheek in zijn portefeuille heeft, ook maar een mens is die ’s avonds zijn sokken uitdoet, hoe machtig hij ook lijkt. Ik gun de bibliotheek een directeur die zijn eigen mensen kan vertrouwen.
Ik gun de bibliotheek een directeur die geen filialen sluit en twee, drie jaar later nieuwe opent. Die kan denken, eigen beslissingen kan nemen. Die, voordat hij zijn positie aanvaardt, weet wat een bibliotheek is: de beste plek om te zijn.

Den Haag Centraal, 18 maart 2021

 

Vrouwen

Het was weer 8 maart, de dag waarop we ons herinneren dat Eva, na de korte episode met de appel en de slang in de Bijbel, nog altijd een stap achter Adam loopt. En niet omdat ze het ritme niet zou kunnen bijhouden; immers, terwijl ze achter Adam loopt, doet ze van alles: voor de kinderen zorgen, het huishouden, zich opofferen, kunst maken en ook Adam niet uit het oog verliezen – want, wie weet, misschien heeft hij ook iets nodig. Toch wil Adam nog steeds bepalen hoeveel bedenktijd Eva na een verkrachting heeft om een abortus te plegen. Waarom kan Eva dat zelf niet bepalen? Waarom vergeten we Eva nog altijd?
Als journalist bezocht ik deze week een expositie van drie vrouwen, in het hart van onze stad. Drie vrouwen die de expositieruimte veranderen in een wereld waarin je je meteen op je gemak voelt, omdat het de ruimte van de vrouw is. Zeven kamers die mij sterk deden denken aan mijn eerste kinderjaren, toen ik min of meer opgroeide in een fabriek met honderden Eva’s die naalden, draden en naaimachines manoeuvreerden; de enige Adam daar was de directeur. Het verschil tussen de ruimte van toen en deze zeven kamers van nu zit in de boodschap. De rumoerige ruimtes waarin vrouwen werkten, hebben een heldere stem gekregen, een boodschap. Om de sacraliteit van zo’n ruimte van vrouwen te nuanceren is de expositie naar de drie schikgodinnen vernoemd: ‘She spins the thread, she measures the thread, she cuts the thread’ – de drie zussen uit de Griekse mythologie, Lachesis, Klotho en Atropos. Lachesis was degene die de lengte van de levensdraad van elk mens bepaalde, haar zussen weefden de draad en knipten die door. De drie kunstenaressen die deze rollen spelen, zijn Mila Lanfermeijer, Ana Navas en Evelyn Taocheng Wang.
Als je de zeven kamers die architecte Donna van Milligen Bielke ontwierp allemaal doorloopt, begin je op een gegeven moment te begrijpen welk werk van wie is.
De materialen en objecten dragen niet de naam van de kunstenaar.
Een huiselijkheid en intimiteit waarnaar we in onze relaties altijd op zoek zijn. Gewoontes, huiselijkheid en rituelen. Objecten van toen als symbolen van nu. Boodschappen. Het is een expositie die vragen stelt over wat vanzelfsprekend was. Waar is de plek van Eva? In een van de zeven kamers? Zijn de kamers, het huiselijke, geen Mario-game geworden, waarin de held(in) de obstakels moet overwinnen om in de agora te mogen staan? De huiselijkheid van het leven. Een expositie die ons er ten minste tot 2 mei aan kan herinneren dat Eva nog steeds achter Adam loopt. Bij Nest in het hartje van Den Haag. Voor als we weer naar musea en exposities mogen.

Den Haag Centraal, 11 maart 2021

 

Nieuwe tijden

Jaren geleden zei een literair criticus tegen me: ‘Je bent geen Nederlandse en je komt ook niet uit het Midden-Oosten. In Nederland is er geen gunfactor voor een Oost-Europese.’ Ik stond perplex, want ik was er zeker van dat ik alles kon zijn en veel kon voelen, juist door mijn afkomst. Ik was veel meer dan een Oost-Europese. Ik heb toen besloten om te doen alsof ik de opmerking niet had gehoord. Naïviteit geeft soms vleugels. Want ik kon alles zijn, omdat ik literatuur… kon. Via de literatuur ben je zwart en wit en geel en kun je alle kleuren van de regenboog zijn. Juist dat doet de literatuur: ze geeft je de kans om alles te zijn en veel te begrijpen. Via de literatuur kunnen we meer kleuren hebben.
In een Nederlandse volkswijk waar ik heb gewoond, begreep ik dat het paradijs van de een, de hel van de ander kan zijn. Ik hoefde niet eens af te stammen van een zwarte op een plantage om te voelen hoe zwaar het witte paradijs kan zijn voor wie niet dezelfde kleur/afkomst heeft. De werkelijkheid is nog steeds hard en ook een uitgeverij kan een volkswijk zijn, maar we hebben de literatuur nog en de literatuur is gelukkig geen volkswijk. Juist de literatuur moet het dak zijn waar het zeer van de ander vanaf geschreeuwd kan worden. En gehoord. En er is zo veel zeer om vanaf het dak van de literatuur geschreeuwd te worden.
Helaas leven schrijvers zelf in enclaves. En gunnen we elkaar niet veel. Zelfs een ex-Oost-Europese begrijpt dat het tegenwoordig niet meer om gunnen gaat. Het gaat om de oude hel en het eeuwige paradijs. Het gaat om beleid en het zeer van de geschiedenis. Het gaat om een nieuwe wereld. Ook voor degenen die eeuwenlang niet konden lezen.
Het tij keert. Misschien moet iemand de geschiedenis bellen. Het gaat erom dat je pijn wordt gezien. Het gaat om het eeuwige zeer. Maar gun het de witte om zwart te zijn en andersom! In de literatuur. Gun het de Jood om Marokkaan te zijn en andersom, via de literatuur! Gun het de Oost-Europese om uit Irak en Helsinki tegelijk te komen! Via de literatuur. De vertaling van de ‘zwarte’ ervaring door een witte in Nederland had juist een snel voertuig naar de toekomst kunnen zijn. Had zij het zeer niet kunnen begrijpen? Dat weet niemand. Marieke Lucas Rijneveld heeft de kans niet gehad.
‘Things are changing, Jane, and for the better,’ zegt Miss Marple in ‘At Bertram’s Hotel’. En ondanks het feit dat ze in de serie ‘Miss Marple’ maar één kleur heeft, wit, weet ik dat ze gelijk heeft.

Den Haag Centraal, 4 maart 2021

Apartheid

Grotere onzin dan dat we in Nederland alleen maar succesvolle migranten zouden moeten toelaten, het verzinsel van de inmiddels Amerikaanse oud-VVD’er Ayaan Hirsi Ali, dat zij ook in haar nieuwe boek ‘Prooi’ bepleit, heb ik tot nu toe niet gehoord!
Straks zijn migranten succesvoller dan de witte directeur, vaak zwak en onzeker, maar stevig in het zadel zittend, met een roedel jaknikkers om zich heen, en ja, wat te doen? Wat te doen, Nederland? Hirsi wil migranten testen op hoe succesvol ze kunnen worden en ze terugsturen als ze niet slagen voor de test! ‘Daarom is er aan het einde van het traject, als je niet slaagt, een repatriëringselement: jij hebt het geprobeerd, wij hebben het geprobeerd, je bezet de plek van iemand anders die wél geslaagd zou zijn, je gaat nu naar huis,’ lichtte ze haar ideeën de afgelopen week toe in NRC.
Schande! De migrant als proefdier. We zijn zo respectloos tegenover het leven van de ander dat we van hem vragen wat ons zelf niet lukt! En wat betekent succesvol eigenlijk? Wat als je thuis een waardeloze moeder of vader bent, of een vreselijk mens, als je in je carrière over lijken gaat, als je egoïstisch bent, een wolf in schaapskleren, maar wel weet hoe je het moet máken? Word je dan wel of niet naar de hel (terug)gestuurd?
Dat NRC zo’n schandalig interview publiceert, is voor mij ook een raadsel. Een aanval op de integriteit van de persoon, een monument van racisme en waanzin! The New York Times benoemt Hirsi’s onverdraagzaamheid, maar NRC geeft haar zieke ideeën alle ruimte! Qua beleid lijkt Nederland soms op het ‘Ship of Fools’ van Katherine Anne Porter. We zijn cynisch geworden, altijd klaar om anderen een les te leren. Alleen al het woord ‘succesvol’ en mijn huid begint te jeuken! Emigratie is niet alleen een levenslang gevecht van Jakob met de engel zoals in de Bijbel, maar ook met de duivels, honderd duivels tegelijk. Als je na alle gemis en heimwee gezond blijft in je hoofd, als je met plezier kunt lopen in je nieuwe geografie en na vijf jaar beseft dat het vele water hier, dat je in je vorige leven niet kende, je geest kalmeert en je kunt genieten van de vele regen, dan ben je de succesvolste variant van wat jij kon worden!
We zijn succesvol als we mens zijn, als we redelijke afspraken kunnen maken met ons geweten en geen uitgezaaide haat tegen de ander koesteren. We zijn succesvol als we helpen en steunen en geen apartheid willen institutionaliseren. We zijn succesvol, omdat we van ons nieuwe land houden en omdat zij van wie we het meest houden, onze kinderen, tweehonderd procent Nederlands zijn.

Den Haag centraal, 25 februari 2021

 

Trojaanse paarden

‘Bezwaar Crossing Border gegrond verklaard’, stond onlangs in deze krant. Voor velen, ook voor mij, was dat een van de goede nieuwsberichten van de week. Ha, dus ook Den Haag kan netjes doen als het moet! Voor Crossing Border is de strijd nog niet afgelopen, maar van dit slagveld valt al een heleboel te begrijpen en te leren. Vooral dat zij die een zwak voor Trojaanse paarden hebben, elf jaar op zee blijven drijven en niet thuiskomen. Zelfs de goden verafschuwen hen. Dat is wat de boeken vertellen over Odysseus die de oorlog tegen Troje tegen elke prijs wilde winnen. Al zijn mannen verdronken en in zijn eentje moest hij de weg naar huis vinden. En als zelfs Odysseus uiteindelijk zijn lesje heeft geleerd, kunnen de comités en commissies en vooral Writers Unlimited dat ook. Wees correct, wees eerlijk en vooral: heb respect voor de ander, ook voor degene die géén melkkoe of directeur is en voor degene die géén functie heeft die jou goed uitkomt! Als ‘weten hoe het moet in Den Haag’ in de cultuursector niet gebeurt met respect en binnen de grenzen van correctheid, wat voor zin heeft een overwinning dan? Probeer niet tegen elke prijs te winnen, ga niet over lijken, zou ik dan ook willen zeggen tegen degenen die niet hebben geluisterd naar de lessen van de boeken, ook al ‘werken’ ze hun hele leven met boeken en moeten ze zich op een dag met de staart tussen de benen en de medailles om hun nek terugtrekken. Wat niet hardop mag worden gezegd, blijft immers liggen stinken onder het tapijt. Maar wie te hard hapt van de taart (lees: publieke middelen), verslikt zich en moet opnieuw leren ademen. En wie iedereen te slim af wil zijn, zal, om zich te redden in het land van Polyphemos, de cycloop uit de Odyssee, op een dag met Odysseus zeggen: ‘Ik ben niemand!’
In het leven is het nooit te laat om een les te leren. Het is nooit te laat om correct te leren handelen. Den Haag is geen Troje, ondanks de vele Trojaanse paarden. Het resultaat van de commissie is een langverwachte les over eerlijkheid en transparantie in de literaire sector in Den Haag en ik hoop dat de strijd voor gerechtigheid hier niet stopt. Want, zoals de conclusie van de onafhankelijke commissie luidt: ‘Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit niet ongewijzigd in stand blijven.’ Wordt vervolgd.

Den Haag Centraal, 18 februari 2021

 

De Mos

In mijn geboorteland schrijven politici boeken om strafvermindering te krijgen. Dertig dagen voor elk boek of ‘wetenschappelijk’ artikel. Maar Richard de Mos heeft geen geduld tot het recht zal zegevieren. Hij heeft nu al een boek klaar, ‘Mijn verhaal’, met een voorwoord van zijn advocaat Peter Plasman – hoewel het uiteraard niet aan de lezer is om te beslissen of De Mos corrupt is. Het verhaal is dus eerder populisme van een redelijk laag niveau. Pathetisch is het boek ook. Tegen elke prijs wil De Mos wat van de Haagse politieke vlaai. Oprechte vraag: waarom zou Revis of Van Asten wel een stukje van de taart mogen en Richard de Mos niet?
Jaren geleden was ik al gebiologeerd door Richard de Mos, vanwege zijn taal. Een taalgebruik dat vaak aan onbedoelde humor lijdt, zo ook in dit boek (‘Toen was helemaal duidelijk dat mijn wethouderschap voorlopig ten einde was.’) Soms grijnzen (‘Mijn vriendin, met een vader die bij de KGB heeft gezeten…’). Plasman kon niet ook het redactiewerk doen. ‘Ik laat in dit boek zien dat ik niets te verbergen heb,’ zegt De Mos.
De oud-onderwijzer weet kennelijk niet dat je je lezer nooit moet onderschatten. De fout van De Mos: denken dat heel Nederland is geschapen naar zijn evenbeeld en dat van zijn stemmers. Als De Mos geloofwaardig zou willen overkomen, heeft hij zijn Machiavelli nodig, die van hem El Principe kan maken. De Mos is larmoyant, pathetisch en zijn logica hapert te vaak. Ik zoek naar voorbeelden en kan mijn vinger niet op een bepaalde plek leggen. Het is alles, in het algemeen. In zijn boek lijkt hij meer een lokale Emma Bovary die zich inbeeldt Churchill te zijn. Of, als je wilt denken zoals De Mos, de plaatselijke Napoleon.
Ik begrijp ook waarom hij bij sommigen sympathie wekt: ‘Als Kamerlid was ik goed met de bodes, de koffiejuffrouw en de bediening van het restaurant. Met omhooggevallen Kamerleden, die allen vroeg of laat weer naar beneden vallen, heb ik veel minder op.’
Ik heb het boek voor bijna de helft gelezen. Wat een verschil met Arthur Docters van Leeuwen, die ook een boek over het Haagse schreef, dat ik hier heb gerecenseerd! Waar Docters van Leeuwen gelijkwaardige geesten ontmoette, ziet Richard de Mos alleen maar jaloerse collega’s met dubbele agenda’s, die, in tegenstelling tot Richard zelf, niets over de gewone mens weten. Is De Mos corrupt? Hij omringt zich in ieder geval niet met de juiste mensen. Hij heeft een soort naïviteit die bij sommigen, misschien mensen met dezelfde soort naïviteit, in goede aarde valt.
Niet elke Principe krijgt zijn Machiavelli. Maar om een Machiavelli op je pad te krijgen, moet je toch iets van (een) Principe(s) (!) hebben, denk ik.

Den Haag Centraal, 11 februari 2021

 

Wat telt

Dit is een ander soort column. Een over het leven. Het leven van mij, van u, van zovelen die dóórgaan, hoe imperfect, moeilijk, verscheurend, leeg of verdrietig het ook is. Deze week heb ik een vriendin verloren aan wie ik niet vaak genoeg heb verteld dat ik van haar hield. En juist deze week heb ik zoveel verhalen gehoord dat ik nu, meer dan ooit, nadenk over het leven. Is liefde alles in het leven? Ik ben een romantica, liefde was altijd mijn kruistocht. Mensen met meer balans in het leven zeggen dat het leven eerder een puzzel is. Familie, baan, vrienden. En het sleutelwoord lijkt, in de Nederlandse versie, ‘genieten’. Genieten van elk element van de puzzel. Maar sommige puzzelstukjes blijken, voor sommigen van ons, moeilijk te passen. Je hebt bijvoorbeeld een goede baan, maar die maakt je niet gelukkig. Een mooi gezin, maar het is niet genoeg. Mijn recept om door te gaan was altijd: je focussen op één element van de puzzel als de rest in het plaatje moeilijk te fixen is. Werken tot je van moeheid van je lichaam vervreemdt. Knokken zodat je gezin het goed heeft. Zelf was ik altijd beter in werken dan in mensen fixen, vooral als het om mezelf ging.
Hoe doe jij het? Wat is de sleutel? Minder nadenken, meer doen? Minder vragen stellen? Ruggengraat hebben? Dat maakt je meer ongelukkig dan gelukkig. Ik weet dat velen van jullie een antwoord hebben. Sommigen hebben een perfect antwoord, met een glimlach en veel zekerheid erbij. Juist zulke antwoorden heb ik altijd gewantrouwd. Want het leven is voor de meesten van ons niet makkelijk. En veel van degenen die zweren bij hun geluk, dragen al sinds ver voor corona een masker.
Vraag door en je ziet de barsten erin. Is het leven voor iedereen een lijdensweg? ‘Nee,’ zei een andere vriend deze week, een tikkeltje té opgewekt. Moeten we het makkelijke, vluchtige geluk plukken en het ‘ware’, diepe geluk niet meer nastreven? Wat is het belangrijkste? Dat je kinderen gezond zijn.
Voor mijn overleden vriendin was het leven geen lijdensweg, als geen ander kon ze genieten van het leven. Naast haar kreeg ik het gevoel dat het leven een genietritueel was. Toen ik een tuin had, dacht ik dat de sleutel van gelukkig zijn tuinieren is. Vooral in moeilijke tijden. Moet je zoeken wat voor jou werkt? Meegaan met de flow? Soms hebben anderen het antwoord op je vraag en verlost dat je toch niet. Het is niet jóúw antwoord.
Blijven zoeken. Dankbaar zijn voor wat er is. Eten van de lekkere chocolaatjes die ik van de opgewekte vriend kreeg. Meer nieuwe boeken lezen, in plaats van herlezen. Misschien ligt daar het antwoord.

Den Haag Centraal, 4 februari 2021

 

Benali

Dat Abdelkader Benali zich heeft teruggetrokken voor de 4 mei-lezing zegt niets over Benali, maar wel veel over Nederland. Twintig jaar geleden zou Benali, dronken, iets hebben gezegd over de ‘vele’ Joden in Amsterdam-Zuid. Maar zeggen we niet allemaal weleens foute dingen? Rutte zei niet lang geleden tegen ons allemaal dat we moesten ‘oppleuren’. En hij trok zich vervolgens niet terug. Bij ruzie, met je man of vrouw, bij dronkenschap, tegen een vriendin of juist een onbekende zeggen we soms dingen die we niet echt menen. We gaan door, vergeven, veranderen. Wie nog hetzelfde als twintig jaar geleden is, mag zijn hand opsteken! We ‘vergeten’ (lees: negeren) #MeToo-verhalen, machtsmisbruik, blunders van politici, maar Abdelkader vergeven we niet dat hij van Marokkaanse afkomst is. Want de Marokkaan heeft twintig jaar geleden iets over Joden gezegd.

Ik dacht dat we mensen waren. We zijn toch geen op flessen geplakte etiketten? Ik vond het juist geweldig dat een schrijver met een Marokkaanse achtergrond de lezing zou houden die voor Joden en ons allemaal zo veel betekent. Het verbaast me dat degenen die zijn terugtrekking eisten, er geen rekening mee houden dat gekwetst blijven geen toekomst biedt. Als de ‘daders’ niet veranderen, is het immers aan het slachtoffer om te veranderen. Het was goed geweest om Abdelkader de lezing te laten doen. Degenen die er baat bij hadden gehad waren meer dan degenen die willen blijven ademen in hun bubbel. (Ik voel me dicht bij de Joodse ziel door de boeken van Isaac Bashevis Singer uit mijn jeugd, maar zeker niet door een of andere rabbijn of zijn ‘dagboeken’). Iemand een tik op de vingers geven en eisen dat hij een goede mening over je gaat hebben? Ik vrees dat antisemitisme voor sommigen iets heeft van buikkramp. Dat hebben we allemaal weleens, soms na veel eten of drinken, maar dat betekent toch niet dat we darmkanker (lees: antisemitisme) hebben? Wat bereikt de Joodse gemeenschap met deze hele heisa tegen Benali? Hoe laaghartig en kleingeestig die journalist was die ooit over de dronken uitspraak schreef, hoef ik niet te zeggen. Maar ook hij heeft spijt betuigd. Hem werd het vergeven, Benali niet. Juist gesloten kringen hebben megafoons nodig, en Abdelkader Benali had op 4 mei zo’n rol kunnen spelen. En is het niet beter dat we zulke woorden van iemand als Benali hoorden (bij dronkenschap, twintig jaar geleden), dan van Baudet of erger? Van Benali kun je wat hebben, als je hem kent. Opperrabbijn Jacobs noemt hem ‘zo’n figuur’. Jammer dat hij geen ruimte voor dialoog laat, dat hij niet wil weten wie Abdelkader Benali is! Zo zie je maar dat een rabbijn, hoe wijs ook, soms ook een rabbijn nodig heeft.

Den Haag Centraal, 28 januari 2021

 

Belastingdienst

Ik geloof nog altijd dat we in een goed land leven, beter dan het land waar velen van ons vandaan komen. Ik geloof dat instituties werken in het belang van het volk en ik geloof dat het goede op de een of andere manier altijd wint. Soms generaties later, maar de wereld draait nog altijd. Soms geloof ik zelfs dat elke politicus een ‘goede jongen is’, zoals een voormalige Haagse wethouder ooit tegen me zei. Wat ik bijna niet kan geloven, is dat een institutie als de Belastingdienst zo cynisch kon zijn om enkele duizenden mensen van fraude te beschuldigen op basis van hun nationaliteit. Zoals velen ben ik geen fan van de Belastingdienst, maar ook ik geloof in een hoger belang dan alleen de eigen portemonnee. Helaas worden instituties door mensen gerund. Wat voor mensen zijn degenen die het idee hadden om bij mensen met een dubbele nationaliteit een vraagteken te zetten? Roept dat aanvinken van buitenlandse namen geen associaties op met de lijsten van burgers die ooit een Jodenster moesten gaan dragen? Zoals Cesare Lombroso geloofde dat alle mensen met een laag voorhoofd criminelen waren, leken de verantwoordelijken bij en voor de Belastingdienst te geloven dat wie niet Jansen heet, een potentiële crimineel is.
De dubbele nationaliteit hoefde niet eens te worden geregistreerd bij de Belastingdienst, blijkt uit journalistiek onderzoek, maar er is altijd wel een kwade genius die, zoals de kwade genieën in tekenfilms, het kwade denkt en doet. Met hoevelen denken ze bij de Belastingdienst zo over ‘buitenlanders’? Als gevolg van dit schandaal zijn er directeuren opgestapt en nu zelfs het voltallige kabinet. Ze hebben of nemen verantwoordelijkheid voor het feit dat veel gezinnen kapot zijn gegaan, dat ouders gingen scheiden of hun huis of baan kwijtraakten, maar nogmaals, wie zijn de kwade geniën, degenen die zeiden: ‘Aha, buitenlanders, die moeten sowieso een boete betalen, omdat het bedrog in hun bloed zit. Dat weten we uit ervaring’? De kafkaiaanse functionarissen zonder naam, beschermd door een wet die alleen voor ons, degenen die niet in het systeem zitten, functioneert. Velen in het systeem zijn net zo erg als die boerse vrouw in de volkswijk die vanachter de schutting schreeuwt dat je terug naar je land moet. Tegen die lompe vrouw kun je aangifte doen, maar wat doe je tegen een systeem dat wil dat je oppleurt? Want een systeem kan verwoestender zijn dan het zeemonster dat het mythische Atlantis verwoestte. Niemand weet wat voor monster dit precies was. Maar als nieuwe Nederlander heb ik, na vijftien jaar hier en na de recente toeslagenaffaire, een nieuwe theorie: misschien was het gewoon de Belastingdienst.

Den Haag Centraal, 21 januari 2021

 

Kaag

Er is nog iets wat Nederlandse mannen Sigrid Kaag niet vergeven, behalve dat ze niet een van hen heeft gekozen als levenspartner. Of tenminste een Europeaan. Namelijk dat zij, als Nederlandse, het minder mooie gezicht van Nederland laat zien. Dat zij, als Nederlandse, benoemt wat een buitenlander in Nederland allang weet en wat zij in een van haar recente tweets heel netjes, in politieke bewoordingen, formuleert: ‘We kunnen het nieuwe Nederland al door onze oogharen zien. Een land van fatsoen, tolerantie en empathie.’ Met minimale hermeneutische moeite begrijp je dat we moeten worden wat we niet zijn.
Ofwel: we hebben géén fatsoen, we zijn íntolerant en we zijn níét empathisch. We zijn zelfs erger dan dat, als je de tornado van tweets leest die Kaag na de uitzending van de documentaire ‘Van Beiroet tot Binnenhof’ over zich heen kreeg. Als je het geduld hebt, en een sterke gal, om die berichten allemaal te lezen, zie je dat het overwegend mannen zijn die Sigrid voor de klas roepen. Hoe durft ze? Getrouwd met een Palestijn, als vrouw in de politiek en dan nog kritiek op ons westerse landje hebben ook! Op het land van alle landen. Maar misschien toch wel het meest onvergeeflijke: een Palestijnse echtgenoot. Hoe kon ze?! Door haar levenservaring is de geboren Nederlandse Sigrid Kaag een van ons, nieuwe Nederlanders.
Dat is iets wat weinig andere geboren Nederlandse politici in Nederland hebben. Misschien soms wel in hun discours, om stemmen te krijgen, maar Kaag weet zélf hoe het is om een gemengd huwelijk te hebben. En kinderen uit zo’n huwelijk bijvoorbeeld. Hoe het is om erbij te horen en toch ook weer niet. Om van overal en nergens te zijn. Om alles iets van bovenaf te bezien, van enige afstand, afstand die het zicht op de zaak en daarmee de zaak zelf alleen maar goed doet. Wat het betekent om niet geaccepteerd te zijn, ondanks je vele moeite. En bovenal, hoe hard Kaag zelf soms ook lijkt of is, heeft ze, professioneel gezien, een ervaring die Rutte-in-zijn-torentje tot een personage uit een dystopie maakt. Ook dat ze kil is, wordt haar verweten. Alsof Rutte of Wilders zo moederlijk is! Dat ze arrogant is. Maar hebben we een Lady Di als premier nodig? Als je de tweets over Kaag leest, begrijp je dat Nederland meer behoefte voelt aan een Lady Di dan aan een Merkel. Nederland? Welk Nederland?
Want ik, en mensen zoals ik, en zo veel anderen, zijn ook Nederland. De lawine van macho-misogyne, racistische tweets komt van een Nederland van vrachtwagenchauffeurs met een Twitteraccount, zou ik willen zeggen, maar ik wil mensen met het beroep van vrachtwagenchauffeur zeker niet beledigen. Vrachtwagenchauffeurs ongeacht hun echte beroep.

Den Haag Centraal, 14 januari 2021

 

Schoonmoeder

Het nieuwe jaar begon met een telefoontje van een vriendin. De beste wensen. In mijn moedertaal, zij is ook Roemeense. Maar al snel ging het gesprek over haar schoonmoeder en het eindigde in een heuse huilbui. Mijn eerste impuls was om te lachen, maar nog afgezien van het feit dat je niet lacht als een vriendin huilt, zag ik ook het grotere plaatje. Ik begreep dat het dieper zat. Wat? Hoe moet ik het zeggen? Misschien hoe ze het vertelde. Enfin, mijn Roemeense vriendin staat dus niet op de verjaardagskalender van haar Nederlandse schoonmoeder, die in de kleine wc hangt. Wie er hangt? ‘De kalender. Schoonmoeder leeft en is zo vrolijk als ze kan,’ zei mijn vriendin.
Staat ze niet op de kalender?! Lacht u nu ook? Ik snap het. Maar bekijk het eens zoals mijn vriendin: twintig jaar getrouwd, drie kinderen en in tegenstelling tot mij vermijdt zij geen familiefeesten en denkt ze nog steeds dat iedereen van haar Nederlandse familie het waardeert als ze drie dagen in de keuken staat om lekkernijen voor hen te bereiden.
‘Hun maag waardeert het, maar zij hebben het niet zo met woorden.’
Zo verdedigt zij hen.
Want dat is het, mijn vriendin is veel netter dan ik en geeft iedereen honderd kansen, hoewel ze diep vanbinnen ook weet hoe het zit. Want het zit zo: iedereen staat op die stomme wc-kalender, van verre tantes en neefjes tot verre Roemeense kennissen die haar schoonouders hebben overgehouden aan hun reizen door Roemenië. Haar eigen kinderen staan op de kalender, haar man ook, alleen zij niet.
‘En dat na twintig jaar! Ik check het tweemaal per jaar, met de verjaardagen.’
‘Misschien was jouw datum bezet,’ zei ik, uit liefde voor mijn vriendin. ‘Het vakje is nog leeg,’ barstte ze weer in tranen uit. En toen kwam de hamvraag: ‘Ben ik niet ingeburgerd genoeg?’
Ik ken niemand die meer ingeburgerd is dan zij, na twintig jaar in Nederland. Ik probeer haar te sussen, nadat ik het beeld van een hangende schoonmoeder uit mijn hoofd heb gebannen. ‘Inburgering heeft niets met liefde te maken, niet eens met goedkeuring. Wees blij dat je nog steeds jezelf bent, na twintig jaar hier. En neem de volgende keer (als je zo masochistisch bent om nog een keer te gaan) een rode marker mee en schrijf je verjaardag op de witte muur, naast de kalender!’
Ik bracht haar aan het lachen en wilde verder gaan en zeggen wat ik echt dacht, wat ze daarna met de marker zou moeten doen. Maar het is Nieuwjaar en een van mijn goede voornemens is om minder te schelden, in welke taal dan ook. De beste wensen iedereen!

Den Haag Centraal, 7 januari  2021

Reflectie

Wat zal 2021 voor jaar zijn? Als je op de website van de rijksoverheid de kabinetsplannen leest, weet je dat we leven in een goed land. De site lijkt een lange lijst wensen voor de Kerstman, een Kerstman voor landen, niet voor kinderen.
Hoeveel landen zouden niet zo’n lijst willen? ‘Naast het ondersteunen van werknemers, zzp’ers en werkgevers, zodat er zo min mogelijk banen onnodig verloren gaan, trekt het kabinet ook 1,4 miljard euro uit om mensen te helpen bij het vinden van ander werk en voor de aanpak van schulden. (…) Voor de komende vijf jaar is 20 miljard euro beschikbaar om te investeren in kennis, innovatie en infrastructuur.’ Als een mopperkont nu zegt dat dat weinig is, moet ie eens naar andere landen kijken. Briljante studenten uit armere landen komen juist hierom naar Nederland. ‘Het actieprogramma Werken in de Zorg wordt uitgebreid en structureel gemaakt. Het kabinet maakt daarvoor 20 miljoen euro extra vrij voor 2021, oplopend tot jaarlijks 130 miljoen euro vanaf 2023.’
Ik heb niet veel verstand van cijfers, maar het voelt goed. Ik hoor de stem van mijn vriendin Fatma, als ik wanhoop omdat ik dit of dat niet meer kan betalen of bang ben om geen dak meer boven mijn hoofd te zullen hebben: ‘Mira, we leven in Nederland. In dit land blijf je niet op straat staan.’ Na zulke woorden daalt het peil van mijn wanhoop gelukkig snel.
Er komt een jaar aan waarin we meer naar onszelf moeten kijken. Doe ik het goed? Houd ik me aan de regels? In maart gaan we weer stemmen. ‘Zorg dat de grote acteurs ‘Hamlet’ blijven spelen en de puppets die nu eens aftreden en dan weer als lijsttrekker aanblijven, puppets blijven,’ zeg ik tegen mezelf, en niet alleen dat.
Het grote vaccin is in aantocht. Wees verstandig, je helpt jezelf, maar ook anderen.
2021 wordt een jaar van reflectie, denk ik. Van naar onszelf kijken. Wie ben ik? Hoe kan ik beter? En nee, ik denk niet aan hoeveel je verdient of zo. Ook niet aan vakanties. Ik denk aan hoeveel je reflecteert. Als we niet reflecteren, is corona voor niets langsgekomen.
2021 zal het jaar zijn waarin we ons realiseren dat veel beperkingen van 2020 nog blijven. Misschien wel voor altijd. Maar het is aan jou om te bepalen hoe je het gaat doen, niet aan de overheid.
Want ‘als je de beperkingen kent, kun je daarbinnen onbeperkt te werk gaan’. Dit zijn niet mijn woorden. Het was Jules Deelder die ze ooit zei, en van iemand die geen totalitarisme heeft meegemaakt vind ik dat onwijs wijs. We hebben het in ons. We kunnen het.
Fijne kerstdagen en een goed 2021!

Den Haag Centraal, 24 december 2020

 

Luie geesten

Protesteren zit me in het bloed en het heeft mijn leven er niet gemakkelijker op gemaakt. Integendeel.
Dat ik niet op mijn tong kan bijten en geen rust heb als ik niet zeg wat ik denk, heeft mij wat gekost en zal me nog wat kosten.
Protesteren betekent denken met je eigen hoofd, integer proberen te blijven en ontmaskeren wat je onrecht vindt. Een van de mooiste babyfases is de ‘nee’-fase, wanneer baby’s op alles ‘nee’ zeggen, ook als ze ‘ja’ bedoelen. Zodat je er als ouder alvast aan kunt wennen, zeg maar. Maar wanneer je als volwassene protesteert, heeft dat niets met de ‘nee’-fase van doen; je komt immers met argumenten en oplossingen.
Wat zijn de argumenten van de luie geesten die tijdens de toespraak van Rutte stonden te protesteren? Je hoorde ze fluiten en met minimale inspanning van de verbeelding kon je hun luiers nog zien zitten. Nooit verder gekomen dan de ‘nee’-fase. Voor iedereen die moet ontwaken, is er een laatste moment. Alleen voor die luie geesten niet. Waarom protesteerden zij?
Omdat ze met kerst niet kunnen drinken met hun maten? Want ik wed dat ze beginnen te stotteren als je aan hen zou vragen wat kerst eigenlijk betekent. Sowieso stottert hun moraal, hun logica.
Leer eens rekening te houden met de ander! Of dat nu je buurman, een buitenlander of een vluchteling is. ‘Ik ga mijn levensstijl voor jou niet veranderen,’ heb ik dit jaar een paar keer te horen gekregen, van zowel oude als jonge mensen. Het was in andere omstandigheden, maar de zin zet me aan het denken.
Wat is een levensstijl? Egoïsme, egocentrisme, verwennerij, een te goed leven, blindheid. Luiheid van geest. En dat dat niets met leeftijd te maken heeft, is ook zorgwekkend. Van een oud mens verwacht ik namelijk dat zijn levenservaring hem leert een beter mens te worden, opener, genereuzer. Een lang leven zou de kans moeten vergroten om je empathischer te maken. En als een jong iemand zoiets zegt, schrik ik net zo erg. Je hoopt immers dat de generaties die na je komen slimmer worden, dat ze een collectieve ervaring en moraal hebben die beter zijn dan van je eigen generatie, een resultaat van wat er voor hun tijd is gebeurd. Ik verwacht dat we geen mollen in onze gangen zijn, dat we aan de bubbels waarin we leven ontsnappen. Dat we leren. Ik wil leren van iedereen, van oude en jonge mensen. Maar egoïstisch zijn heeft helaas geen leeftijdsgrens.
Soms moet je het moeilijk hebben om de prijs van alles te begrijpen.
Soms moet je met je neus op de feiten worden gedrukt, met de werkelijkheid worden geconfronteerd. Want niet wat voor levensstijl je hebt is belangrijk, maar wat je ervan leert.

Den Haag Centraal, 17 december 2020

 

Dankbaarheid

Het was een jaar waarin iedereen, gedwongen door de pandemie, wel iets heeft geleerd. Sommigen leerden misschien niet meer dan online te vergaderen, hoewel ik dat betwijfel. Veranderingen in je gedrag zie je immers pas later, nu ben je nog bezig te overleven. En al ging het overleven voor sommigen niet verder dan het vechten om de laatste rol wc-papier in de supermarkt, was dit jaar voor veel – te veel – anderen het jaar waarin een vader of tante of oma door corona heenging zonder dat je afscheid kon nemen. Het was een jaar van gedwongen scheidingen, van pijn.
Ook voor mij was 2020 een jaar van gedwongen leren. Soms dacht ik dat ik mezelf kwijt was, in ieder geval dat ik niet meer wist hoe nu verder. Maar het was ook een jaar van verrassingen, van openbaringen, van nederigheid. Van ‘humble’ zijn, want veel stellen wij niet voor. Altijd is er wel iets wat groter is dan wij, iets waar we niet mee weten te vechten, iets wat ons als een draaikolk naar beneden trekt. Mijn dankbaarheid gaat uit naar mijn vrienden. Zonder het te beseffen heb ik in dit jaar op hen geleund. Ik heb zo veel van mijn vrienden gekregen dat ik me weer voel zoals in mijn jeugd, in mijn internaat, toen ik me door de vreemde wereld gered voelde.
Er is in de wereld altijd iets waar je op kunt rekenen, een bron van kracht, een teken. Hoop. En het was de kracht van mijn vrienden die mij kracht gaf, hun vriendschap die mij redde. Vrienden hebben altijd een onverwachte doos van Pandora bij zich waar je op kunt kloppen: ‘Is er nog iets voor mij in deze wereld?’ En ja, hoor, reken maar dat er ergens een vriend voor je is, een die met de stem van de hoop zegt: ‘Kom op, het is niet het eind van de wereld!’ Of iets wat je van hen nooit had gehoord of verwacht: ‘Ik hou van jou’ op een dag waarop je de equatie van het leven vooral hogere wiskunde vindt, bijvoorbeeld omdat jij meer van de boeken bent.
Ja, het was een zwaar jaar met grote vragen, met gedwongen en pijnlijke veranderingen. Wanhoop. Het leven kan soms oorverdovend zijn. Maar toen heb ik de stemmen van mijn vrienden gehoord. Trouwe, oude of nieuwe vrienden en vele goede mensen die ik dit jaar heb ontmoet of beter heb leren kennen.
Ik heb meer gekregen dan ik heb gegeven. Ik heb nog een leven voor me om te zorgen dat de balans in evenwicht komt. Dank voor de lessen, leven! Dank voor de liefde en de goede mensen op mijn pad. Dank, iedereen, ook u, mijn lezer!

Den Haag Centraal, 10 december 2020

 

Meer lezen? Zie Archief blog 2013-2019