Blog

Wordt vervolgd
Wordt vervolgd. Eigenlijk had ik mijn vorige column zo moeten besluiten. Want het leven bleek weer eens spontaner dan de journalistiek. Stiekem was ik zo trots dat ik twee sporten beoefende – hardlopen en boksen, hoe amateuristisch ook – maar eergisteren moest ik abrupt een pauze inlassen. Na een val van de trap. En niet zomaar een. Nee, uitgerekend in een ziekenhuis, waar ik helemaal niet was gekomen om te checken of de homo erectus die ik dacht te zijn, ook kon vliegen. Maar dat gebeurde: van boven aan de trap, toen mijn man al beneden was, met zijn rug naar mij; hij kon me dus niet vangen. Toen ik hem als een slee op mijn buik bijna voorbijschoof, vroeg hij me alleen wat geïrriteerd: ‘Wat ben je nou allemaal aan het doen?’
Sinds mijn kindertijd heb ik niet meer zo gehuild en meermalen dacht ik zelfs dat ik van mijn stokje zou gaan. De dokter met wie ik een afspraak had, wilde me voor een foto naar de gipsafdeling sturen, maar na een uur kreupelde ik alweer op blote voeten over de gangen en wilde ik geen dokter meer zien. Buiten trok ik mijn hooggehakte schoenen aan (omdat ik geen andere bij me had), hoewel ik voelde hoe mijn benen almaar dikker werden – een gevoel dat ik eigenlijk al kende, alleen dan niet in mijn benen, maar in mijn borsten, van toen ik mijn dochter voedde. En omdat ik het gevoel toch al kende, ben ik helemaal niet meer naar de dokter gegaan.
Mijn man heeft mijn benen zelf een paar keer onderzocht en denkt nog steeds dat ik naar een arts zou moeten. Hij is bang dat er misschien een splinter van het bot gesprongen is, wat ik niet geloof. Mijn vader heeft ooit een splinter in zijn oog gehad en moest toen meteen worden geopereerd. Geen splinter dus! En niets gebroken! Over een paar dagen zal de zwelling zeker verdwijnen. Ik heb nu wel twee rubensiaanse benen, wat een komisch effect geeft als je mijn lichaam ziet. En ze zien eruit alsof iemand ze gegrild heeft, je ziet de lijnen van de grilplaat. Ik heb ook het gevoel dat de grond niet helemaal vast meer onder mijn benen zit.
Als ik thuis de trap oploop, maakt mijn hond een geluid dat ik goed ken, een soort blaffen met zijn bek dicht. Dat doet hij altijd als hij iets niet leuk vindt. En de manier waarop ik nu loop, vindt hij blijkbaar niet leuk. Ik ook niet, maar ik ben blij dat ik het kan. Elke ochtend zes kilometer hardlopen zit er even niet in. Boksen wel. Vooral uit frustratie, omdat hardlopen niet gaat. Zoals alles in het leven: wordt vervolgd.
Den Haag Centraal, 15 november 2018

Sporten
Bijna een jaar lang elke ochtend zes kilometer hardlopen stelt voor een sporter niets voor. Daaraan kun je zien dat ik geen sporter ben. Mijn linkerheup heeft na elke zes kilometer wel iets te klagen en de laatste tijd klaagt ze ook vóór de zes kilometer. En de afgelopen twee weken klaagt ze niet alléén, maar samen met mijn rechterenkel. Ik heb daarom gel voor mijn heup gekocht en een soort zwachtel voor mijn enkel. Ingezwachteld en een beetje mank doe ik nog elke ochtend de zes kilometer. Maar behalve de pijn die ik voel, zie ik dat de laatste tijd zelfs de ganzen die onder de Hoornbrug slapen allebei hun ogen opendoen en een soort troepenbeweging maken wanneer ik langsloop, iets wat in het verleden niet gebeurde. Ik denk dat ik zo’n beetje als Forrest Gump ben gaan lopen.
Ik moest een oplossing vinden voor het uurtje sporten waarmee ik de dag begin. En omdat ik op mijn manier een doorzetter ben, heb ik me georiënteerd. Meer dan dat: het afgelopen weekend ben ik naar de Decathlon geweest, waar ik kon kiezen tussen zwachtels voor al mijn lichaamsdelen en wat anders. Ik geef om die gezellige ganzen onder de Hoornbrug en betwijfel of ze wel zouden kunnen wennen aan een Michelinvrouwtje om acht uur ’s ochtends. Het werd dus wat anders. Eerst kocht ik de handschoenen. Omdat ze roze waren. Een soort ‘Hello Kitty’-handschoenen, maatje 1. “Ze passen precies,” zei ik tegen de verkoopster, die onder de indruk leek van mijn zelfverzekerdheid. “En nu de zak,” zei ik. “De bokszak,” herhaalde ze. Ze hadden geen roze, helaas. Ik moest kiezen tussen een zwarte en een rode. Het werd geen van beide, want mijn man meende dat onze gipsplaten plafonds geen bokszak zouden houden, wat ik niet geloof.
Maar mijn man heeft het niet zo op met boksers en soms moet je een compromis sluiten, vooral als het om plafonds gaat. De verkoopster suggereerde – en mijn man vond het gelijk goed – dat zo’n juniorboksbal op een standaard beter zou zijn voor mij. Voor kinderen van vijf tot twaalf, wat ik ver onder mijn niveau vind, maar wel geschikt voor mijn lengte van 1,57 meter. Mijn man zette het ding in elkaar, ik wachtte ongeduldig met mijn ‘Hello Kitty’-handschoenen aan. Het ging vanzelf. En tegen de verwachting van mijn man in liep ik geen bloedneus op. De bal sloeg ik kapot en mijn neus wist ik steeds te beschermen. Ik heb wel kapotte vingers, vooral aan mijn rechterhand. En mijn handen zijn opgezwollen. Ik hou ze nu in een kom met ijs en ik kan niet wachten tot ik de handschoenen weer pas. Tot dan wordt het hardlopen langs de ganzen.
Den Haag Centraal, 8 november 2018

Wie ben ik?
De afgelopen maanden heb ik me meer dan ooit afgevraagd wie ik precies ben. En niet zozeer de vraag verontrust me, als wel het antwoord. Want dat was altijd ongeveer hetzelfde – en het gebeurde vaak dat ik me de vraag stelde – maar het laatste jaar bots ik met het antwoord, een antwoord dat niet past bij de vraag. Het valt me ook op dat anderen het antwoord sneller klaar hebben dan ik. Alsof vreemden me beter kennen dan ikzelf. Wat ik raar vind. Vaak ook ongepast. “Zo gaat het nu eenmaal,” hoor ik dikwijls. “Met een systeem kun je niet vechten.” Of: “Heb ik ook meegemaakt, je moet het loslaten.” “Het kost tijd, bij mij duurde het een jaar.” Alsof ik dagelijks bij de huisarts zit. Want als je buikgriep hebt, zegt die: “Duurt een week, neem rust.” Of, als je een pees hebt gescheurd: “Je moet een scan laten maken; als het erg is, moet je worden geopereerd.” En je gelooft hem/ haar op zijn/haar woord.
Maar het leven is geen huisartsenpost. Het lijkt soms alsof iemand anders antwoord heeft op jouw niet eens duidelijk geformuleerde vraag. Het valt me ook op dat de meeste antwoorden een vleugje negativiteit bevatten. Ik weet nog dat ik mezelf tijdens mijn zwangerschap kalmeerde met de zin: Miljoenen vrouwen hebben dit meegemaakt, jou zal het ook lukken! Maar soms wil je er zeker van zijn dat je iets hebt wat je uniek maakt, iets wat je kracht en vertrouwen geeft omdat het uit je binnenste komt, iets wat jou maakt wie je bent. Het verontrust mij niet dat ik een van de duizenden vrouwen in Den Haag ben, een van de vele blond geworden brunettes, dat ik misschien al over de helft van mijn leven ben. Maar het verontrust mij wel dat er op mijn vraag wie ik ben, al een antwoord klaarstaat. Ik zou, volgens deze maatschappij, volgens de statistieken, volgens…, iemand zijn in wie ik mezelf eigenlijk niet herken. Zijn we niet meer dan klonen van elkaar? Ooit wist ik beter wat mij uniek maakte. Ligt het aan mij? Ben ik mezelf kwijt? Weet ik nog wie ik ben? In mijn strijd om mezelf terug te vinden heb ik een soort troepenbeweging meegemaakt. Vrienden die vooraan stonden, zijn wat opgeschoven en andere, van de tweede rij, naar voren gekomen. Het meeste leren we in moeilijke tijden.
Het gaat nu om mezelf, maar het kan ook om jou gaan. De nachten zijn langer geworden, de antwoorden liggen klaar en we slikken ze met chocolademelk erbij. Het is moeilijk om je eigen antwoord los te maken van de vele andere. Zal het mij lukken? Wie ben jij?
Den Haag Centraal, 1 november 2018

Beste gemeente Rijswijk,
Ik geloof dat het gezegde ‘Waar je niet aan doodgaat, maakt je sterker’ in het algemeen klopt. Maar in sommige situaties gaat het niet op. Ik woon in de buurt van de Hoornbrug. Ja, vlakbij dat kruispunt met zo veel ongelukken, misschien een van de gevaarlijkste van Rijswijk. Dat het gevaarlijk is, weten jullie ook; dat jullie daar tot nu toe geen oplossing voor hebben gevonden, is iets anders. Er is wel gepuzzeld om het aantal ongelukken te laten dalen (na ruim een halfjaar duisternis hebben jullie zelfs de straatverlichting aan de praat gekregen!), maar vooral in de zin van: minder dode/gewonde fietsers óf chauffeurs? Ik heb geen statistieken, want ik weet niet wat er met de slachtoffers gebeurt. Soms zie ik het vanuit huis gebeuren, soms maak ik foto’s. En zo’n beetje elke maand krijgen we weer een brief, gericht ‘aan de bewoners van dit pand’. Ik open jullie enveloppen niet eens meer, ik weet wat de boodschap is: jullie gaan de puzzel weer aanpassen. Zou het deze keer om minder gewonde pizzabezorgers gaan?
Er is (afgezien van de scheuren in onze muren) ook een neveneffect van jullie acties: de bijna voortdurende aanwezigheid van stratenmakers. Het langst dat ze aaneengesloten aan het werk waren, was een jaar, het kortst een ochtend. Afgelopen zaterdagochtend. Het ergste in deze jaren was het ecotoilet pal voor mijn deur, het mildste dat ze mijn kleine blauweregen voor de veranda bedreigden maar uiteindelijk toch niet vernietigden.
Zaterdagochtend werd ik even na zevenen wakker van een steenzaagmachine. Eerst dacht ik aan een fanatieke buurman, maar toen ik uit het raam keek, zag ik het: weer werkzaamheden aan de weg! Vijf of meer mannen, van wie er welgeteld twee aan het werk waren, de rest was luidruchtig aan het kletsen over een meisje dat voorbijliep. Zaterdagochtend om zeven uur. De afgelopen dagen was er geen ongeluk gebeurd. Nee, de inzet van vandaag bestond uit wat verschoven straatstenen die blijkbaar niet op een andere dag of ander tijdstip konden worden vastgelegd. Dus nog steeds geen echte oplossing voor het verkeersgedrocht. ‘Doen jullie het deze keer goed?’ vroeg ik de mannen. ‘Als je meedoet,’ riep de mondigste, een van de twee die niet hun handen in hun zakken hadden.
Tot nu toe kregen de klinkers in het pleintje geen kans om zich te hechten; om de paar weken komt er immers wel iemand namens de gemeente die ze er weer uit haalt. Hoe vaak moet iets provisorisch worden gedaan tot het definitief kan?
Los het een keer op en laat ons slapen, vooral op zaterdagochtend!
Den Haag Centraal, 25 oktober 2018

Held Jerry en tante Jenny
Het is bijna november. De heksenjacht is weer begonnen. Wie afgelopen week ‘RTL Late Night’ met la grande dame Jenny Douwes (lees alstublieft de ironie) heeft gezien, moet zich niet vergissen. Deze mevrouw van de blokkeerfriezen is iemand die Nederland ‘great again’ wil maken, niet alleen Friesland. En ja, in de stijl van Trump, maar met de arrogantie die ze duidelijk met de paplepel ingegoten heeft gekregen. Maak Friesland ‘great again’. In de naam van de blonde kindertjes die geen kindertijd hebben als ze begin november geen diepzwarte Piet zien om hun leventjes perfect te maken. ‘O, tempora, o mores,’ had ik willen roepen. In de Nederlandse woestijn. Want wat tante Jenny in haar haaten-venijnspuiterij gebruikt, gebruiken alle dictators ook. Ook hij die mij een perfecte, communistische kindertijd wilde bezorgen: Ceaușescu. Mijn hele kindertijd heb ik moeten aanhoren dat alles, maar dan ook alles (lees: de misdaden van de communisten) werd gedaan in de naam van een volmaakte kindertijd. Als tante Jenny Nederland is, moet Nederland zich schamen. Want de kinderen van nu moeten juist geen venijn, haat en racisme ingegoten krijgen. De kinderen van nu moeten het beter doen dan hun op een RTL-stoel geklauterde tante Jenny. De kinderen van nu voeren actie voor een beter milieu, zijn feministisch op een manier waarop ze veel feministen nog een lesje leren, zijn minder of helemaal niet racistisch als ze het niet van hun ouders meekrijgen.
Ze zijn – in één woord – beter dan wij, hun ouders. Wat tante Jenny in de naam van een verkeerde, zieke, racistische ideologie doet, corrumpeert haar kinderen. ‘Help de kinderen van Friesland, de kinderen van tante Jenny’ zou een geschikt thema zijn voor RTL.
Ik ben geen psycholoog, maar zet het geluid van het programma met tante Jenny eens uit en kijk naar haar gebaren, als je haar in haat gedompelde woorden niet meer kunt (aan)horen. Dat heb ik gedaan. Ik zag een nogal hysterische tante die na elke zin manisch haar glas van tafel pakte. Haar advocaat deed haar na en zo zag je twee tantes die drank nodig hadden, want hun woorden en haat maakten hen dorstig.
En hun tegenpool: de kalme, beheerste Jerry. Nederig en rustig, met gezond verstand. Nederland wil de schijn ophouden dat ook de andere kant van het pietenprobleem aan het woord kan komen en nodigt Jerry uit om aan te schuiven. Wat een voorbeeld voor je kinderen ben je, Jerry! Je bent eigenlijk een voorbeeld voor alle kinderen van Nederland, ongeacht hun ouders! Hulde!
Den Haag Centraal, 18 oktober 2018

Rosita
Een levensles, hoe vaak krijgen we die? Niet vaak genoeg, denk ik, om er alles uit te lepelen en wijzer van te worden. Ik in ieder geval niet. De laatste jaren tast ik, als Diogenes de Griek, met een lantaarn door het duister op zoek naar mensen. Niet dat er geen mensen op mijn pad komen, welnee. Ik ontmoet redelijk veel mensen, leuke, minder leuke. Meestal lijken we op elkaar, we delen dezelfde zorgen, juichen bij dezelfde overwinningen, concurreren met elkaar en doen ons best om mens te blijven. Een strijd die ons vaak uitput en minder mens maakt. Zoveel conjuncturele vrienden, zoveel mensen met wie ik dezelfde passies deel! Iedereen voor zich, min of meer, iedereen totaal geabsorbeerd door zijn eigen innerlijk, zijn eigen competitie, zijn eigen kansen in het leven. We delen ook dezelfde zorgen, soms over Europa, soms over vluchtelingen, soms over verkiezingen. We voelen ons machteloos bij beelden van stervende kinderen in de derde wereld: het leven is hard, overal. We duwen de steen van Sisyphus met dezelfde razernij waar ook de mieren in een mierennest hun korreltjes mee voortduwen.
Maar bij het duwen van mijn eigen korreltje werd ik voor boekhandel Van Stockum onderbroken. Iemand riep mijn naam en toen ik mijn hoofd draaide, herkende ik haar: Rosita! Rosita is Surinaamse, is vrolijk en kleurig gekleed, altijd in een nieuw Tshirt dat ze voor één euro ergens in de stad koopt en met een nieuwe armband die ze voor vijftig cent bij een kringloopwinkel bemachtigt. Altijd met een brede, brede, brede glimlach, een die mij niet zou lukken.
Rosita keek naar me en verzekerde me dat ze die dag jarig was. Ik feliciteerde haar. Wat ze op haar verjaardag deed? Nou, eerst het T-shirt gekocht, daarna loempia’s gegeten in ChinaTown en nu haastte ze zich naar huis om te koken: rijst met eend. “Eend!”, herhaalde ze nog een keer. En nog een keer en nog een keer, en ze lachte bij elke eend. Koken voor wie? Voor haar begeleidster, die vanavond kwam eten, zei Rosita en ze schaterde weer.
Jarenlang kwam Rosita me elke donderdag bezoeken op mijn vorige werkplek. We kenden elkaar niet, we leerden elkaar kennen. Vijf minuten voor sluitingstijd verscheen ze met haar brede lach en haar verhalen. Zij had menselijk contact nodig en ik genoot van haar brede lach en de enorme energie waarmee ze om 19.55 uur uit de lift kwam en ‘Hallo Mira!’ riep. En daarna die lach.
Nog iets bijzonders over Rosita: ze is vaak jarig, elke donderdag zeker. Haar geluk verwarmt mijn hart. Haar brede lach is een les. Eend ben ik niet van plan te koken, maar wanneer was ik voor het laatst jarig?
Lang, heel lang geleden.
Den Haag Centraal, 11 oktober 2018

De stilte en de waarheid
Er zouden meer Sigrid Kaags in de wereld moeten zijn. Wanneer hoorden we voor het laatst zo’n discours ‘van boven’? Het onprettige gezoem van de politieke bijenkorf zit vol Thierry’s, Wildersen en Bloks, van wie ik me ver probeer te houden zoals je ook bij wespen uit de buurt blijft. Al zo lang was er geen verandering in het politieke gezoem waarneembaar. Tot de Abel Herzberglezing van Sigrid Kaag. ‘Maar er is ook een andere stilte,’ zegt Kaag daarin. ‘Een die verre van heilzaam is. De stilte van wel weten wat er speelt. Maar het er niet over hebben. En er ook niet echt iets aan doen. De stilte van het zwijgen voor het gemak.’
Oh, het is niet nodig om naar het verleden te kijken om te zien hoeveel mensen die in het afgelopen decennium meer moeite op de wc dan met eigen hun geweten hebben gedaan, haar woorden verademend vinden en vervolgens hun eigen naaste neersteken. We leven in een land waarin iedereen zijn eigen waarheid mag hebben, waarin geen waarheid boven onze hoofden hangt, als een Poolster, waar iedereen zwanger van zijn eigen waarheid is, als van een versteende en al in de eerste zwangerschapsfase doodgebleven foetus. Onze kleine waarheden deugen niet. De echte waarheid is dat we meestal doof zijn voor de behoeften van onze naasten. Dat we ons eigen welzijn, onze eigen positie, ons eigen eigen volgen. In de publieke sfeer lopen er farizeeërs die bij alles jaknikken en alles goed vinden, vooral dat we leven in een ‘vrij’ en ‘rijk’ land waar iedereen ‘welkom’ is.
Onlangs had ik de eer om gedichten voor te dragen op een avond waar ook een bijzondere man een verhaal vertelde. De rock-’n-rollzeiler, noemde hij zichzelf, en zo zag hij er ook uit. Sommigen in zijn buurt vonden dat hij ook zo rook. Met een halve ketting in zijn oor en getatoeëerde armen deed hij zijn verhaal. Het was geen Abel Herzberglezing, maar zijn boodschap was ongeveer dezelfde als die van Sigrid Kaag: ‘Het is niet meer vanzelfsprekend dat deze woorden worden begrepen.’
De rock-’n-rollzeiler was alles kwijt in zijn leven, maar niet het recht om de waarheid te spreken. En omdat hij de waarheid sprak en zijn waarheid als een bom boven onze hoofden hing, was hij in mijn ogen waardiger dan iedereen in de zaal. Na afloop verdween hij snel.
Het verbaasde me niet, de waarheid is meestal niet gezellig. Even dacht ik dat hij profeteerde in de woestijn, maar daarna las ik de lezing van Sigrid Kaag en begreep ik dat de waarheid die boven onze hoofden hangt, hoorbaar is, zelfs in het gezoem van Thierry, Blok en de miljoenen zoals zij.
Wie oren heeft, die hore.
Den Haag Centraal, 4 oktober 2018

Migratiemuseum
Ik schrijf dit stuk te midden van hamergeluiden, in het Haagse Migratiemuseum. Nog in aanbouw en toch al officieel open, in het weekend, en spontaan mijn favoriete museum in Den Haag geworden. Waarom? Omdat ik in wat ik zie ook iets van mezelf herken. Niet alleen een geschiedenis die niet de mijne is, die ik wel wil respecteren en begrijpen, maar die niet diep in mij zit, simpelweg omdat zij niet de mijne is. Mijn mensen hebben nooit iemand gekoloniseerd. Ze waren ook geen Nederlanders-doorzetters, om die tv-reclame te citeren.
Eigenlijk weet ik allang niet meer wie ‘mijn mensen’ zijn. Maar in het Migratiemuseum krijg ik zo’n idee: dit zijn mijn mensen! Zij die migreren, die alles achterlaten om in een ander land opnieuw te beginnen, mijn mensen zijn zij, degenen die familie achterlaten en met ingehouden adem hopen ergens anders een dak boven hun hoofd te krijgen. De pijn die je als migrant je leven lang meedraagt, is hier in het Migratiemuseum te zien, bijvoorbeeld in de beelden over Indonesiërs die tegen wil en dank Nederlander werden.
Toen ik binnenkwam, was directeur Wim Manuhutu druk met van alles: al verwikkeld in een gesprek, twee kunstenaars kwamen een expositie openen en behalve ik nog een bezoeker. Toch maakte hij tijd voor een gesprek. Tekenend was zijn opmerking dat ze openden ondanks dat er maar geld voor een jaar is. Om te laten zien wat het museum kan. Zo on-Nederlands! Dit is de migrantenfilosofie, beste lezer! Precies de filosofie van de migrant die zich in het onbekende stort, maar vertrouwen heeft. Waarin? In faith, in zichzelf… Terwijl een Nederlander niet eens op vakantie gaat als hij niet genoeg geld heeft om zeker te zijn wat hij ervoor terugkrijgt, heeft een migrant de filosofie van directeur Manuhutu: “We’ll see.” Als wij thuis niet genoeg geld hebben voor vakantie, gaat mijn Nederlandse man liever een jaar niet. Ik daarentegen: hoe minder geld, hoe groter het vakantieavontuur!
Den Haag heeft dus een Nederlandse primeur: het Migratiemuseum. Een plek waar meer dan dertig procent van de Haagse inwoners zich kan herkennen in alle verhalen die voor een Nederlander exotisch kunnen klinken, maar niet voor ons, die dertig procent. Het zijn onze verhalen, want het verhaal van de Indonesiër is ook mijn verhaal, net als dat van de Egyptenaar of de Syriër. Want misschien namen we verschillende wegen, uiteindelijk zijn we allemaal naar Holland gekomen, het land van melk en honing. En de pijn die we meedragen, delen wij ook allemaal.
Kabinet, word wakker! Het was allang tijd dat er een Migratiemuseum kwam voor die dertig procent Nederlander geworden doorzetters.
Den Haag Centraal, 27 september 2018

Vlooienmarkt
“Mevrouw, ik heb geen 50 cent bij me. Mag ik toch naar de wc?”
De toiletjuffrouw deed haar best om lelijk naar mij te kijken. ‘Soms moet je hard zijn,’ citeerde ik Rutte in mijn hoofd, met volle blaas. ‘Maar alsjeblieft niet vandaag, mevrouw!’, smeekte ik haar in mijn hoofd.
Ze leek tijd nodig te hebben om erover na te denken, en hoewel ik van mijn ene been op mijn andere ging staan, was ik blij dat ze mij hoop gaf.
Ik was een van de duizenden bezoekers van de grootste vlooienmarkt van Nederland, in Amsterdam Noord, en terwijl ik nodig naar de wc moest, keek ik van boven vanaf een terras naar al die studenten die stoelen boven hun hoofd of op hun fiets droegen, of tassen vol broeken van 1 euro per stuk. Als er niet geschoten wordt, is zo’n vlooienmarkt de mooiste metafoor van het leven. Je vindt zeker iets kleins, een kopje dat je blij maakt, je ziet de vergankelijkheid van het leven, de vergane glorie in al die aangeboden spulletjes van dertig jaar geleden. En dat stemt je melancholiek, maar net niet genoeg om niet te genieten van het mooie weer en de mierenhoop van mensen. Het leven is ook met alle vergane spullen in volle gang, ondanks een mogelijke nieuwe Europese crisis, Brexit, Rutte, Orbán.
Ik stel me voor dat deze vlooienmarkt het land is, ongeacht welk land. Maakt het uit wat voor nationaliteit al deze studenten met hun stoelen op hun hoofd of op hun fiets zijn? Maakt het uit wie wij zijn, zolang we van het weer of van een koopje genieten?
Ik stel me ook voor dat er dertig jaar geleden, in de jeugd van de meeste van deze spullen, minder kopers waren. En dat ze meestal op elkaar leken en ongeveer dezelfde spullen hadden. In het dorp waar we vlak na onze komst in Nederland hebben gewoond, waren de klanten van de vlooienmarkt vooral Turken. “Kom,” spoorde mijn man me aan, “we moeten er zijn voordat de Turken komen.” En ik moest lachen, want ik dacht dat we alleen in Roemenië bang voor de Turken waren. Nu, afgaand op de vlooienmarkt in Amsterdam Noord, zijn we allemaal Turk geworden.
Waarom kan het leven geen vlooienmarkt zijn? Ik zag er alleen maar leuke mensen, geen gemaar, geen politici, iedereen had er een beetje baat bij, iedereen leek tevreden, Lili en Howick waren we allemaal.
“Mag ik, mevrouw?”, vroeg ik aan de dame die de wc bewaakte.
“Denk je dat je de enige met zo’n verhaal bent? Ik heb al zoveel mensen zoals jou binnengelaten.”
Zo’n stemming maakt me zo blij! En na het gebruik van de wc was ik inderdaad diep gelukkig.
Den Haag Centraal, 20 september 2018

Jas
De manier waarop ik met mijn bijna 16-jarige dochter spreek, doet me soms denken aan een politiek regime. Vier van de vijf zinnen die ik zeg, veroorzaken revolte. Daarom baseer ik me minder op woorden, meer op feiten. Een van de feiten: een maand geleden liet ik mijn dochter in de Bijenkorf een jas zien, die ze niet alleen mooi vond, ze zei zelfs: “Die zou ik ook wel willen dragen, dan delen we hem.” Het magische woord: delen. Een jas delen met mijn dochter betekende dooi in de koude oorlog van de puberteit.
Sparen dus. In de Haagse Bijenkorf vertelde de verkoopster dat ze de jas hooguit twee dagen apart kon houden. Hoop verloren. Maar in de Amsterdamse Bijenkorf hield de aardige verkoopster met dezelfde naam als mijn dochter de jas vijf dagen apart. Hoop terug. Maar na vijf dagen kon ik de jas nog niet kopen. Hoop weer verloren. Dezelfde aardige verkoopster adviseerde me om de vijfde dag nogmaals te bellen en de reservering te verlengen. Hoop terug.
Ik belde. Een meisje met de naam van een woestijn, de enige woestijn die ik ken, verzekerde me dat de jas op me wachtte, in de Bijenkorf in Amsterdam. In een kast, klaar om gedeeld te worden. Ik bedankte haar en noteerde haar naam voor de feedback over hoe ik was geholpen. Op haar verzoek. Ik kreeg ook een e-mail dat de jas nog steeds in de kast op mij wachtte. Maar ik werd ziek en de wil om de jas te hebben werd overschaduwd door de wil om te genezen. Eenmaal beter ging ik onze stad in. In de Bijenkorf kwam ik een pop tegen die onze jas aanhad, precies de maat die mijn dochter en ik zouden delen. En om mijn genezing te vieren deed ik een impulsaankoop. Ik kocht de jas en vroeg de Haagse medewerker om de Amsterdamse medewerker te bellen om de jas daar uit de kast te halen.
Thuis vroeg ik eerst mijn dochter voorzichtig: “En? Zou je die jas nog willen delen?” Zij: “Jij vond hem leuk. Als jij hem zo graag wil, koop hem!”
In mijn inbox vond ik een e-mail van de Amsterdamse Bijenkorf: mijn jas was niet meer gereserveerd. De dag daarop belde een medewerker met de naam van een bijzondere Duitse filosoof, die gelukkiger leek dan ik toen hij hoorde dat ik de jas al had. Had de medewerker uit Den Haag hem niet gebeld om de gereserveerde jas te dereserveren? Nope. “Maar zou u ons feedback willen geven, aangezien u de jas hebt?”
Ik heb hem. Ja. Ik hou hem nog in de kast, want de jas heeft wollen mouwen en we hebben weer motten in huis.
Den Haag Centraal, 13 september 2018

Woorden
Ik vraag me af wie van ons na 8 september nog over Lili en Howick zal praten. Wie nog naar de moeder of de Armeense autoriteiten zal bellen om te vragen hoe het met de kinderen gaat. Wie van ons zich zorgen zal maken als de in Nederland opgegroeide kinderen niet zo makkelijk in hun vaderland zullen kunnen aarden. Geen van ons allen – nu nog met onze armen ten hemel geheven, zoals Mozes toen hij boos op God was. We zullen andere Lili’s en Howicks vinden; er zijn er nog zo veel. Ik verbaas me hoeveel woorden er zijn gezegd over het besluit om deze kinderen uit te zetten. En toch blijkt dat de zee van woorden niets verandert in onze bloeiende democratie.
Woorden in kranten hebben naar mijn gevoel nog nooit zó weinig gedaan. Ik, die onder het communistische regime in mijn geboorteland moest oppassen wat ik zei, verbaas me hoe slap het vrije woord in het vrije Westen en de westerse democratie is. Minister Blok blijft ondanks het geuite misnoegen van het multicultivolk zijn racistische meningen geven, Lili en Howick vertrekken naar Armenië, ondanks het publieke smeekgebed van hetzelfde volk, en als je verder dan je eigen tuin kijkt, zie je Trump wiens kapsel intact blijft ondanks de stormen die hij zelf veroorzaakt. In mijn geboorteland werd de gendarmerie en de regering deze zomer ook geen sanctie opgelegd nadat ze traangas en waterkanonnen hadden ingezet tegen demonstranten. Zelfs Europa lijkt versteend.
Misschien ligt het niet alleen aan Europa of de politici, maar ook aan onszelf, aan ons, die na 8 september, vermoed ik, over Lili en Howick geen woord meer zullen zeggen. Er zal geen publiek debat komen over het uitzetten van kinderen, we zijn Canada niet. Zal iemand een voorstel doen voor aanpassing van de wet als het gaat om uitzetting van kinderen? Nee, ik vrees dat we verdergaan naar de volgende Lili en Howick. De wereld zit vol vreselijke gebeurtenissen.
Als je nog steeds gelooft dat religie het opium voor het volk is, vergis je je in het tijdperk. Alles kan vandaag de dag het opium voor het volk zijn, zelfs het goede westerse leven. We hebben een goed leven, we winden ons even op, maar verder doen we niets. Zonde van onze tijd. Ik vraag me ook af hoe belangrijk in onze bloeiende democratie de mening van het volk is. En ik vraag me af hoeveel van de mensen die nu op Facebook om Lili en Howick geven, zouden komen naar een protest op het Plein om hen hier te houden?
Wind je niet op, hoor, het is maar een vraag! Ik weet dat de helft van het land met vakantie is.
Den Haag Centraal, 6 september 2018

Verleden uitzoeken
Voor een land dat in de afgelopen honderd jaar niet langer dan vijf jaar in oorlog was en geen regime hoefde te overleven, is Nederland een vrij geheimzinnig land als het gaat om zijn verleden. En nu hebben we het over min of meer recent verleden. Je zou denken dat een land gemakkelijker spijt kan betuigen dan een individu, omdat er wijze mensen aan de macht zijn. Een land heeft ook iets van een huwelijk. Stel je eens voor dat je op een gegeven moment beseft dat je met iemand getrouwd bent die geen sorry kan zeggen. Absurd, want er zijn geen heiligen op de aarde, vooral niet in een huwelijk. Maar als je je hebt gewapend met geduld en je hebt toekomstplannen met je partner, ga je in discussie. Ik hoor mijn man al zeggen: ‘Praten? Alweer praten?’
Ook voor een land is praten een manier om de verschillende groeperingen/minderheden aan het woord te laten komen. Het publieke debat heeft iets van gezinstherapie, therapie die ieders rol in een gezin duidelijk maakt, als dat niet vanzelfsprekend is of wanneer het gezin iets meemaakt wat de rolverdeling doet verschuiven. Zo gaat het ook in de maatschappij: het debat over Zwarte Piet begon toen de ontevredenen hun stem verhieven.
De grote teleurstelling die ik over mijn geboorteland voelde, was niet het communisme zelf. Maar het feit dat het na de val van de Muur nog bijna dertig jaar heeft geduurd tot het communisme tot een misdadig regime werd verklaard. En dat helaas nog met sotto voce.
Maak het verleden bespreekbaar, zou ik zeggen. De geschiedenis onder het tapijt houden is niemand ooit gelukt, ook al wordt het vijftig jaar lang geprobeerd. De geschiedenis heeft een lange adem, duurt langer dan opeenvolgende generaties. De waarheid heeft iets van een zwangerschap: je kunt haar niet te lang geheimhouden. De geschiedenis is altijd zwanger van de waarheid, alleen duurt zo’n zwangerschap veel langer dan bij haaien. Elk jaar rond 4 mei, 15 augustus en 6 december heeft de geschiedenis een soort miskraam. Tot nu toe in ieder geval. Maar het publieke debat begint toch langzamerhand pootjes te krijgen. Misschien moeten we niet meer wachten op die drie data in het jaar. Ik lees dat Rotterdam zijn eigen verleden tot op de bodem laat uitzoeken. Vrij uniek in Nederland, zo niet in Europa.
Den Haag, komt er bij ons een Migratiemuseum of niet? Of is het net als met Sinterklaas: hij komt alleen als je braaf bent geweest? In dat geval kennen we het antwoord. Laten we hopen dat het voorbeeld van Rotterdam besmettelijk wordt.
Den Haag Centraal, 30 augustus 2018

Waarom worden vrouwen als Anne Faber geofferd aan het tbs-systeem?
Klinkt dat alleen mij bekend in de oren? Was het niet amper een jaar geleden dat Michael P. Anne Faber martelde, verkrachtte en vermoordde terwijl hij ‘werkte aan zijn terugkeer in de maatschappij’? En werd niet in 2016 nog een 21-jarige vrouw verkracht door tbs’er-op-verlof Henk van der V., die in 2000 de 16-jarige Ankie had vermoord?
Nu willen behandelaars opnieuw een dader van een vreselijk misdrijf begeleid verlof geven, hoewel volgens de kliniek de kans op herhaling groot is. Wik H. vermoordde in 2000 de 10-jarige Nienke én bijna ook haar vriendje van elf. Later probeerde hij ook nog verschillende vrouwen te verkrachten.

Ik heb Anne Faber niet gekend, maar vergeten zal ik haar nooit: een jonge vrouw in het begin van haar leven, popelend om een toekomst op te bouwen. In enge sprookjes uit mijn kindertijd werden elk jaar onschuldige meisjes geofferd aan zevenkoppige draken, totdat het monster na een strijd op leven en dood door de mannelijke held werd gedood. Die sprookjes las ik in mijn moedertaal in een land dat met diverse monsters worstelde.
Maar in Nederland zitten de kleine meiden op hockey of voetbal en hebben ze feministische vaders, dacht ik.
Hoe komt het dan toch dat ze worden geofferd aan de draak? Want dat is wat er gebeurt. Waarom zien we niet dat het systeem meisjes doodt? Mensen als Michael P. en Henk van der V. worden door het systeem geholpen te verkrachten of te doden. Hen met verlof sturen vergroot juist de kans op herhaling, blijkt uit de bovenstaande voorbeelden.
En als je hoort dat ook Wik H. misschien verlof krijgt, denk je: wie is de volgende Anne Faber? Wie is de volgende dochter die van haar fiets gerukt wordt, gemarteld, verkracht, gedood? Omdat een begeleider vindt dat het leven van een dader fijner zou zijn als hij verlof krijgt?

Anne Faber is niet alleen Anne Faber, ze is een van ons, een van onze dochters. Haar dood had moeten bijdragen tot hervorming van het falende systeem, een keerpunt moeten zijn in de geschiedenis van het strafrecht en het tbs-systeem. Rechters, begeleiders, minister, vrezen jullie niet voor jullie dochters en kleindochters?
De zaak van Anne Faber is geen zaak om te vergeten. Als ik de rechter was die destijds geen tbs heeft opgelegd aan Michael P., had ik haar foto op mijn bureau gezet naast een foto van mijn eigen kinderen. Om me mijn eigen falen en het falende systeem dagelijks te herinneren. Want dat falende systeem betekent verwoeste levens.
En begeleiders: hebben jullie geen empathisch vermogen? Want als ik me moet voorstellen wat Nienke en Anne en al die andere vrouwelijke slachtoffers die het systeem allang vergeten heeft, hebben moeten doorstaan, wil ik weer emigreren, ditmaal naar de maan.
De vermoorde Nienke uit Schiedam zou nu 28 zijn geweest, Anne Faber een jaar jonger. In Nederland moet iedereen een fijn leven hebben, zelfs moordenaars van kinderen en jonge vrouwen, maar hoeveel weegt het verloren leven van Anne of Nienke? Wat betekenen zij voor ons, die hen niet hebben kunnen helpen? Niets, omdat ze niet meer zijn? Niets, omdat ze gewoon pech hebben gehad?
Trouw, 22 augustus 2018

Wat kun je zeggen over de oude geschiedenis als de recentere pijnlijker is?
De woorden gingen afgelopen vrijdag en zaterdag in Boekarest voor de helft op. Ze waren inderdaad talrijk, de Roemenen die tegen de huidige regering kwamen protesteren: meer dan honderdduizend Roemenen uit de diaspora, onder wie ook ik, waren naar Boekarest gekomen om te demonstreren tegen de regering en leider van de regeringspartij, een Roemeense Erdogan.
Samen met een Roemeense schrijfster liep ik naar het plein voor het regeringsgebouw, waar ik de Nederlandse vlag van de Roemenen uit Nederland zocht. Een paar keer zag ik hem, maar de massa zoog me naar binnen en voerde me steeds een andere kant op.
Het enthousiasme dat ik met al die honderdduizend mensen deelde, was sterker dan wapens zoals het traangas, de granaten of de waterkanonnen op de pantserwagens waarmee de Roemeense regering de Roemenen uit de hele wereld ontving.

“Kijk de tanks daar”, zei de Roemeense schrijfster en ik vroeg me af hoe ernstig de situatie zou kunnen worden. Toen de gendarmerie traangas inzette, keek ik om me heen, naar de kinderen, de vele kinderen op de ruggen en schouders van hun ouders. Mijn Nederlandse man en kind, die mee naar Boekarest waren gekomen maar niet naar het eerste protest, sms’ten ik zodra mijn keel en ogen begonnen te branden: ‘Blijf waar je bent, niet in de massa’.
Soms is een land net een man en met een Roemeense man heb ik nooit willen trouwen. Ik hield wel van hen, van de Roemeense mannen, maar niet tot aan trouwen toe. En ik ontmoette mijn minder macho Nederlander, op wie ik verliefd werd. En hij bracht een nieuw land met zich mee, een land waarin mijn grootste angst is dat de Scheveningse duinen op een dag zullen worden overspoeld en niet dat de gendarmerie je versuft met traangas en waterkanonnen. Een land waar, zoals bij veel mannen en landen, veel te verbeteren valt, maar waar je waardigheid en kansen krijgt om jezelf te zijn.
In Boekarest werd ik de ochtend na het protest wakker met hoofdpijn en duizeligheid, een paar uur kon ik niet in een rechte lijn lopen. Gelukkig was ik niet een van de vijfhonderd mensen die medische hulp nodig hadden en niet een van de kinderen die zich aan de nek van hun vader vastklampten toen de mensen begonnen te rennen. Mijn kind zat op de eerste avond van de protesten veilig in een boekhandel in de omgeving.

Volgend jaar is het dertig jaar na de val van de Muur en ik plande een reportage voor de Nederlandse media. Maar wat kun je zeggen over de oude geschiedenis als de recente geschiedenis pijnlijker is?
Een land is soms net een man: je wilt een betere, een bij wie je je veilig voelt, een die je waardeert, een met wie je je gelijk voelt, een die je na een reis thuis niet ontvangt met traangas en waterkanonnen.
Een Roemeense vrouw uit de diaspora vroeg aan de gendarme die haar met traangas verblindde waarom hij dat deed: “Wat wilde je dan, dat ik je neukte?”, antwoordde de man met de missie.
Trouw, 15 augustus 2018

Hoe is het om jou te zijn?
Niet zo lang geleden noemde iemand me de ‘Roemeens-Nederlands-Zuid-Afrikaanse schrijfster’, omdat ik sinds twee jaar naast Roemenië en Nederland nog een land heb om van te houden, het derde in het rijtje. Ik vond het leuk, misschien ook wel omdat ik geloof dat hoe meer identiteiten je hebt, hoe minder je je vastklampt aan een ervan. Hoe minder ze iets betekenen. Hoe vrijer je bent.
Nadat in het communistische Roemenië van de jaren tachtig een bekende zangeres was betrapt bij een poging naar Berlijn te vluchten, werd ze op de nationale radio met veel ironie ‘de Berlijnse zangeres’ genoemd. Het was toen een doodzonde om van je heilige nationaliteit af te willen. En als ik nu, meer dan dertig jaar later, om me heen kijk, zie ik die heiligheid nog steeds. Het is zo belangrijk wat we zijn, alsof we wie we zijn zouden kunnen verbergen achter ‘wat’ we zijn.
Het was in Zuid-Afrika dat ik Adama ontmoette, een Senegalese marktkoopman van wie ik na lang onderhandelen een tas kocht. Van Roemenië had hij nog nooit gehoord en Holland zei hem ook niet veel. Europa wel, dat leek het magische woord. Hij was spraakzaam, vlot, jongleerde met zijn tassen en sprak als een veilingmeester, het had me niet eens verbaasd als in de hocuspocus ineens mijn portemonnee foetsie was geweest. Mijn hersenen waarschuwden me, maar het spektakel was veel te vrij om me zulke aardse zorgen te maken. Adama stelde me zijn drie broers voor, aan wier vingers ook gekleurde tassen groeiden en het woord ‘Europa’ hing ook ergens in de lucht. Misschien was ik nooit méér Europeaan in iemands ogen geweest dan toen in de ogen van Adama en zijn broers.
En ik werd niet bestolen op de markt door hen. Nee, dat gebeurde in de buurt van de ‘Magische Boer’, een disco in Bloemfontein, door een andere jongen. Een jongen met een enorme angst in zijn ogen. Hij had mijn rugzak geopend en pakte mijn telefoon, maar ik voelde het en draaide me om. Toen zag ik die enorme angst. Ik griste de telefoon terug en hij begon te roepen ‘This is mine!’ En ik: ‘Where is mine?’ Mijn eigen telefoon bleek in zijn mouw te zitten en we staken gelijk over. Ik zal die jongen nooit vergeten. Niet omdat hij mij had bestolen, maar vanwege de angst in zijn ogen. Toen hij in de koude Zuid-Afrikaanse nacht verdween, vroeg ik me af hoe het zou zijn om hem te zijn. Hoe zou dat zijn? In de discotheek, waar mijn drie collega’s en ik de enige blanken waren, dacht ik nog steeds aan die angst in zijn ogen. Hoe is het om de ander te zijn? “L’enfer, c’est les autres”, zei Sartre ooit en die nacht in Bloemfontein wist ik dat ook.
In mijn studententijd, toen we bij Frans ‘Lettres Persanes’ lazen, zagen we alleen de humor ervan: ‘Hoe kun je nou een Pers zijn?’ vraagt het Franse personage zich af, terwijl het Perzische karakter zich juist afvraagt: ‘Hoe kun je nou Frans zijn?’
Vandaag de dag doorleef ik de serieuze, bijna dramatische kant van die retorische vragen van de twee personages van Montesquieu. Hoe is het om Perzisch te zijn?
Wíe we zijn is veel interessanter dan wát we zijn. Wie ben je? En hoe is het om jou te zijn?
Trouw, 8 augustus 2018

Deze wereld heeft geen sokkels voor vrouwen, maar sekswerker Evelyn Rochel verdient er één
Deze wereld heeft geen sokkels voor vrouwen als Evelyn Rochel Villalba, in ieders ogen gewoon een prostituee. Maar zij is een heldin! Voor degenen die het interview met haar in NRC (19 juli) niet hebben gelezen: Evelyn Rochel Villalba (43) is een Colombiaanse sekswerker in Madrid, die strijdt voor de rechten van sekswerkers in Spanje.
In 2017 spande ze een rechtszaak aan tegen haar bazen in een Madrileense club, wat haar haar baan, haar huis en bijna haar leven kostte. Ze beschuldigde hen van schending van de mensenrechten. “Omdat íemand het moet doen”, zegt ze er zelf over, bewust dat ze zo’n zaak mogelijk niet gaat winnen.
Evelyn Rochel is een mengeling van Don Quichot en Erin Brockovich, maar is vooral zichzelf: een vrouw die de uitbuiting zat was, een strijdster die doorging, zelfs toen haar collega’s haar aanvielen.
Toch is het iets anders in het verhaal van deze fantastische vrouw wat mij diep raakt. Twintig jaar lang stuurde Evelyn Rochel geld naar huis voor de studies van haar neefjes en nichtjes. Een is inmiddels advocaat, een ander architect. Op zich al heel mooi. Maar zij deed nóg iets bijzonders, wat boven alle hulporganisaties en regeringen en Europese Unies uitstijgt: bij notariële akte liet ze vastleggen dat haar nichtjes, de advocaat en de architect, op hun beurt hetzelfde met hun eigen kinderen zullen doen: hun studies betalen. Zorgen dat de kinderen educatie krijgen.
Want Evelyn Rochel, een meisje afkomstig uit een arme wijk in Colombia, een in opstand gekomen prostituee in Madrid, weet dat educatie dé sleutel voor een beter leven is, een leven waarin je rechten als mens misschien niet zomaar geschonden worden. Van haar werk als prostituee betaalde ze dus geen villa, ze schonk haar neefjes geen auto of vakanties. Nee, ze betaalde hun studies.
Misschien lijkt dat ons in het Westen – niet wetend hoe het is om niet naar school te kunnen of mogen gaan – geen big deal. Maar dat is het juist wel, het is net zo’n big deal als de reis naar de maan.
Denk aan alle kinderen in de wereld die al op hun vijfde werken, denk aan de kinderen die in een Afrikaans land zelfgemaakte windmolentjes van ijzerdraad verkopen langs de weg, denk ook aan de zevenjarige herdertjes in Oost-Europese landen: herder geboren – herder gebleven. Denk aan al diegenen die het ook zouden willen: elke zomer schoolspullen kopen en een nieuw lesrooster krijgen.
De wereld zit vol mogelijkheden die nooit zullen uitkomen. Als ik de Belastingdienst was, zou ik een speciale aftrekpost voor de rijken instellen: belastingaftrek voor studiebeurzen ten behoeve van kansarme kinderen, minder belasting betalen als ze een toekomst voor arme kinderen mogelijk maken. Dat is wat Evelyn Rochel deed. Niet alleen voor haar neefjes en nichtjes, maar ook voor hún kinderen. Alsof ze direct uit een van de theorieën van socioloog Pierre Bourdieu komt, wist Evelyn Rochel hoe belangrijk cultureel kapitaal is, waarin het kind een opleiding, vaardigheden en kennis krijgt.
De rechtszaken tegen haar voormalige baas gaat ze misschien verliezen. Of niet. Wie weet? Misschien wil de rechter die haar zaak behandelt ook geschiedenis schrijven en stelt hij haar in het gelijk, in de naam van alle uitgebuite prostituees ter wereld. Dat weten we niet. Wat we wel weten is dat Evelyn Rochel Villalba tegenwoordig al haar geld stopt in het bouwen van een sportschool in haar geboortestad in Colombia.
Trouw, 1 augustus 2018

Blok is het type Nederlander dat ik heb geleerd te negeren
Na de recente uitspraken van minister Blok lijkt het alsof iedereen wil laten zien – in beelden en voorbeelden – hoe multicultureel we zijn. Maar niet wíj zijn het probleem, maar de nu wereldbekende minister Blok.

Zolang we dat niet begrijpen, blijven we zoeken naar voorbeelden van multiculturalisme, die soms nogal komisch overkomen. Dat je als Nederlander drie keer in de week shoarma eet met je vrouw , betekent immers nog niet dat je overtuigd bent van het succes van de multiculturele samenleving.

Blok is net mijn Nederlandse schoonmoeder, die mij – Oost-Europese schoondochter – vroeg of ik eigenlijk wel christen ben. En dat met enige regelmaat. En ik was zo naïef om het probleem bij mezelf te zoeken. Een van de ‘grappigste’ vragen die ik ooit na een lezing kreeg, was of we in Roemenië wc’s hadden. “Nee”, antwoordde ik toen, “juist voor de wc’s ben ik naar Nederland gekomen.”

Blok is het type Nederlander dat ik heb geleerd te mijden. Te negeren. Maar Blok is Nederland niet. Hij is slechts de vrouw die je vraagt of je de oppas van je (eigen) kind in je kinderwagen bent, de hooggeplaatste functionaris aan wie je je voorstelt en vertelt dat je Roemeense bent, waarop hij spontaan antwoordt: ‘Geeft niet, hoor!’. Hij is de buurvrouw die ‘Ga terug naar je eigen land!’ roept, de lezer die zegt dat je gemengde huwelijk tot mislukking is gedoemd. En zo kan ik nog een paar voorbeelden geven. Het type dat je helaas op alle niveaus van de maatschappij tegenkomt, van schoonmoeder tot minister. In feite een primitief type, diep overtuigd van zijn eigen waarheid. Het type mens dat geen echte reis maakt in het leven, maar in zijn cirkeltje blijft.

Ik herken het type vrij snel, soms al voordat ik met hem in een interactie beland. Op de tijdlijn van het racisme is het de voorouder van het type dat heeft geleerd zich zo veel mogelijk in te houden, maar hetzelfde uitstraalt. Eigenlijk zijn we verbaasd dat Blok in die evolutie nog bij de homo habilis zit, terwijl we dachten dat hij bij de erectus hoorde te zijn, gezien zijn functie tenminste. En Blok is lang niet het ergste type, kijk maar rond in de Nederlandse politiek: van hoeveel anderen wachten we nog op de ‘oprechte’ excuses? We zijn in shock, omdat we ervan zijn overtuigd dat wij, Nederlanders, hoog op de evolutieschaal staan. Dat wij sinds de eerste tulp alleen maar vooruitgang boeken. Als iemand niet in het Nederlands, maar in het Neanderthaals roept, schrikken we ons dood.

Na een paar moeilijke jaren in Nederland heb ik ervoor gekozen om alleen de voordelen van migratie te zien. Om niet meer te piekeren, om de kans opnieuw te beginnen volledig te benutten. Om mezelf, als buitenlandse, rijker te voelen, juist omdat ik meer, meer, meer heb. Om, net als Mesut Özil, die Duitse voetballer met Turkse roots, twee of meer harten te hebben. En om mijn rijkdom te laten zien. Ik heb besloten om het type Blok en andere Blok(ken) zoveel mogelijk te vermijden. Om de ‘Ga terug naar Roemenië’-buurvrouw achter te laten en naar een ‘betere’ buurt te verhuizen. Om hun de (non-)aandacht te geven die zij verdienen.

Moeilijker wordt het als iemand als Blok minister wordt. Dat hij minister van buitenlandse zaken is, zie ik als een ironie van onze (kleine) geschiedenis. Ik neem aan dat het gecorrigeerd kan worden.
Trouw, 24 juli 2018

Geëngageerd
Ik ontmoette Saskia bij mijn eerste echte demonstratie, zo’n protest waarbij je met spandoeken staat en leuzen roept. We protesteerden voor beëindiging van de prostitutie in de Doubletstraat en Saskia viel op tussen die enkele politici die verplaatsing ook goed vonden, zolang er maar pers bij was om, zo vlak voor de verkiezingen, hun aanwezigheid te melden. Saskia viel op, omdat ze meende wat ze zei, niet met woorden alleen, maar met heel haar lichaam.
Deze week bezocht ik haar in haar atelier aan de Stille Veerkade, niet ver van de Doubletstraat. Vanaf een geïmproviseerd balkonnetje liet ze me ‘oud en nieuw Den Haag’ zien, maar ik moet toegeven dat ik niet onder de indruk was, omdat ik hoogtevrees heb en bijna niets heb gezien.
Maar des te meer was ik onder indruk van het Den Haag in haar atelier, van de portretten aan de wanden. Een Den Haag waarin vrouwen worden uitgebuit, bedreigd, geslagen, of zelfs vermoord. Vrouwen die in hun helse reis naar een beter leven in Den Haag belanden. Saskia toonde me in haar portretten de duistere kant van de migratie, waarbij vrouwen en meisjes hun onschuld en dromen inruilen voor een paar centen en herinneringen die de ziel verstikken en het lichaam martelen. Saskia schilderde de meiden van de Doubletstraat en reisde zelf naar Oost-Europa om hen beter te begrijpen. Als wij op reis gaan, bezoeken we musea of gaan we voor de stranden; Saskia bezocht internaten en weeshuizen. Wij komen terug met souvenirs; zij kwam met portretten van weeskinderen. Ik wilde haar niet vragen wat haar drijft. Ik keek rond in Saskia’s atelier en het duizelde me bij de pijn die ik in elke blik van een kind of jonge vrouw zag.
Naast het raam zag ik de gesloten ogen van een dood meisje, gevonden in een gracht. Haar mond stond open. De ogen zullen me bijblijven, ook al waren ze dicht. De mond wilde nog iets zeggen, maar de dood liet het niet toe. Saskia zegt het voor haar, zo goed dat ik het meisje nooit zal vergeten. ‘Een Bulgaarse, gevonden in het water, een familielid uit Bulgarije kwam haar identificeren, jaren geleden.’
Na mijn bezoek heb ik nog een uur rondgelopen tot ik weer normaal lucht kon krijgen. De gezichten vergeet ik nooit meer: landgenoten, tijdgenoten, vrouwen zoals ik, meisjes zoals ik ben geweest.
Als ik aan Saskia denk, sta ik voor een dilemma: wat vind ik het leukst, dat ze kunstenaar is, een ware, of dat ze zo geëngageerd is? We hebben in Den Haag onze eigen Marlene Dumas en ik wist het niet! Op 1 september opent Saskia Tannemaat een nieuwe expositie in de Twelve Twelve Gallery in Den Haag.
Den Haag Centraal, 5 juli 2018

The Hague Gardian
Ik lig al een paar dagen met koorts in bed. Geen malaria, maar een stevig griepje.
Maar omdat ieder nadeel zijn voordeel heeft, kijk ik tussen de slaap-, eet- en drinkpauzes naar een Netflix-serie. Niet zomaar een, maar een serie die onze stad als kader gebruikt. ‘Crossing Lines’ is een Amerikaanse serie over een eliteteam gelieerd aan het Internationale Strafhof in Den Haag. Het is waar dat het International Crime Court (ICC) in werkelijkheid alleen oorlogs- en soortgelijke misdaden behandelt, die in deze film niet echt aan bod komen, maar voor iemand met koorts is dat maar een detail.
Leuk is dat ‘le quartier general’ van het ICC in de serie daadwerkelijk in Den Haag is, ongeveer onder het kantoor van premier Rutte als je de beelden van de film op de werkelijkheid plakt. Ook Rotterdam en Amsterdam komen aan bod. Misdaden in Praag, Berlijn, Parijs, maar ook Sofia worden opgelost door het ICC in Den Haag, en Europa lijkt klein en lijkt enigszins op een goulash met van alles erin. Wat natuurlijk ook niet ver van de werkelijkheid is, aangezien criminelen in Europa in het echt ook moeiteloos van land naar land kunnen reizen.
Hilarisch zijn de clichés. Ook in deze serie over Nederland ontbreken Van Gogh en Vermeer niet. De ‘local women’ zijn roodharig en zouden beter passen in ‘Het meisje met de parel’ dan in een serie over Nederland anno nu. In elke aflevering zie je een of twee keer het Binnenhof voorbijkomen en eenmaal hoorde ik de oude Donald Sutherland, die mijn dochter zelfs kent, in het Nederlands zeggen: ‘Geef me de rekening, alstublieft.’ Namen als Scheveningen of Schiphol werden drie seizoenen lang niet één keer goed uitgesproken.
Mijn favoriete aflevering was die over de zaak tegen een Afrikaanse dictator, waarin de rechterhand van Donald Sutherland, alias Michel Dorn, met haar bron communiceert via advertenties in The Hague Guardian! Toen wist ik zeker dat mijn koorts even steeg, want dat moest ónze krant zijn!
We wonen in een piepkleine stad, in een klein Europa. Het team vergadert vaak in de trein en dat lijkt vaak op een mooie reclame voor de Thalys. Bij een echtelijke ruzie in die mooie stoelen in een van de eerste afleveringen had ik een sterk déjà vu.
Alles is bekend en gebeurt dichtbij. In Europa, dat ik nooit kleiner heb ervaren dan in deze serie. En hoewel de serie zeker geen documentaire is, was ik nooit blijer om het Binnenhof op tv te zien, mede dankzij de koorts natuurlijk. We zijn klein, maar afgaand op deze serie wordt er veel onrecht rechtgezet in onze kleine Den Haag.
Den Haag Centraal, 28 juni 2018

Beren op de weg
Het Leger des Heils slaat alarm over de overvolle daklozenopvang. Het gaat om honderden mensen die mogelijk een gevaar voor de samenleving vormen en opvang nodig hebben. De waarschuwing komt van Legercommandant Hans van Vliet.
Zulke berichten horen meer thuis in mijn geboorteland dan hier, dacht ik, maar misschien moet ik er maar aan wennen. (Met geweld van hun ouders gescheiden migrantenkinderen hoorden tot drie jaar geleden ook niet bij Amerika, maar zijn nu de Amerikaanse realiteit.)
Eens per jaar, vooral na een strenge winter, waarschuwde mijn vader me dat ik ’s middags binnen moest blijven omdat er uitgehongerde beren rondliepen die schaamteloos varkens uit hun hokken kwamen plukken. Niet ver van ons dorp liep een beer via het trappenhuis tot de vierde verdieping, waar hij een mens doodde. De beer werd doodgeschoten en op het nieuws werd ons verteld dat beren een gevaar voor de samenleving waren geworden. Zoals deze daklozen, voor wie deze meneer ons waarschuwt. Wat mij hierbij verbaast, is de nuance dat ze een gevaar voor de samenleving vormen en dat we daarom een oplossing moeten vinden. Er wordt geen beroep meer gedaan op de menselijke kant van de lezer, zoals we gewend zijn van goede doelen en liefdadigheidsinstellingen. Nee, we moeten een oplossing vinden voor de mogelijk gevaarlijke daklozen, omdat wij anders in gevaar verkeren. We doen het niet voor hen, maar voor onszelf, en dus we zijn verplicht het te doen.
Het gaat niet goed met de wereld, vrees ik. We zijn bang voor mensen zoals voor wilde beren en van beer tot wolf is niet ver. Homo homini lupus, zegt een Latijns gezegde. De mens is wolf voor de mens. Net internationale politiek.
De commandant van het Legers des Heils vraagt de gemeenten een oplossing te vinden. En wel voordat de gewone mens in paniek raakt en overal beren gaat zien. In acht jaar tijd is het klantenbestand van het Leger des Heils gegroeid van 30.000 tot 50.000. We leven in moeilijke tijden. Zelfs in Nederland. Maar door onze overvloed zien we dat niet. We leven in een reusachtige tompouce en zolang de beren niet tot onze verdieping komen en van onze tompouce eten, bestaan ze niet. Zoals ook die kinderen van Amerikaanse/niet-Amerikaanse migranten niet bestaan. Misschien zou het beter zijn als Trump met hen een akkoord zou sluiten en niet met Kim. Want als ik Trump was, zou ik banger zijn voor hen.
‘Het maakt mensen niet uit hoe het met de ander gaat,’ concludeert de commandant van het Leger des Heils. Op een dag zal de tompouce in onze keel blijven steken en van de schrik zullen we grote ogen opzetten. En wie weet wat we dan zullen zien…
Den Haag Centraal, 21 juni 2018

Pas op, Den Haag
Niets gaat boven Den Haag op zondag, het Lange Voorhout, de mooie markt. Vredig Den Haag. Maar afgelopen zondag liet vredig Den Haag me even schrikken. Aan het begin van de antiekmarkt ineens veel politie. Ik heb ze geteld: veel! Voor de drie als zodanig herkenbare moslims bij het gedenkteken Karel Bernhard van Saksen: een demonstratie. Ik ging dichterbij kijken en hoorde een gesluierde vrouw tegen haar twee kindertjes zeggen: “Deze man heeft niets gedaan en is onterecht gearresteerd.” Ze wees op een foto en schudde zachtjes het armpje van het jongetje van twee. Hopelijk nog te klein om het te onthouden, dacht ik en ik liep door.
Toen ik na een kwartier terugkwam, was er een heus protest aan de gang. Twee jongemannen met een lange baard in een Arabisch gewaad informeerden ons, de pakweg vijftien aanwezigen, dat ‘onze broeder’ Tarik Chadlioui, alias Tarik Ibn Ali, ‘onterecht gevangengehouden wordt in Spanje’. De eerste en ongeveer enige bron die stelt dat ‘onze broeder’ onschuldig is, begreep ik na enig onderzoek op internet: alle andere bronnen op internet, de media, meldden juist dat Chadlioui wordt verdacht van het leiden van een terreurcel die jongeren in Spanje voor terreurbeweging IS zou rekruteren. Ook zou hij de beweging via YouTube hebben gepromoot, wordt hij haatimam genoemd etc. Ze stonden daar namens zijn familie, zeiden de lange baarden. Ook twee van zijn vele kinderen zaten er, samen met de opa. Er werd in vier talen gesproken: Arabisch, Spaans, Nederlands en Engels. Ongeveer dezelfde boodschap, andere woorden: ‘We zijn goed voor iedereen, geliefde brothers and sisters, steun onze broeder, de islam is alleen peace op aarde!’
Nederlanders die voor de markt kwamen, liepen verder. Behalve ik was er nog één belangstellende buiten de aanhang van de broeder: een freelancefotograaf. Verder geen pers, toen. Wel de tot de islam bekeerde ex-PVV’er Van Doorn.
Ik vond het eng, daar in hartje Den Haag. Het verbaasde me dat er toestemming was gegeven voor zo’n actie, maar ja, natuurlijk snap ik niet alles. Thuis bekeek ik de demonstratie nog eens op Facebook en vond het er minder eng uitzien. Maar op Facebook was niet alles geplaatst. Ik had een van de baarden duidelijk ‘Pas op!’ horen zeggen en wilde begrijpen voor wie die waarschuwing was bedoeld; op hun Facebook-pagina vond ik het niet.
Ik zag de mensen rustig naar de antiekmarkt lopen en kreeg het gevoel dat Den Haag slaapt, de slaap van Doornroosje.
Laten we hopen dat de Schone Slaapster Den Haag nooit door een terroristische aanval zal worden wakker geschud.
Den Haag Centraal, 14 juni 2018

Migratiemuseum
Het lang geplande migratiemuseum lijkt mijn vakantie wel: tot op het laatste moment weten we niet of het doorgaat, het is alsof het uit de hoed van de ene goochelaar wordt getoverd, terwijl de andere goochelaar het juist in de hoed wil laten. Zoiets gebeurt soms bij machtswisselingen, niets nieuws onder de zon. Maar Den Haag zou een Migratiemuseum moeten hebben. Gezien zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst.
Meer dan de helft van de bevolking van Den Haag heeft een migratieachtergrond en daarmee is alles gezegd. Maar Den Haag is conservatief en daarmee is ook iets gezegd. Ik vraag me af of Den Haag conservatiever is dan andere grote steden in het land. Behalve Amsterdam dan, waar de nieuwe wethouder van kunst en cultuur in Marokko is geboren.
Laatst bezocht ik een muzikale avond over Afrika. Tien fantastische zangeressen brachten authentieke Afrikaanse muziek ten gehore. De avond stond onder leiding van een Nederlandse, blanke dame, die het goed deed en toch ook weer niet. Zij vertelde het verhaal, zong mee, trok de conclusies. Het was leuk, maar toch ook weer niet, omdat juist door haar inbreng het authentieke minder was. Af en toe had ik het gevoel dat ik naar een documentaire keek waarin een geschoolde blanke een inheems volk introduceert. In de pauze vroeg ik mensen om me heen wat zij ervan vonden en ze zeiden, min of meer, dat de blanke dame het verpestte. Maar, en hier komt mijn point, dat die tien Afrikaanse zangeressen zonder haar niet op het podium zouden hebben gestaan. Dat ze een blanke nodig hadden die hen kon introduceren. Misschien hadden de mensen gelijk, misschien niet. De show was in het hele land te zien, niet alleen in Den Haag. De zaal zat vol migranten, misschien maakten zij meer dan negentig procent van het publiek uit. En die overige tien procent had wel iets met Afrika: ‘Toen ik de laatste keer in Afrika was,’ heb ik bij de bushalte, na de show, meermalen horen zeggen.
Vorige week liep ik door een straat met een kerk waar ik geen woord Nederlands heb gehoord. De kerk was vol en het voorhof ook, en de helft van de straat was geblokkeerd, met Polen. Geen kerk in Den Haag die voller is dan de Poolse kerk. Zou je hun verhalen niet willen horen? Zou je geen festival over migratie willen bijwonen? Misschien in het toekomstige Migratiemuseum. Want een Migratiemuseum In Den Haag kun je alleen vertragen, niet verbieden.
In Rotterdam komt een Migratiemuseum voor verhalen van mensen die Nederland verlaten, las ik in de krant. Ziet niemand de humor hiervan in?
Den Haag, 7 juni 2018

Onze Anne
‘De moord op onze Anne had voorkomen kunnen worden. Daar ben ik van overtuigd,’ zegt de vader van Anne Faber in de Volkskrant. En hij heeft gelijk.
Het is zeker niet de eerste keer dat het systeem faalt, maar in dit geval moet het systeem zich schamen. En daarmee ook wij, die het falende systeem tolereren. Ik had een ander beeld van Nederlanders: hulpvaardige initiatiefnemers, mensen die rechtzetten en steunen, pioniers. Maar in het tragische geval van Anne Faber blijken we passief en vergeetachtig, het lijkt ons niet te kunnen schelen dat Anne Faber op beestachtige wijze om het leven kwam, niet door een ongeluk, maar door een misdadiger die vrij rondliep. En daarvoor moeten we ons diep schamen, zeg ik nogmaals. Anne Faber is immers ook ‘onze’ Anne, is van ons allemaal. Haar vader eist gerechtigheid voor de dood van zijn dochter en wij moeten onze stemmen mengen met de zijne, want zijn Anne had ook onze Anne kunnen zijn, onze Maria of Fatma, onze zus of dochter, die door een vrij rondlopende misdadiger, vanwege een falend systeem, om het leven wordt gebracht. Michael P. heeft Anne niet alleen gedood, hij heeft haar ook verkracht en vernederd, een pijn laten lijden die wij ons niet eens kunnen voorstellen. Waarom heeft onze Anne dat moeten verduren? Waarom zou een vrouw, zo’n jonge vrouw met een hart vol dromen, het slachtoffer moeten zijn van een slap, onervaren, onprofessioneel en ongevoelig systeem? Zelf zijn wij ook Annes, wij kunnen ook zomaar verkracht of gedood worden, wij zijn haar zussen en haar moeders, wij zijn haar.
Een systeem dat ondanks alle aanwijzingen niet kan inschatten hoe gevaarlijk een misdadiger is, is een slecht systeem, en degenen die het systeem vertegenwoordigen, zijn slechte dienaars van het systeem. Zij moeten hun verantwoordelijkheid nemen voor de dood van onze Anne. Hoeveel betekent het leven van een jonge vrouw in het huidige Nederland? Volgens het systeem niets, Annes waarde in de ogen van de toenmalige voorzitter van het gerechtshof, Rinus Otte, is een dikke nul, en in zijn ogen is niet alleen het leven van Anne een dikke nul, maar ook het leven van de twee minderjarigen die in 2012 door Michael P. werden verkracht. En ook het leven van ons, de andere Annes.
We zijn Nederlanders, trotse bewoners van een land waar het leven van onze Anne in de ogen van het rechtssysteem en zijn toenmalige vertegenwoordiger, Rinus Otte, niets betekent. Is ons land beter dan een van die landen waar vrouwen worden gestenigd? Echt? Als je naar de dood van Anne kijkt niet! De moord op onze Anne had voorkomen kunnen worden. Vader van Anne, ik ben het met u eens. En ik roep met u mee.
Den Haag Centraal, 31 mei 2018

Vrouwen
Ik zat op het enige vrije bankje voor de Hofvijver. Het begon nogal warm te worden, voor ons begrip tenminste. Het was al de derde warme dag op rij en eerlijk gezegd wist ik niet hoe ik drie warme dagen moest benutten.
Ik haalde een boek uit mijn tas en begon te lezen. Een mevrouw vroeg netjes of ze naast mij mocht zitten. Amper twee minuten later verscheen er, uit het niets, een microfoon tussen ons twee, groot als een ouderwetse nachtkastlamp.
Verderop een cameraman, die ons al aan het filmen was. En aan het andere uiteinde van de microfoon een stem. Maar in plaats van op te kijken duwde ik mijn hoofd dieper in mijn boek. De woorden (tegen de mevrouw naast me) hoorde ik wel: “Mevrouw, ik ben psychologe en ik wil u wat vragen over uw liefdesverdriet.” Pardoes. Ineens realiseerde ik me hoe saai mijn boek was. Ik hoorde mijn buurvrouw gehaast ademen. Ik keek op en zag hoe ze bleek werd en een paar keer slikte. “Liever niet,” zei ze zacht en ze keek angstig om zich heen. “Ik probeer er elke dag overheen te komen,” vulde ze aan, zo zacht dat de microfoon met menselijk verlengstuk het vast niet hoorde. Maar toen richtte de microfoon zich tot mij: “Hebt u weleens liefdesverdriet gehad, mevrouw?” Ik keek en zag dat de mevrouw en ik de enige vrouwen zonder man op de bankjes waren. Dus kwetsbaar in de ogen van de microfoon.
Ik moet zeggen dat, hoewel ik een Nederlands paspoort heb, mijn bloed nog steeds op de Roemeense manier kan koken. (En soms is het de vraag of ik ook niet wat zigeunerbloed heb.)
Eén seconde dacht ik erover om mevrouw de psycholoog met haar eigen wapens te verslaan. “U niet?”, had ik haar willen vragen. “Wat hebt u zelf, een gebroken hart, onbeantwoorde liefde, geen orgasme met uw eigen man? Gescheiden? Hoe komt het dat u zoveel tijd hebt? Gaat u met de cameraman naar bed? Hebt u het deze ochtend nog gedaan? Hebt u soms drie mislukte IVF-pogingen achter de rug? Symptomen van een uitgedroogde vagina? Een vader die u verlaten heeft? Verkeerde partners? Of bent u gewoon een bitch, een ongevoelig mens, en kan het u niet schelen dat u een kwetsbaar mens breekt, op de dag dat ze van ver (zo zou ik later horen) naar Den Haag is gekomen om haar problemen even te vergeten?” Ik heb dit allemaal niet gezegd. Ik heb haar gevraagd (niet erg netjes) om ons met rust te laten.
Daarna ben ik nog twee uur op het bankje blijven zitten en heb ik een moeilijk levensverhaal aangehoord. We hebben elkaars hand vastgehouden en elkaar moed ingesproken.
Den Haag Centraal, 24 mei 2018

Tijd is luxe
De Haagse politie arresteerde vorige week een man die drie mensen had verwond met een mes. De slachtoffers zijn buiten levensgevaar.
Een week later schoot de Parijse politie in een soortgelijke situatie een man dood die vier slachtoffers met een mes had verwond, van wie er een overleed. De Franse minister van Binnenlandse Zaken feliciteerde de politie op Twitter voor het neutraliseren van de aanvaller.
Twee verwarde mannen, zoals de pers ze in beide landen noemt, de een afkomstig uit Syrië, de ander uit Tsjetsjenië, allebei ‘Allahoe akbar’ (god is groot) roepend tijdens hun daad. Twee gelijke daden, verschillende consequenties. In een stad als Parijs, levend in angst na Hebdo en Bataclan, volgt de politie duidelijke regels om een nieuwe aanslag te voorkomen. Ook in de Franse pers lijdt het geen twijfel dat het om een terrorist ging.
Anders is de optiek van onze politie en autoriteiten, wat verklaarbaar is door het feit dat een terroristische aanslag ons stadje tot nu toe bespaard is/was gebleven. Gelukkig. Daarnaast bleek ‘onze’ dader ook bekend te zijn bij de politie, omdat hij een tijdje geleden zijn huisraad op straat had gegooid. Malek (want zo heet hij) stond niet op de lijst met potentiële terreurverdachten.
Men leek het erover eens: het betrof een verward persoon. Zelfs de politie en de woordvoerder van burgemeester Krikke meldden dat de man al bekend was bij instanties vanwege ‘verward gedrag’. Ik heb het nergens gelezen, maar ik kan me voorstellen dat ook onze Haagse politie een schouderklopje heeft gekregen, omdat ze de dader op z’n Haags hebben geneutraliseerd. Want stel je eens voor dat ze zoals bij Mitch Henriquez de nekklem hadden gebruikt, en de dader dus op Franse wijze hadden geneutraliseerd! We krijgen te horen dat de Franse dader in het verleden een aardige buur was, aldus zijn buurman, en dat er iets met hem gebeurd moet zijn. Zal best. We bidden dat de toekomst de autoriteiten niet in het ongelijk zal stellen. Hoewel ik denk dat het voor het dode slachtoffer niet veel uitmaakt of hij is gedood door een nuchtere terrorist of een… verwarde terrorist. Oh ja, ik vergis me: allereerst is onze dader geen terrorist en ten tweede is er bij ons geen dode gevallen.
Misschien wilde Malek zijn drie slachtoffers gewoon een gedwongen tatoeage geven en had hij geen moordaanslag in zijn agenda. Het gaat erom hoe je het bekijkt. En dat is eigenlijk het verschil tussen de Parijse politie en die van ons, tenminste officieel. Daar, in Parijs, hebben ze, na Bataclan, geen tijd meer om het te bekijken.
Den Haag Centraal, 17 mei 2018

Branoul
De mens heiligt de plek, zeggen we in mijn moedertaal, maar ik denk dat het gezegde al gedateerd is, want de mens is veranderd en de plekken ook. Toch kom ik soms mensen en plekken tegen die me aan dit gezegde doen denken. Neem nou een theater als Branoul en een artistiek directeur als Bob Schwarze: afgelopen zondag ging ik naar ‘Animal Farm’ in Branoul en in de eerste drie minuten moest ik al denken aan het gezegde. ‘Zijn er extra stoelen nodig?’, vroeg de artistiek directeur, reeds ‘gekleed’ als zijn personage, een minuut voor aanvang. ‘Oké, we zetten er nog wat stoelen bij.’ En met ‘we’ bedoelde hij zichzelf. In zo’n setting is de afstand tussen jou als publiek en de acteur nihil: een klein gezelschap gaat op het podium spelen voor jou!
Ik had dan ook het gevoel dat ik reisde in de tijd en dat ik naar een klein shakespeareaans gezelschap keek dat ad hoc iets voor mij ging spelen. De vijf mannen op het podium, alleen mannen, versterkten het gevoel van de tijdreis; immers, in de tijd van Shakespeare mochten er geen vrouwen op het podium (en dit is gelijk ook het enige wat ik zou kunnen aanmerken op wat ik zondag in Branoul heb gezien: dat er geen vrouw speelde, dat zelfs de rol van merrie Mollie, met lintjes in haar manen, werd vertolkt door een man.) Verder alleen een aangenaam gevoel van een goed gebruikte zondagmiddag!
‘Animal Farm’ is altijd actueel, ook afgelopen zondag, een dag nadat de wereld de tweehonderdste geboortedag van Karl Marx had ‘gevierd’. Het verhaal kennen we (of denken we te kennen), de werkelijkheid van het verhaal kent het Westen niet. Gelukkig maar! Het was echter niet de politieke kant die me nu boeide, na zoveel geziene Animal Farms en de Animal Farm waarin ik zelf ben opgegroeid, maar vooral het thema van de dierenrechten. Ik ben ervan overtuigd dat de nieuwe, vegetarische generatie middelbare scholieren, met gevoel voor dierenrechten, het verhaal een nieuwe impuls geeft. Het verhaal past gewoon bij hun overtuigingen.
Met één schoolklas heb je de zaal van Branoul vol. Het onderwerp boeit hen al, de voorstelling zal hen niet teleurstellen. Bob Schwarze knort, kakelt en verandert in het dier dat hij speelt. Als hij zich op een gegeven moment verspreekt, maakt hij er een grap van: ‘Het is warm.’ Het publiek lacht en de gecreëerde intimiteit wordt groter. De andere vier mannen doen niet voor hem onder, ik kan me nog steeds memorabele passages voor de geest halen. De middelbare scholieren zouden Napoleon (Marijn Prakke) ongetwijfeld ‘vet’ vinden en de interactie film/muziek ‘cool’. Docenten Nederlands/Engels/geschiedenis, Branoul komt de generatie scholieren aan wie jullie lesgeven heel mooi tegemoet!
Den Haag Centraal, 10 mei 2018

De geschiedenis is (g)een bitch
“De geschiedenis is een bitch,” zei ik inderdaad. Het was het enige wat mijn tienerdochter met oortjes in haar oren opving en het bleef natuurlijk niet onbestraft: “Zoiets kun je niet zeggen! Wat is dan geschiedenis volgens jou?” We zaten in de auto van Den Haag naar Bonn in Duitsland en in de oren van mijn man dreunde ik zo’n zeventig jaar geschiedenis op. Mijn conclusie hebt u net gehoord. Geschiedenis fascineert me steeds meer naarmate ik ouder word, maar op de wijze waarop kanker een hypochonder fascineert. Mijn man hoorde wel alles wat ik zei, maar op heel onverwachte momenten is hij wijs als een rabbijn en zwijgt hij. Gelukkig heb ik een tienerdochter die mijn uitlatingen niet onbestraft laat. En dus begon ik – close met de geschiedenis – een eigen herdenkingsmanifestatie: “De geschiedenis heeft zo veel levens verwoest!” Dat was voor mijn vrij geïrriteerde dochter te vaag en daarom wilde ik een concreet voorbeeld geven. Eerst een eigen voorbeeld. “Als ik, zoals jullie, in het Westen was geboren,” begon ik, en ik stopte, want ik zag mijn man en mijn dochter blikken uitwisselen in de spiegel, een van hun vele manieren van non-verbale, maar effectieve communicatie. Dus ik zocht een ander voorbeeld.
Een tijd geleden ontving ik een brief van een kennis waarin het ‘onbekende verhaal’ werd verteld van een miraculeuze redding van ruim 2300 Joden in 1940 uit de toenmalige Litouwse hoofdstad Kaunas.
Jan Zwartendijk, plaatselijk Philipsdirecteur, in 1940 benoemd tot consul, schreef visa uit voor Curaçao en Suriname voor Joden die op het punt stonden door de bezetters (eerst de sovjets, daarna de nazi’s) gegrepen te worden. Zijn Japanse collega Chiune Sugihara zorgde voor doorreisvisa. Ruim negentig procent van de Joden in Litouwen is in de oorlogsjaren uiteindelijk door de nazi’s vermoord, maar 2345 van hen werden gered.
“Het is maar hoe je het bekijkt,” zei mijn dochter. En ik mocht zelf de conclusie formuleren. De geschiedenis betekent wel oorlog, maar ook veel meer dan dat, meent mijn vijftienjarige dochter; de geschiedenis is ook de reddende engel in de naar mij gestuurde brief. En ook het gewone leven, zoals het onze en dat van vele anderen. Opeens kreeg mijn man zijn stem terug. De lijst met wat geschiedenis is, bleek lang.
Van ons drieën ben ik de enige die onder het juk van de geschiedenis heeft geleefd en ik hoop dat dat zo zal blijven. Maar mijn dochter heeft wel een punt. Namelijk dat de geschiedenis vreselijk kan zijn (en zich herhaalt), maar tegelijk veel meer dan verwoeste levens is en moet zijn.
Den Haag Centraal, 3 mei 2018

Blote voeten
Het is de tot nu toe warmste dag dit jaar. Ik zit in de trein naar Amsterdam. Vol. Behalve schuin tegenover me, daar zit één man op alle vier de plekken. Een keurige man van in de zestig, dacht ik toen ik eerst zelf naast hem wilde gaan zitten. Maar toen ik hem naderde, hield ik in als een galopperend paard dat op zijn achterbenen stopt en zijn hoofd in zijn nek gooit, als dat beeld u iets zegt. Het keurige gezicht had een lichaam met nek, romp en benen, en de laatstgenoemde waren ontbloot tot boven de knieën en lagen daar in al hun luister. De schoenen onder de bank; de keurige, blote, op het eerste gezicht van pedicurebehandeling voorziene voeten lagen te drogen op de bank ertegenover. Het gebeurt wel vaker dat ik mensen zie die hun voeten (doorgaans met schoenen en al) op de bank aan de overkant leggen en ik heb verschillende verhalen gehoord na mijn korte vraag aan hen (waarom?). Van geen reactie tot het meest intrigerende: “Mijn moeder heeft kanker, dus flikker op!” Dit is een ander verhaal, maar ik weet niet waarom, de voeten op de bank rijmden gewoon niet met de keurige kop. Ik heb ooit een voetenfotograaf ontmoet, waarschijnlijk heb ik het van hem, maar van Hollands Spoor tot Haarlem heb ik constant naar de voeten gestaard. Eigenlijk van de voeten naar het hoofd en weer terug. Tussen HS en Amsterdam waren er zes mensen die op de bank met de voeten hadden willen zitten, totdat ze de voeten zagen en min of meer dezelfde beweging maakten als ik, als een paard op zijn achterbenen. In mijn hoofd vroeg ik de man wel honderdmaal waarom, maar ik wist ook dat zo’n simpele vraag niet zou passen bij zo’n keurige kop. Dus ik wachtte.
En mijn deugd werd beloond, want toen de passagier aan de andere kant van het gangpad met een sterk Australisch accent ongeveer aan iedereen en niemand vroeg: “But what is typically Dutch and where are the flower fields?”, keken wij, een jonge, waarschijnlijk in Turkije geboren man en ik, elkaar aan en zwegen. Misschien voelden we ons niet honderd procent Nederlands en wachtten we tot een onbetwiste honderd procent het juiste antwoord zou hebben. Het kwam van de blote voeten. In een prachtig Engels legde de man uit wat de Keukenhof is en vertelde hij hoe geweldig ‘the tulip fields are in the spring’. En toen zei hij dat hij ook ‘Tulpen uit Amsterdam’ zou willen zingen, maar hij schaamde zich voor zijn stem en wilde zijn medepassagiers niet belasten. Waarop de in Turkije geboren jongen en ik elkaar weer aankeken en in een stomme, ongecontroleerde slappe lach uitbarstten.
Den Haag Centraal, 26 april 2018

Veertien dagen
Met een zekere regelmaat ontvangen we gemeentelijke brieven. De strekking is altijd dezelfde: nieuwe brug, nieuwe weg, nieuwe leidingen. Ditmaal een nieuw fietspad. Pal voor ons huis. ‘Om de regelmatige ongelukken te voorkomen,’ heette het. Ik dacht eerder aan een beperking van het aantal, maar misschien moet ik meer vertrouwen hebben in ambtelijke taal. Het betrof veertien dagen overlast. Berustend berekende mijn man wanneer we weer bouwplaatsvrij zouden zijn. Ik was optimistischer, veertien dagen leek me niets in vergelijking met de vorige keer: elf maanden.
Op de aangekondigde ochtend was ik dus ‘prepared’. Drie reusachtige machines, waarvan het ware nut me eerder het aankondigen van oorlog leek, draaiden om zes uur ’s ochtends onder onze ramen hun motoren warm. De eerste gedachte die bij me opkwam was dat Rusland ons land was binnengevallen. Om acht uur waren de tanks stil en durfde ik naar buiten. Ik groette de eerste wegwerker en vroeg hem de Wisteria die ik voor de veranda had geplant, te ontzien wanneer hij de tegels eromheen terug zou leggen. Dat was niet zijn taak, zei hij, bloemen beschermen. Het klonk logisch zo, en daarom richtte ik me tot de volgende man, die me raar aankeek omdat ik het kennelijk niet snapte: ‘Ik regel hier alleen het verkeer. Díé daar moet u hebben!’ Ik begreep niet helemaal wie hij bedoelde, maar stapte naar de kleine groep werklui verderop, die voor de (inmiddels weer) ronkende machines stonden. Die verstonden geen Nederlands. De volgende dag waren de gezichten nieuw; alleen de machines waren dezelfde, ik herkende hun ‘stemmen’ om zes uur ’s ochtends. Op dag drie werd er aangebeld door een man achter een zonnebril en een ‘moustache’ à la Omar Sharif, die vroeg of hij bij ons mocht plassen. Ik wees hem op de eco-wc, twintig meter bij hem vandaan, speciaal voor de stratenmakers neergezet. Hij haalde zijn neus op en draaide zich resoluut om, zonder nog wat te zeggen. We hebben de dagen geteld. Elke avond, wanneer de tanks vertrokken, keken we hoeveel meter weg er nog gedaan moest worden. Op de tiende dag leek het nog een eeuwigheid te duren, maar op de dertiende zei mijn man optimistisch dat ze hun woord hielden: twee weken precies. De veertiende ochtend hadden ze nog maar een meter te gaan; toen ik naar mijn werk ging, groette ik weer iedereen, maar machiavellistisch bedacht ik dat ze die avond weg zouden zijn. Zalig!
Die vrijdagmiddag kreeg ik een sms’je van mijn man: dat ze zojuist ook de stenen uit ons pleintje hadden gehaald. Ze hebben inmiddels een nieuwe machine, die het zand van de stenen schudt. Het huis trilt als bij een aardbeving. Ze gaan door. We wachten op de volgende brief.
Den Haag Centraal, 19 april 2018

Afstandsbediening
Tot ongenoegen van mijn meekijkende man ben ik al tweemaal voortijdig gestopt met een meeslepende Netflix-serie, omdat er na veel spannende afleveringen twee kinderen doodgingen in een absurd spel van de volwassenen.
Na de eerste keer heb ik de hele avond gehuild. Nu kijk ik meestal lichtere versies of komedies. En ik kan altijd de afstandsbediening gebruiken om de film te stoppen en de werkelijkheid ervan op afstand te houden.
Dat is iets wat je in de echte werkelijkheid níét kunt. Er is geen afstandsbediening waarmee je de film met dode kinderen in Oost-Ghouta, wier lichamen nog een warme luier aanhebben, kunt stoppen of terugspoelen naar het moment dat ze nog leefden. En net als in de series op Netflix is hun dood het gevolg van de oorlogen van volwassenen. In de wereld waarin we leven, gaan kinderen dood.
Misschien niet in onze wijk, maar ook niet zo ver van ons bed. Ik ben tijdgenoot van degenen die kinderen doden met luchtaanvallen. En ik kan er niets aan doen. Over vijfentwintig jaar zal men hebben vastgesteld dat er een genocide gaande was, zoals in Auschwitz. We zullen de schuldigen voor internationale tribunalen zien verschijnen en het bloed aan hun handen zien kleven. Mijn kleinkinderen zullen me vragen waarom ik er niets tegen heb kunnen doen. Ze zullen naar me kijken alsof ik een prehistorisch monster ben, familie van de menselijke T. rex die luchtaanvallen op kinderen uitvoerde en hen doodde. En zoals die vele Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog zeiden dat ze niet wisten wat er gaande was, zal ook ik antwoorden: ‘Maar ik woonde in Den Haag, het leven was al hard genoeg, ik was ontheemd, had een slechte maag, huwelijksissues.’ En ik zal me vreselijk voelen. ‘Ja,’ zal ik moeten bekennen, ‘ik wist dat er kinderen gedood werden, ik herinner me de beelden waarop ze met alleen een luier aan werden gedragen in de handen van hun ouders.’ ‘Maar wat had ik kunnen doen?’, zal ik mijn kleinkinderen niet durven vragen. Ik zou hun het antwoord van dit weekend kunnen geven, van de eerste week van april. Le Monde stond bol van het drama van de Joodse vrouw die Auschwitz had overleefd en nu in haar huis is vermoord. De krant vermeldde ook dat in tien jaar tijd 60.000 Joden Frankrijk hebben verlaten. Op Facebook las ik hoe de Palestijnen nog gebombardeerd worden, ik zag die journalist die door Israëlische soldaten werd doodgeschoten en las de woorden van de Israëlische minister Lieberman: dat er geen onschuldige in Gaza is. ‘De wereld was een slagveld,’ zal ik tegen mijn kleinkinderen zeggen. ‘En er was geen afstandsbediening om het te stoppen.’ En ik zal me vreselijk schamen.
Den Haag Centraal, 12 april 2018

Trieste Pasen
Het was een trieste Pasen. Van mijn kant begon het geforceerd; voor het eerst had ik cadeautjes gekocht om iedereen thuis gemakkelijker in feeststemming te laten komen. Op eerste paasochtend had ik de slechte inspiratie om de kranten en Facebook te openen. Iemand eiste daar de afschaffing van dat ‘stomme’ feest, Pasen. In weinig woorden en met veel interpunctie. Vroeger had niet iedereen overal een mening over en dat had ook iets goeds, namelijk dat je veel stommiteit bespaard bleef. Vroeger hadden we een slimmerik en een dorpsidioot, in mijn dorp tenminste. Ze waren allebei even beroemd en elk kende zijn rol. De slecht geïnterpreteerde vrijheid van meningsuiting met zijn geaborteerde onvoldragen vrucht genaamd Facebook heeft de balans verstoord: zoveel stommelingen in ons dorp, maar je kunt er niet echt je vinger achter krijgen waarom de slimmerik slim is.
Vroeger was alles anders. Zeker in mijn wereld. Met Pasen gingen we eerst naar het kerkhof om de doden te eren, daarna naar de kerk. Met Pasen mocht je niet boos zijn, moest je je buren op bezoek krijgen, een goede daad verrichten en vooral niet werken in huis. Oma zei dat op de dag van opstanding van de Heer zelfs een vogel niets naar zijn nest sjouwt. Vorig jaar hoorden we op eerste paasdag de hele dag de liturgie van een kettingzaag bij de buren. Mensen profiteerden van een vrije dag. Dit jaar was het stil, misschien omdat het regende. En toen ik uit het keukenraam naar de regen keek, zag ik hoe een zwerver de vuilnis doorzocht. Hij kon kennelijk ergens niet goed bij, haalde een tang tevoorschijn en pakte daarmee de zak waarin hij iets dacht te vinden. Waar ik woon, lopen normaliter geen bedelaars en daarom bleef ik kijken. Ik zag de buurvrouw met een vuilniszak komen, ze gooide hem weg zonder de ‘medemens’ ook maar een blik waardig te gunnen.
Het was een trieste Pasen. Voor het eerst in zeker vijf jaar heb ik mijn goede daad niet gedaan: elk jaar belde ik met Pasen iemand die geen huis heeft om bij ons te komen eten en een paar dagen te blijven. We aten dan samen en keken een film. Vorig jaar een Franse film. Na afloop vroeg onze gast of we die film meteen opnieuw konden kijken, omdat hij zoveel schoonheid lang niet had gezien. En dus keken we de film, althans een deel ervan, in het donker, nog eens. Maar dit jaar wilden we rust en geen gedoe. We voelden ons sterk en genoeg voor onszelf. Het was een drukke tijd en wilden even rust. En ja, rust heb ik gehad, maar ook een verdriet waar ik de vinger niet precies achter kan krijgen.
Den Haag Centraal, 5 april 2018

Porno
Porno blijft moeilijk. Zelfs op papier. Velen van ons denken dat we porno kennen. Sommigen kijken porno op hun computer, anderen op hun telefoon. (Vorig jaar werd een vijftigjarige Japanner gedood door zijn eigen pornocollectie; zijn lichaam werd gevonden onder een zes ton wegende stapel pornoblaadjes.) De keuze is tegenwoordig enorm, er is altijd wel iets, voor alle smaken en maten. Je zou dus denken dat we anno 2018 niet meer in preutse tijden leven, dat we inmiddels alles hebben gezien en gedaan.
Maar toch. Een expositie zoals ‘Porno op papier: taboe en tolerantie door de eeuwen heen’ in Museum Meermanno blijft niet onopgemerkt. In de week van de opening las je er in alle grote kranten over, zelfs het tv-journaal had een interview met de curator. Sex sells! Afgelopen zaterdag, toen ik de expositie bezocht, waren de zalen vol en was het bij de tentoonstelling horende boek ‘Onder de toonbank’ al tijdelijk uitverkocht. In de zalen: mensen van alle leeftijden, maar vooral senioren. Ik had twee handen nodig om… de stokken te tellen, net als bij de opening op woensdag. Een reis à la recherche du temps perdu. De nostalgie zweefde in de lucht. Oude boekjes, zoals Le putanisme d’Amsterdam (1883) en ’t Amsterdamsch hoerdom (1681), met afbeeldingen van courtisanes uit die tijd, waarvan ik twee ronde, redelijk bescheiden borsten op een kleine prent heb onthouden. Tijdschriften voor gayporno als Marcel en ‘realistische romans’ waarin je las wat in die tijd n(i)et mocht. En verder: pakweg twee of drie mannelijke geslachtsdelen, in niets bijzonder, en vooral veel vrouwelijk bloot, vanuit alle hoeken en posities gefotografeerd. Vrouwen, vrouwen.
Immers, dat is meestal porno: er moet een vrouw in spelen. Anders is het voor gayporno en dat is toch niet zo populair als ‘traditionele’ porno.
Ik ben niet in mijn eentje naar de expositie geweest, zoals die mannen met stok. Ik wilde mijn impressies graag delen. Een paar keer heb ik gelachen, een paar keer tweemaal gekeken om te begrijpen wat ik zag. Naar een erotisch luisterboek geluisterd; ik hoorde mezelf giechelen. Ik deed een beetje stoer.
In een achterkamer vond ik boekjes over ‘de handel in blanke slavinnen’. Het ging over Arabische harems en meisjes die in ‘gewetenloze handen vallen’ en tot prostitutie worden gedwongen. Blanke slavinnen. De geschiedenis van de porno bevat veel vrouwelijke pijn en veel mannelijk genot.
Tijden veranderen. Wat zal porno zijn over honderd jaar? Misschien alleen siliconenpoppen.
Vorige week zag ik beelden van Sudan, het allerlaatste mannetje van de noordelijke witte neushoorn. Ik wist niet wat ik moest voelen, maar verdrietig heb ik me zeker gevoeld. Hetzelfde voelde ik afgelopen zaterdag ook bij ‘Porno op papier’, tussen al die senioren. Maar dan zonder het verdriet.
Den Haag Centraal, 29 maart 2018

De ene helft
Elke ochtend loop ik hard. Een paar kilometer, vier of zes, soms acht. Ik heb een paar joggingpakken die ik wissel, en dezelfde versleten sportschoenen die ik al jaren gebruik. Als ik ’s ochtends een afspraak heb, haal ik het rennen ’s avonds in, in het donker, met een reflecterend vest over mijn joggingpak en een alarmknop in mijn zak. Gelukkig heb ik die tot nu toe niet hoeven gebruiken. Ik vind het fijn in het donker, er is dan bijna niemand op straat. Toch voel ik me het gelukkigst als ik ’s ochtends tijdens het rennen naar de tuinen en naar de boten op de Vliet kijk en van de zon geniet.
Er is wel een nadeel: de helft van de mannen die ik op die vier kilometer tegenkom, doet alsof ze mij aan het coachen zijn. Hun ongevraagde commentaar varieert van ‘goed bezig!’ en ‘tempo, tempo!’ tot ‘heb je het niet koud?’, ‘je wangen zijn helemaal rood’. In de afgelopen zes maanden was er nooit een vrouw die iets tegen me zei. Op dagen dat het warmer is en de zon schijnt, draait de man die tegenover de Geestbrug woont – wat ouder dan ik, maar niet veel, met een forse buik en een sigaar in zijn mond – zich helemaal om en zegt wat. Omdat ik nooit reageer, lacht hij alsof hij een goede grap heeft gemaakt. Ik wed van niet. Na de Geestbrug kom ik soms een man tegen die ook aan het hardlopen is. Je zou denken dat dat een band schept. Ik probeer te groeten, hij knipoogt twee keer. Vorige week stonden er vijf mannen om de hoek, een van hen in politie-uniform. Dat gaf vertrouwen en ik hield wat in om zonder te storen tussen hen door te kunnen lopen. Ineens klapte de politieman in zijn handen en schreeuwde op zijn – vermoed ik – meest vriendelijke toon: “Tempo! Tempo! Tempo!” Ik wilde een sprintje inzetten om hem niet meer te horen, maar voelde hoe het bloed naar mijn hoofd steeg. Ik draaide me om en vroeg: “Ben ik soms je vrouw of je zus of zo?” De politieman had gevoel voor drama of komedie, ging van zijn ene been op zijn andere staan, keek zijn kameraden aan en zei: “Haha, nee, hoezo?” De andere mannen naderden nu ook, in het halfdonker, zoals bij rugby. Dit had geen zin, ik draaide me weer om en rende verder.
Vanmiddag stapte ik in een lift vol mannen en kon daardoor niet bij de knoppen. “Zou iemand misschien op 1 kunnen drukken?” vroeg ik. “Voor leuke vrouwen doen we alles,” zei een stem en de andere stemmen waren het er roerend mee eens: “Hahaha.”
Den Haag Centraal, 23 maart 2018

Lente
De wereld is een zooitje, zei ik de hele winter tegen mezelf.
En hoe paradoxaal het ook klinkt, de westerse wereld leek mij een groter zooitje dan de wereld waar ik vandaan kom. Twintig jaar geleden was de wereld nog een klassieke western waarin je tegen de slechteriken vocht en daardoor automatisch bij de ‘goeden’ hoorde. De strijd was hard, maar duidelijk. Maar in Nederland heb ik vaak het gevoel dat ik midden in die bekende mop zit over de rabbijn die naar twee smekelingen luistert en tegen de een zegt ‘je hebt gelijk’ en tegen de ander ‘jij hebt ook gelijk’. We leven hier in een wereld waarin iedereen gelijk heeft en niemand iets fout doet. Iedereen is goed en mag er zijn. En dat heeft niets met een christelijke visie of ‘democratie’ te maken, maar juist met een mate van onverschilligheid. Iemand vertelde me eens dat ze door haar ex was mishandeld en bebloed naar de buren was gevlucht, die de deur niet hadden opengedaan.
Twee weken geleden ontvluchtte ik in Parijs de Nederlandse vorst. In de Thalys las ik in het culturele supplement van Le Monde dat het Westen een lichaam zonder ziel is, in de uitdrukking van een Duitse filosoof. Ik schrok en de shock houdt me de laatste tijd meer bezig dan ik voor mogelijk had gehouden. Noem het een late cultuurshock, maar ik denk dat mijn wereldbeeld deze winter aan het veranderen is. Wat dat precies voor mij betekent, weet ik nog niet. Ik doe wat binnen mijn vermogen ligt en volg het advies op van een andere filosoof die op het moment waarop hij de wereld zelf niet meer begreep, zei: ‘Il faut cultiver notre jardin.’ (We moeten onze tuin onderhouden.)
Daarom heb ik deze winter regelmatig een tuincentrum in Pijnacker bezocht. Door het harde werken in de tuin heb ik soms spierpijn. Ik heb tegels uit de grond gehaald, zand eruit, nieuwe aarde erin, bollen gepoot en nu staat de eerste generatie sneeuwklokjes in bloei. Ze overleven elke nacht en ik bezoek ze twee keer per dag, samen met de hond.
Naast hun schoonheid beschikken zij ook over een magische kracht die mij rust geeft. Tot nu toe zijn het er vijf, maar er zijn er meer op komst. En deze vijf sneeuwklokjes hebben iets gedaan wat de wereld en mij al maandenlang niet meer lukt: een beetje orde scheppen in dit zooitje van de wereld.
Het is zelfs mij duidelijk dat ik niets kan doen om het grote lichaam van de wereld een ziel te geven, maar zolang vijf sneeuwklokjes voor mijn ziel kunnen zorgen, denk ik dat het zielloze lichaam van de wereld in goede handen is: bij een nieuwe lente.
Den Haag Centraal, 15 maart 2018

Wetenschap
Niets wat me mínder leesgenot geeft dan voorspellingen van deze of gene wetenschapper over de toekomst van de mensheid! Uit sadisme las ik onlangs een artikel in de Volkskrant over een voedselakkoord dat er moet komen. Zelfs als ik, vegetariër, een hele koe had gegeten, had ik minder spijt gehad! Want ik kan heel slecht tegen leuzen als ‘door technologische vooruitgang zal er in 2050 voldoende voedsel zijn voor de tien miljard mensen die de wereld dan telt’ van de deskundige in het bewuste artikel.
Wij in het Westen hebben nooit geleerd om iets driemaal in je hoofd te zeggen voordat je het uitspreekt. Wij in het Oosten hebben dat in de communistische wieg wel geleerd: zeg eerst iets drie keer in je hoofd om te horen hoe het klinkt!
Alleen als je zelf nooit honger hebt meegemaakt, nooit met een rammelende maag naar bed bent gegaan, nooit eten hebt gestolen, geen tranen in je ogen hebt gehad wanneer er een kruimel eten op de grond viel waar je hem niet kon pakken, kun je – denk ik – zo’n ufoscenario voor onze goedgelovige ogen brengen. Toch heb ik na het lezen van het artikel een rekensommetje gemaakt. Hoe oud zullen de kinderen van Gugu uit Soweto zijn in 2050? De laatste keer dat ik het checkte hadden zij geen eten. En die permanent hongerige kinderen die ik in Roemenië en Moldavië heb ontmoet, hoe oud zullen zij zijn wanneer de gebraden kippen aan de takken van de bomen zullen hangen in 2050, wanneer de technologie dat mogelijk maakt? Een van hen, de jongen met één langer, slap been, in dat tehuis vlak bij mijn dorp, zou nu begin dertig zijn geweest, maar hij is per ongeluk van de honger doodgegaan.
Bij wie vallen utopieën, zoals deze die mij misselijk maakt, goed? Want als voedsel in 2050 uit de 3Dprinter komt, moet Afrika beslist gedigitaliseerd worden. En snel ook! Maar wie gelooft zoiets? Om het Afrikaanse kind dat in 2049 wordt geboren te kunnen voeden, moet je eerst zijn oma, die nu ergens in een Afrikaans dorp ter wereld komt, (kunnen) voeden.
Als je zegt dat we in 2050 op de maan zullen wonen, weet ik hoe ik dat moet opvatten: dertig avonturiers zullen naar de maan vliegen of zich laten katapulteren. Vijf van hen zullen het redden, in de zin dat het niet zeker zal zijn of zij net als de andere 25 in de lucht zijn verpulverd. Maar als je zegt dat er in 2050 genoeg eten zal zijn voor de tien miljard mensen die de wereld dan zal tellen, heb ik het geduld niet meer om iets driemaal in mijn hoofd te zeggen voordat ik het hardop zeg. Ik zeg het gewoon.
Den Haag Centraal, 8 maart 2018

Liegen in het Nederlands
Vorige week dacht ik met een soort nostalgie aan de vroegere samenlevingen waarin de openbare ruimte een belangrijkere rol speelde dan je familie en je eigenbelang. Stel je voor dat je Halbe IV bent, graaf zoals Raymond IV van Toulouse tijdens de eerste kruistocht: je gaat op reis, komt terug en vertelt je hongerige soldaten dat je keizer Alexios I Komnenos alias Poetin hebt ontmoet en… you know the story. En na een tijdje moet je als graaf Halbe toegeven dat je eigenlijk je kont zat af te vegen in de bosjes toen keizer Poetin ergens in de verte voorbij galoppeerde. Wat doe je? Je neemt ontslag, zegt dat het ‘niet verstandig’ was om dat te zeggen en wacht op de volgende kruistocht, wanneer je misschien Dzjengis Khan zult ontmoeten. En in de tussentijd bedenk je thuis hoe onverstandig je ‘ontmoeting’ met Poetin was.
(Over ‘onverstandig’ gesproken: ik vind het Nederlands dé taal van de diplomatie. Alle diplomaten van de wereld zouden Nederlands moeten leren! Dan zouden er ook geen conflicten in de wereld meer zijn.) Een leugen is in het Nederlands iets ‘onverstandigs’. In mijn naïviteit dacht ik dat een leugen in alle talen van de wereld ‘leugen’ heette. Met een vriendin sprak ik over een kennis van in de zestig die recht in mijn gezicht had gelogen en die, toen ik hem op zijn leugen had gewezen, zei: “Ik heb geen zin om verder met je te praten!” Mijn vriendin zei daarover: “Wat kinderachtig!” Ik vond het helemaal niet kínderachtig, maar léugenachtig. In het kwadraat!
Waarom liegen we? Omdat we niets echt met elkaar delen, omdat eigenbelang veel belangrijker is dan de waarheid! Omdat er geen openbare ruimte meer bestaat waarin leugens léugens zijn en waarheid wáarheid! Als we meer dan alleen lucht met elkaar zouden delen, zouden we ontdekken dat we in hetzelfde of niet in hetzelfde geloven, dat er weinig ruggengraten op straat lopen, dat we allemaal liegen en als we daarop betrapt worden, geen ‘zin’ meer hebben om verder te praten en thuis chocolademelk gaan drinken. Als we meer zouden delen dan alleen lucht, zouden we ontdekken dat de waarheid zo kameleontisch is geworden dat zij al decennialang niet meer te vangen is en dat we eigenlijk niet meer weten hoe de waarheid eruitziet. Hoe weet je zo nog wat goed is en wat slecht? In de middeleeuwen was de openbare ruimte anders, stel ik me voor, en ook nog niet zo lang geleden praatten mensen in de openbare ruimte bijvoorbeeld over… hm, morele normen! Of heten die niet meer zo in het Nederlands?
Den Haag Centraal, 1 maart 2018

Beste briefschrijfster,
U hebt me aan het denken gezet. Misschien hebt u gelijk en zijn mijn columns somberder geworden. En als dat zo is, vraag ik me af waarom. Misschien omdat ik steeds dieper in deze maatschappij geworteld ben. Want hoewel ik blij ben dat ik hier woon, maak ik de laatste tijd constant dingen mee die me aan mijn geboorteland doen denken. Dank voor uw woorden dat ik uw taal tot in de haarvaten beheers.
Zulke woorden zie ik altijd dubbel, en die dubbelheid zit in het feit dat ik nooit als een van ‘jullie’ word gezien, dat ik altijd ‘die buitenlandse die de taal zo goed beheerst’, blijf. Aan de andere kant, als uw woorden louter als compliment zijn bedoeld en u de dubbelheid zelf niet voelt, moet ik u vertellen dat ze ook niet kloppen. Mijn wil om te schrijven is namelijk groter dan mijn beheersing van het Nederlands. Mijn gevoel voor rechtvaardigheid, liefde voor mensen en literatuur, behoefte aan vertellen en schrijven, maken dat mijn strijd met de taal een redelijke victorie is, maar u zou me eens moeten horen als ik stotter en niet op Nederlandse woorden kan komen! Dat gebeurt soms wanneer ik onaardige mensen tegenkom.
En ik heb de laatste tijd meermalen iets meegemaakt wat ik hier in Nederland nooit had gedacht te zullen meemaken: censuur. Uitgerekend door mensen van een Haagse organisatie die zich inzet voor schrijvers en ‘het woord is aan de schrijvers’ als motto gebruikt (mooi niet dus!), waarvoor ik ooit met enthousiasme heb gewerkt. Toen ik onlangs uit anderen hoofde met hen te maken had, werd me de mond gesnoerd, terwijl het enige wat ik wilde, praten was.
Niet mogen praten, is iets wat ik haast nooit heb meegemaakt, zelfs niet in mijn land van herkomst, en inderdaad: daar word je somber van, mevrouw! Het is niet fijn om te beseffen dat hoewel Nederlanders wellicht een beter gebit en mooiere vakanties hebben dan veel Roemenen, beide maatschappijen eigenlijk veel op elkaar lijken, vooral als het gaat om de dingen die ik níet leuk vind aan mensen. Mensen zijn mensen, overal. En zij die zich aan de waarheid houden, worden nergens helden. Integendeel: onze maatschappij gelooft meer in kleine waarheden die nooit met hoofdletters worden geschreven. Dit jaar heb ik geleerd dat ook een Nederlander over lijken gaat als hij macht wil. Dat censuur en dictatoriaal gedrag ook hier heel goed mogelijk zijn. Dat we níet gelijk zijn. Dat het tóch mogelijk is, en zelfs gemakkelijk, om iemand de mond te snoeren, ook al praten we constant over vrijheid van meningsuiting. En dat, mevrouw, maakt mij al maanden verdrietig en, als u het zegt, mijn columns somberder.
Den Haag Centraal, 22 februari 2018

Voor alles is een eerste keer
Voor alles is een eerste keer. Zo was het zondag mijn eerste keer dat ik in het openbaar demonstreerde tegen prostitutie. Met leuzen en een spandoek, in een legaal georganiseerde demonstratie na de presentatie van het boek ‘The pimping of prostitution’ van Julie Bindel in Van Stockum.
We weten allemaal dat de wereld niet zwart-wit is, maar tinten grijs heeft, maar waar het om prostitutie gaat, zie ik helemaal geen grijs. Alleen zwart. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat er een vrouw op de wereld wordt gezet om mannen met haar lichaam te plezieren. Maar de werkelijkheid stelt me altijd teleur, zoals die twee bij de boekpresentatie aanwezige dames, nota bene docenten op een prestigieus internationaal instituut, die betoogden dat prostitutie niet helemaal slecht is, ‘want er zijn vrouwen die zich prostitueren en zo hun familie onderhouden’. Een van de dames zat tijdens de boekpresentatie lekker te breien. De waarheid is altijd vreemder dan fictie. Ook de politiek stelde me teleur (maar is dit geen tautologie?). Met name een van de politica’s die sprak bij de boekpresentatie: alsof ze van de derde sekse was, geen man, geen vrouw, maar politicus. Geen duidelijke boodschap, bewoner van de grijze zone.
En in de Doubletstraat: surprise, de politiek was ons voor geweest! (Natuurlijk, verkiezingstijd!) Pers en politici die niet per se tegen prostitutie zijn en de Doubletstraat ook niet per se willen sluiten, maar… verhuizen. Met grote letters stond dat op het gebouw waarvoor we protesteerden: ‘Doubletstraat niet sluiten maar verplaatsen.’ Voor de wijk goed, voor het imago van de aanwezige politici nog beter! Toen ik mijn verbazing uitte, zei iemand, verstandiger dan ik, dat dat toch een begin is.
Tijdens mijn eerste job in Boekarest als journalist kocht ik mijn eerste appartementje, kleiner dan mijn keuken van nu, in een slechte wijk; een beter flatje veroorloofde ik me niet. Ik dacht: ik werk sowieso de hele dag en kom ’s avonds alleen thuis om te slapen. Dat was ook zo, maar het slapen lukte niet omdat zich in het aangrenzende appartement, dag en (vooral) nacht, een meisje prostitueerde. En niet zomaar een meisje, maar een doofstom meisje, een meisje dat niet kon praten. En wat voor geluiden een doofstom meisje dat de hele nacht wordt uitgebuit maakt, wil niemand weten! Ik begon haar ‘klanten’, die zich voor haar appartement verzamelden, weg te jagen en een voor een bracht ik ze naar beneden.
Totdat haar pooier mij begon te bedreigen. En de politieman bij wie ik aangifte deed, me adviseerde om toch maar te verhuizen.
Zelf verhuizen of de Doublestraat verhuizen is geen handeling tegen prostitutie. Als je de Doubletstraat verplaatst en niet sluit, doe je misschien iets voor de wijk, maar niets voor de uitgebuite vrouwen.
Den Haag Centraal, 15 februari 2018

Recensenten
Een uur lang heb ik mijn best gedaan om deze column niet te schrijven. Want ja, wat kan het de Haagse lezer schelen dat Arie Storm al dan niet wordt weggestuurd bij Het Parool? (Dat Storm in Den Haag is geboren, telt niet.)
En toch.
Beste lezer, al vanaf de eerste literaire recensie die ik in mijn nieuwe taal las, vind ik, die ook een paar romans in uw taal heb geschreven en over het hek van de Nederlandse literatuur klim als de poort niet openstaat, het verbazingwekkend hoe hier (te vaak) over boeken wordt geschreven. Veel recensies vertellen immers simpelweg twee pagina’s lang waar het boek over gaat en dat soms ook nog zo slecht dat je geen zin meer hebt om het ‘gerecenseerde’ werk zelf te lezen. En dan eindigen ze met een oordeel dat uit een andere boekbespreking lijkt gevist, vaak negatief, maar net niet té, soms positief maar dan zo amateuristisch geformuleerd dat je het gevoel hebt dat je wordt aangemoedigd om een deken op de markt te kopen of corrigerend ondergoed, en zeker geen boek.
Ik ben afkomstig uit een kleine literatuur, maar qua literaire recensies ben ik opgevoed met de school van Bernard Pivot en de kritieken in L’Express en Le Point. Daarom ging ik hier, voordat ik boeken in mijn nieuwe taal begon te lezen, als Diogenes uit de oudheid met een lantaarn in de hand op zoek, eerst naar goede recensenten en pas daarna naar boeken. In Nederland wordt enorm veel geschreven. Over van alles. Iedereen schrijft boeken. Iedereen ‘maakt’ boeken en de uitgevers ‘maken’ bestsellers, vaak een soort ‘onderonsjes’ die de literatuur geen dienst bewijzen. Vorig jaar riep een Nederlandse ‘literaire’ agent nog dat de roman dood is, dat er geen romans meer moeten worden geschreven maar kookboeken. Waarom zulke enormiteiten worden getolereerd, is mij een raadsel. Waarom zien we niet dat het enige vaccin tegen uitzaaiing van slechte literatuur de recensent is? Op zijn smaak vertrouw je; hij weet welke boeken de moeite waard zijn. Uitgevers en boekhandels gaan vaak voor de winst; alleen de recensent, de ware recensent, gaat voor het ware boek. Alleen hij wijst je de goede weg naar literatuur. De anderen zijn zoals de sirenen op Ulysses’ weg naar huis. Ben je onderweg naar de literatuur, dan moet je je oren bedekken.
Wat ik wil zeggen: ik hoop dat Arie Storm snel een nieuwe krant vindt. De Nederlandse literatuur heeft hem en nog enkelen zoals hij hard nodig. Onpartijdig en hard, maar niet te cynisch; zijn liefde voor literatuur voel je altijd. Hoe negatiever zijn recensie, hoe groter zijn verlangen naar literatuur. Zoals het verlangen van een verslaafde die shit moet snuiven, naar pure cocaïne.
Den Haag Centraal, 8 februari 2018

Hermien
Ik wist niet dat ik koeien nog leuker kon gaan vinden dan ik ze al vond, maar het is gebeurd. Dankzij Hermien, de koe die in een bos in Lettele zes weken lang aan haar ‘biefstuklot’ wist te ontsnappen. Dankzij Hermien vind ik het leven mooier en geniet ik van het magisch realisme van het leven zelf. Dankzij Hermien geloof ik weer in mezelf en in mijn eigen kracht en laat ik anderen geen biefstuk van me maken. Dankzij Hermien droom ik soms, als ik het moeilijk heb, dat ik hetzelfde doe als zij, minstens zes weken lang (hoewel ik denk dat het een mens niet lukt om ’s winters zes weken in een bos te overleven).
Onderweg naar het slachthuis, met zestien andere koeien, nam Hermien de benen. Vervolgens werd ze kilometers van de wei gezien en daarna in een bos waar ze zich verstopte. En het lukte een dierenarts, een koeienfluisteraar, een jager, de eigenaar, een stel agenten en bewonderaars van Hermien niet om haar te vangen. Hermien ‘kept going’ en werd in Nederland een heldin en als ‘#MeKoe’ trending op Twitter. Intussen hoeft Hermien niet meer naar de slager, en wie de koe wil, mag haar hebben. Ik wil haar. Ik heb al een plek thuis bedacht waar Hermien mag verblijven. Ik zie me haar al tussen haar sprankelende ogen aaien, en haar vragen hoe ik mijn leven kan beteren. Maar ik ben niet de enige die Hermien in haar leven wil. Ik denk dat we allemaal een Hermien nodig hebben. Ik denk dat velen van ons onderweg zijn naar een slachthuis, als je het slachthuis als een metafoor ziet voor wat ons op korte of lange termijn doodt: een slechte partner, moeilijk werk, een giftige omgeving, een schoonmoeder. Of jijzelf, die niet méér van het leven durft te vragen. Hermien leert ons een les. Gratis, ongevraagd. Ze leert ons, zoals de oude Grieken, dat het ontwijken van het lot de vervulling ervan betekent. Welke van Hermiens verzorgers had tijdens het melken of op stal brengen kunnen bedenken dat Hermien op een dag de vrijheid zou zoeken? Dat Hermien in opstand zou komen en zou beslissen om niet te accepteren wat anderen voor haar bedachten?
De dag dat ik voor het eerst over Hermien hoorde, was slecht begonnen: zonder ontbijt, de ‘vegetariërsvitaminen’ vergeten te slikken, evenals de maagpillen, de vitamine D voor buitenlanders en zelfs een lunch om mee te nemen naar mijn werk. Ik had slecht geslapen en de laatjes in mijn hoofd leken op de lades thuis wanneer ik mijn favoriete bh niet kan vinden. En het regende keihard midden op de dag. Toen vertelde een collega over Hermien. En het leven werd mooier.
Den Haag Centraal, 1 februari 2018

ING
Ik zal nooit een bankrekening openen bij de ING. Zeker niet bij het filiaal aan het Spui in Den Haag, waar ik pas werd weggestuurd, ondanks de een week eerder op hun advies gemaakte afspraak. (‘Dat bespaart tijd.’) Ik had mijn lunchpauze speciaal later genomen om stipt om 14.30 uur bij de bank te kunnen zijn. Dat het daar bijzonder druk was, schrikte me niet af, ik had een afspraak. Dat probeerde ik ook een medewerker duidelijk te maken. Tevergeefs. Met z’n tweeën probeerden ze alle mensen naar de balies te dirigeren. Ik zei nog maar eens dat ik een afspraak had, er waren al vijf minuten verstreken en er verstreken er nog vijf. ‘Waarom moest ik een afspraak maken als ik niet geholpen word?’, vroeg ik. Of ik wilde gaan zitten. O jee, nog meer tijd!
De zogenaamde gastvrouw ging naar de medewerkster met wie ik de afspraak had, maar die was juist foto’s aan het bekijken op de telefoons van de drie vrouwen bij haar balie. Gezellig! Toen werd ik naar de enige mannelijke medewerker van deze maandag gestuurd, de held van dit verhaal. ‘U bent niet vriendelijk,’ zei hij en hij keek me diep in de ogen. ‘Ik wil u niet helpen.’ Ik moest denken aan oude collega’s en aan mezelf in de tijd dat ik met mensen werkte die liever hun lippen kapotbeten dan dat ze iemand, wie dan ook, weigerden te helpen. Andere instellingen, niet de ING. ‘Ik zal vriendelijker proberen te doen,’ zei ik, hoewel ik me enorm ongemakkelijk voelde.
Ik overhandigde de meneer die mij niet wilde helpen mijn identiteitsbewijs en glimlachte. Hij liep ermee naar de scanner, fluisterde iets in het oor van een collega, die zich naar mij draaide, en bleef bij de scanner lang en streng naar me kijken, zo lang dat ik mijn blik bijna moest afwenden. Ik voelde me echt ongemakkelijk en begon al een beetje te trillen.
‘Waarom wilt u een bankrekening openen?’, vroeg hij, nadat hij me nog eens diep en streng in de ogen had gekeken.
‘Dat is persoonlijk,’ zei ik zacht. ‘Wat?’
‘Persoonlijk. Ik heb ook een rekening bij een andere bank, ik wil graag een rekening bij de ING.’
Hij gooide mijn identiteitsbewijs op de balie en keek weer zo diep: ‘Ik wil je niet helpen.’ ‘Dat kan niet,’ zei ik, en nog iets, maar ik weet niet meer wat, iets in de trant van: ‘U moet toch iedereen helpen?’ Dat hielp ook niet.
Ik stond op en vroeg de beveiliger waar de manager was. Er was geen manager.
Die middag heb ik via het centrale telefoonnummer een klacht ingediend, maar ik vrees dat ik eerder door Sinterklaas zal worden teruggebeld dan door de ING.
Den Haag Centraal, 25 januari 2018

Melancholie
Het gebeurt niet elke dag dat een helikopter bijna in je tuin landt. Maar toen ik zondagochtend van de grote weg af kwam en de woonwijk in wilde, zag ik hem staan, pal voor ons huis: een traumaheli. Daarna zag ik ook de politieauto’s en ambulances. Een ongeluk dus. Het verbaasde me niet, er gebeuren zoveel ongelukken op die kruising.
Maar de drom mensen waar ik doorheen moest laveren, verbaasde mij. Zoveel mensen zie je hoogstens op Koningsdag. De oude dames die je zaterdagochtend op de markt tegenkomt, de jonge moeders, vaders, hondeneigenaars met hun honden, kinderen. Wat ze deden? Zich om de gewonden bekommeren? Nee, foto’s van de heli maken! Een politieman voorkwam dat de toegestroomde wijkbewoners ook binnen in de helikopter foto’s namen. Twee meisjes sprongen op de stoep van opwinding. Aan de andere kant van de straat stond een professional met een reusachtige lens. Tieners toonden elkaar hun foto’s van de helikopter. Zelfs onze serieuze buurman – zo serieus dat hij nooit teruggroet – nam foto’s en glimlachte extatisch. Zoveel mensen die ik nooit eerder had gezien met een voorliefde voor helikopters! Alsof er een zonsverduistering gaande was. Maar het was ‘slechts’ een ongeluk met zwaargewonden, las ik later via de social media.
Nadat de heli was opgestegen (zonder gewonden, die werden uiteindelijk per ambulance vervoerd), dropen ook de wijkbewoners af. Verderop was het ambulancepersoneel nog bezig, maar ja, een ambulance is geen helikopter… Ik bleef uit het raam naar de boeddha in mijn tuin kijken. Hij had geen krimp gegeven tijdens het gedoe met de heli en ik vroeg me af in hoeverre mijn abrupte melancholie terecht was. Hadden al die mensen kunnen helpen? Hadden ze de tijd kunnen terugdraaien voor het ongeluk, hadden ze iets kunnen betekenen voor de gewonden? Nee. De verplegers deden het nodige en de politie ook. Maar toch.
We zitten niet in de situatie om een ander te helpen, we krijgen het van thuis niet mee of we raken het onderweg kwijt. Het systeem helpt immers iedereen (of laat iedereen stikken), de boodschap die we goed hebben begrepen, is dat we ons niet met anderen moeten bemoeien.
Wie zijn de anderen? Wat betekenen zij voor ons? Misschien heeft de informatieovervloed ons wel immuun gemaakt voor wat er naast ons gebeurt. Er gebeuren overal drama’s en je kunt toch niet om iedereen geven? In hoeverre doet het leven van de ander iets met ons?
We hebben het goed, zo goed dat we het fatsoen vergeten als er vijftien meter verderop een zwaargewonde op straat ligt. Voelt hij nog iets, is hij nog bij bewustzijn? Wat doet hij?
Laat hem vooral niet op ons letten, want wij zijn voor de helikopter gekomen.
Den Haag Centraal, 18 januari 2018

Logica
Het eerste wonder van 2018 is geschied: we hebben thuis nog geen ruzie gemaakt na de bij ons altijd zware feestdagen, hoewel het afgelopen vrijdagnacht niet veel scheelde.
Even kort: we wilden net gaan slapen toen ik buiten stemmen hoorde. Ik keek uit het raam en zag drie jongens van nog geen achttien die de bij de vuilcontainer gedeponeerde kerstbomen tegen daarnaast geparkeerde auto’s gooiden en de zelfgemaakte standaards probeerden te slopen. Een van hen dronk zo nu en dan uit een fles. Nu kunt u zeggen dat dit geen Derde Wereldoorlog is, maar we wonen in een rustige buurt en het was de eerste keer in vijf jaar dat ik zoiets zag. “Ga van het gordijn weg,” zei mijn man. “Straks zien ze je.” En ik: “Dat is ook de bedoeling, dat ze zien dat zij gezien worden en ophouden.” “Dan wordt het alleen maar erger, ga bij dat gordijn vandaan.” Mijn man en ik hebben een totaal verschillende logica en na zestien jaar zijn we er nog niet uit wie de juiste logica beheerst. De wedstrijd is nog gaande. Het lijkt een beetje op de Slimste Mens, maar heeft helaas meer weg van een realityshow. “Ga ze nou niet provoceren,” zei mijn man, die achter me kwam staan. “Straks gaan ze naar onze ramen gooien.” Ik vroeg me af hoe je drie jonge, dronken vandalen kunt provoceren als je vanuit je slaapkamer uit het raam kijkt. Op dat moment begonnen de jongens naar mij te zwaaien en te roepen. “Zo dus,” mompelde mijn man.
Ik zwaaide niet terug, maar bleef wel staan. Dat noemt mijn man provoceren en de jongens blijkbaar ook, want ze begonnen nu rond het huis te rennen, daarna op de stoep tegenover het huis, er volgde een groepsbespreking zoals bij rugby, waarna ze naar onze veranda renden. En dus ging ik ook naar de veranda, mijn man kwam mopperend achter me aan en de hond volgde. Toen werd er op de ramen geklopt, maar we zagen ze niet en mijn man had geen zin in verstoppertje spelen en zo gingen we naar bed. Maar zaterdagochtend zag ik de langste van de jonge vandalen zijn fiets stallen bij de veranda. “Hij wil zijn excuses aanbieden,” zei ik triomfantelijk en mijn man keek me even scheel aan. We gingen naar de deur, maar de hond was ons voor. Onze hond is een lieve golden retriever, maar als je hem niet ziet en alleen hoort blaffen, is hij een rottweiler. Want toen de stoere jongen de golden rottweiler hoorde, sprong hij op z’n fiets en weg was hij! Jammer, ik had hem sorry willen horen zeggen. Mijn man zuchtte diep, maar ik zei niets, ik wilde hem niet provoceren.
Den Haag Centraal, 11 januari 2018

Champions
De eerste uren van 2018 heb ik doorgebracht op het vliegveld van Florence. Om precies te zijn vóór het vliegveld. Met een enorme fles wijn in mijn handen probeerde ik daar wat ik binnen niet kon: de fles gewoon aan iemand geven. In mijn hoofd volgde ik diverse scenario’s: de fles onder het raam stoppen van de verzekeringsman, hem geven aan de schoonmaker of aan de verkoopster in het lege café. Toch wilde ik de fles aan iemand anders geven.
Ik zal u vertellen wat er aan de hand was. We hadden net de jaarwisseling gevierd in een Florentijns restaurant waar ik in oktober ook had gegeten en dat had ik de eigenaar verteld. Deze man bleek ontzettend aardig en attent: tot twee keer toe gaf hij ons korting bij het diner en op oudejaarsavond deed hij ons bovendien een enorme fles wijn cadeau, van een zeer gelimiteerde oplage. Ik durfde hem niet te vertellen dat we onze handbagage al hadden ingepakt en waren ingecheckt en dat we zijn wijn dus niet konden meenemen. Ik durfde het ook niet te zeggen omdat ik zijn aanbod van bijzondere wijn aan het begin van het diner al had geweigerd, aangezien ik alleen maar muskadel kan drinken.
En daar stond ik dus, voor het vliegveld, met die enorme fles wijn in mijn armen, te wachten. Mijn man wist precies op wie en zei dat ik de fles maar aan iemand anders moest geven want ‘dat soort mensen komen immers niet via het vliegveld, maar met boten’ en dat ik ‘die verdomde fles wijn nu echt moest weggeven, anders missen we onze vlucht.’
Geloof me, het is niet makkelijk om te geven.
En ja, ik dacht aan de Senegalezen die me in het laatste uur van 2017 zo gelukkig hadden gemaakt, tot tranen toe: alle winkels waren al dicht, alleen de Senegalezen verkochten op dekens nog verlichte haarbandjes bij de hoeken van de palazzi. Bij de laatste deken hadden ze een soort radiootje dat alleen een liedje van Queen speelde: ‘We are the champions, we are…’ En toen had ik gehuild – want dat was makkelijker dan ze allemaal te kussen – omdat ik hen in die rijke wereld inderdaad de echte champions vond.
Maar op het vliegveld van Florence kon ik geen enkele champion vinden en uiteindelijk heb ik de wijn toen gegeven aan de tweede buschauffeur die arriveerde. De man zette voor het kleine uurtje verbazend grote ogen op en ik stelde me later voor dat zijn ogen nog groter werden bij het lezen van het etiket. Het is moeilijker te geven dan te ontvangen, vooral als de echte champions niet op het vliegveld zitten.
Den Haag Centraal, 4 januari 2018

Een nieuw jaar
Nog een jaar voorbij. En of het nu goed of slecht was: eigenlijk zijn we blij, vooral deze weken, dat het voorbij is. Net als toen we kind waren en zo graag volwassen wilden worden, willen we nu snel een nieuw jaar beginnen. Alsof een nieuw jaar de garantie is voor een beter jaar. Alles stoppen we in dat nieuwe jaar, in de hoop dat dit alles, maar vooral wat ons pijn doet, beter of ten minste milder zal zijn. Misschien verdwijnt de pijn, misschien vindt de dokter of het internet een oplossing voor onze kwalen. Het moet, omdat het een nieuw jaar is, met nieuwe kansen en heel veel tijd. We zullen gezonder worden, de juiste medicijnen vinden, de juiste kuur, het beste dieet en de juiste, langverwachte behandeling. 2018 kan het perfecte jaar zijn voor verlossing, voor een betere gezondheid, juist voor degenen die de kerstboom nog niet hebben versierd omdat ze daarvoor de kracht niet hadden. Voor degenen die stiekem huilen om hun naasten niet verdrietig te maken, voor degenen die willen leven en er niet meer zeker van zijn dat ze oud zullen worden, voor degenen die nog niet van hun pijn verlost zijn.
Vandaag zag ik iemand op tv die een prijs won en het publiek vroeg om voor hem te bidden dat hij meer prijzen zou winnen. Ik had hem willen bespugen, zoals de vrouwen in mijn geboortedorp doen, op zo’n manier dat water zijn gezicht niet schoon kan maken. Maar via het scherm kon ik het niet.
Ik denk aan degene die de hoop heeft opgegeven, aan hem (of haar) die zich de menselijke aanraking niet meer herinnert, aan hem wiens kinderen hulp nodig hebben, aan hem die zijn kinderen heeft verwaarloosd, aan hem die er zeker van is dat hij niemand nodig heeft, aan hem die geen geschikte pijnstillers heeft, aan hem die niet meer een nieuw jaar wil instappen, aan hem die óp is en geen tranen meer heeft. Aan hem die de deur nooit opendoet, aan hem die nooit bij iemand aanbelt, aan de grote en de kleine dictator, aan degene die nooit iemand laat praten, aan degene die nooit aan het woord komt.

Ik denk aan de mensen die ik heb verloren en nooit meer zal zien, maar ook aan degenen die ik op mijn pad ben tegengekomen. Samen met hen wil ik het nieuwe jaar instappen. Ik denk aan oude en nieuwe vrienden, maar vooral aan jou, onbekende vriend. Aan jou die de hoop van 2018 hard nodig heeft. Het zal een jaar van gezondheid en vreugde zijn, een jaar van betere oplossingen en van, wie weet, nieuwe ontmoetingen, als je het laat gebeuren! Fijne feestdagen!
Den Haag Centraal, 21 december 2017

Pantoffels in december
Deze maand rennen we meer dan we lopen. Je zou denken dat we door zo veel rennen ook afvallen, maar we komen juist aan door te veel eten. We rennen, we eten, we kopen. Soms stoppen we even om naar onszelf te kijken. Of naar een ander die rent, eet en koopt. En dan vragen we ons af waarom we zo hard rennen en zo veel eten. Tenminste, dat doe ik. Een dief heeft me dat geleerd, vijf jaar geleden. Ik ben hem nog steeds dankbaar. Het was een paar dagen voor sinterklaas en ik rende van de ene winkel naar de andere om voor iedereen thuis te kopen wat ze niet echt nodig hadden, maar wat ons even blij zou maken. Mooi ingepakte cadeaus en dingen die ons deden lijken op de mensen in die kerstfilms. Met twee volle tassen links en drie rechts rende ik nog naar Van Haren om pantoffels voor mijn man te kopen. Bezweet, moe, gefrustreerd door de heimelijke overtuiging dat hij ook deze pantoffels zou haten zoals alle pantoffels in zijn leven en verdiept in een interne controverse, waarin ik mezelf wilde troosten met het idee dat ook al zouden die stomme pantoffels weer niet passen omdat hij te brede of te smalle voeten had, die mooi gekleurde Zara-broeken misschien wel goed zouden zijn. In mijn hoofd telde ik de cadeautjes, ik wilde er evenveel voor iedereen, ik bedacht waar ik na de pantoffels naartoe zou rennen en probeerde het gevoel te negeren dat ik al te veel had uitgegeven. Op een rek achter me zag ik leukere pantoffels, ik zag ze toen ik me omdraaide naar een man die de lange rijen probeerde te omzeilen en ons te slim af wilde zijn. Ik stapte over mijn tassen om ze te pakken. Zou mijn man ze echt leuk vinden? Ik draaide me terug en wilde mijn tassen oppakken, maar ze waren weg. Ik riep luid dat mijn tassen foetsie waren, maar niemand leek overtuigd van mijn drama. Huilend belde ik mijn man en hij kalmeerde mij op zijn eigen manier en zei wat ik eigenlijk al wist: dat hij die Zara-broeken nooit leuk had gevonden. En of ik het écht nog een keer over pantoffels wilde hebben?
Sommige dieven kunnen heel bijzonder zijn en ik ben ervan overtuigd dat mijn dief door de goden was gestuurd. Vooral in december denk ik aan hem, als we beginnen te rennen en veel te veel kopen en eten. Af en toe sta ik lang naar pantoffels in de ene of andere vitrine te kijken of ga ik naar binnen om hun mooie voering te voelen. Daarna zet ik ze terug. Je kunt niet alles hebben in het leven.
Den Haag Centraal, 14 december 2017

Leren is de nieuwe botox
Een week lang zit ik met nog twintig mensen opgescheept in een gebouw. Het klinkt als een aflevering van Hercule Poirot, maar dan zonder lijken. Spannend is het wel, net als een ‘Poirot’. Allemaal leren we een taal. Intensief, gedurende een week. Alsof we leren skiën. De meesten van ons zijn zakenlieden. Verder een dokter, managers, afdelingshoofden. Sommigen ouder dan ik, ook iemand die al met pensioen is en de rest van zijn leven wil gaan reizen. En ik. Vanaf vanochtend sta ik te popelen, ik probeer mijn brede glimlach in te korten en wat serieuzer te kijken, maar het lukt niet. Ik zit op het puntje van mijn stoel en glimlach als een idioot. Soms lach ik voluit, als de docent mij laat zien wat we gaan leren en op welke manier. Ik kan me niet inhouden, want ik léér weer iets, en een week lang spelen mijn hersenen de beste hoofdrol ‘ever’. We negeren mijn maag, we negeren mijn volle blaas, we gapen af en toe, maar met een tas vol boeken en schema’s wandelen we trots van het ene lesuur naar het volgende. Ik leer! Het voelt een beetje alsof degene in mij die nooit oud zal worden, de altijd enthousiaste leerling, nu wraak neemt op alle dagelijkse kwalen: maagpijn, hormonale kwesties van het ouder worden, moeheid, stress en verplichtingen. Ik ben weer student! En dit is mijn glorietijd. Want hoe vaak leren we inderdaad nieuwe dingen? Hoe vaak doorbreken we echt de monotonie van werk-thuis, thuis-werk, af en toe uit eten, koffie met een vriendin, verjaardag, dingen die we doen en blijven doen, omdat ze het corpus van ons leven vormen? Beslist niet vaak genoeg. En ‘most of the time’ staan de hersenen eigenlijk op de automatische piloot. Zo bedenk ik dat ik me meestal in een heel veilige omgeving bevind, intellectueel gezien. Overdag is er nauwelijks ruimte om na te denken over de diepe betekenis van het leven en om het bestaan van God met argumenten te bewijzen. De meeste tijd surf ik gewoon op een veilig meer, midden in een polder. Maar nu leer ik weer! Ik heb nog net niet geroken aan de nieuwe kaften van de boeken in de studiezaal, ik heb me ingehouden tot in mijn kamer. De hoeveelheid huiswerk is enorm en ik kan niet wachten om eraan te beginnen. Ik popel zoals mijn hond toen hij een puppy was en nooit geduld had. En ik zie de blik van mijn man al voor me nu ik dit zeg. Ik wil hem ervan verzekeren dat we allebei profijt zullen hebben van deze week. Ik voel me jonger en dat is te zien. Leren is de nieuwe botox.
Den Haag Centraal, 7 december 2017

Wij, in Nederland
‘Ik vind het zo grappig hoe je dat zegt: “wij, in Nederland”,’ zei een Nederlandse vriend eens tegen me, en ik bloosde, vanbinnen.
Ik heb mezelf toen afgevraagd wanneer ik dat officieel zou mogen zeggen zonder dat iemand er een opmerking over zou maken. “Wij, in Nederland.” Na vijf jaar? Tien? Vijftien of twintig? Na mijn dood is het te laat, dus ergens moet ik beginnen. Ik woon hier inmiddels twaalf jaar en bijna al die twaalf jaar in Den Haag. Ik spreek de taal, ik werk en heb een gezin hier, een Nederlandse man met wie ik een kind heb. Ik heb vrienden en ken Den Haag vrij goed, ik schrijf over Den Haag, heb een Nederlands publiek voor mijn boeken en tóch lijkt het soms alsof ik het persoonlijk voornaamwoord in het meervoud ‘wij’ niet spontaan mag gebruiken zonder dat ik de wenkbrauwen van mensen laat bewegen. Mogen misschien alleen degenen die de eerste twintig jaar van hun leven erwtensoep hebben gegeten het zeggen?
Ik begon daar op mijn dertigste mee en het gaat me vrij goed af, vooral in de winter.
Ik bedacht toen ook dat ik na drie jaar hier het staatsexamen heb afgelegd, na vijf jaar de Nederlandse nationaliteit kreeg, na zeven jaar ging scheiden en met mijn kind in een wijk ging wonen waar ik veel over Nederland heb geleerd; ik lees de kranten, vier het Nederlandse Pasen en niet het Roemeense, en af en toe heb ik het gevoel dat ik Nederlandser ben dan mijn eigen Nederlandse man. En toch laat ik nog steeds wenkbrauwen bewegen als ik “wij in Nederland” zeg. Vooral als ik een andere mening heb dan de doorsneemening. Bestaat er een officiële of onofficiële toets die je moet doen om de eer te krijgen om “wij in Nederland” te kunnen zeggen? Een Nederlander die vanaf zijn twintigste in het buitenland woont, mag zijn hele leven “wij in Nederland” zeggen, hoewel hij waarschijnlijk aan mij zou moeten vragen waar de dichtstbijzijnde HEMA in Den Haag is of welke tram je moet nemen voor het Gemeentemuseum, bij wijze van spreken. Zelf ben ik ook niet meer zo zeker van mijn zaak als ik “wij in Roemenië” zeg, want ja, het Roemenië van nu ken ik niet meer, omdat ik al twaalf jaar tram 1 naar mijn werk neem en op 27 april toch een rondje ga maken langs de markten in mijn stad en ik met Samsom te doen had toen hij door Asscher in De Vaillant werd verslagen en ik erbij zat. En, en, en, en…

Het nieuwe jaar is in zicht en een van mijn goede voornemens is om niet meer te blozen als iemand opmerkt: ‘Grappig hoe jij “wij in Nederland” zegt.’ Niet eens vanbinnen.
Den Haag Centraal, 30 november 2017

Déjà vu
Wat een gevoel van déjà vu heb ik, wanneer ik lees hoe de tweede zitting in de zaak-Mitch Henriquez is verlopen. Er zijn beelden opgedoken die eerst ‘niet bestonden’ en waarop duidelijk is te zien hoe de politie geweld gebruikt bij de aanhouding van Henriquez. Aan het eind zegt een van de agenten: ‘Goed gedaan, jongens, hij is bewusteloos.’ Nadat hij de beelden heeft gezien, klinkt het: ‘Nu zie ik dat ik de nekklem heb toegepast.’ Ik ben niet eens verbaasd. Ik ben immers afkomstig uit een land waar je de politie niet vertrouwt. En dat de politie haar macht misbruikt, zie je overal. Maar ik leef nu eenmaal hier en het gevoel van déjà vu gaat samen met verdriet en weigering.

Want hoezo wist het Openbaar Ministerie (OM) niet dat er betere beelden bestonden waarop duidelijk te zien is hoe de vijf politiemannen Henriquez hardhandig arresteren? En hoe kon het gebeuren dat een van de zittingen werd geannuleerd zonder dat de familie van Henriquez hierover werd geïnformeerd met het oog op het annuleren van vliegtickets? En dan die politieman die doet alsof hij verbaasd is dat hij de nekklem heeft gebruikt om Henriquez uit te schakelen.

Dat we dit allemaal moeten geloven! Nee, ons wordt niet eens gevraagd om het te geloven. Ons wordt gevraagd om het te slikken. Zoals we ooit moesten slikken dat de filmrolletjes met beelden van oorlogsmisdaden in Srebrenica verloren waren gegaan bij het ontwikkelen. Over déjà vu gesproken.
Ja, ik weet het, het gebeurt overal. Waarom zou Nederland anders zijn, waarom zouden die twee politiemannen straf krijgen? Ze hebben immers gezinnen die onderhouden moeten worden.
Ik moet toegeven dat er in deze zaak die overal had kunnen gebeuren, ook iets kleins zit dat hem individualiseert. Iets wat ik ongelooflijk vind, hoewel ik nergens heb gelezen dat het iemand is opgevallen. En het heeft niets te maken met onrecht of verkeerd handelen van de politie – dingen die bekend zijn. Nee, het is iets anders: de twee politiemannen die voor de rechter zijn verschenen, werden in de rechtbank en in de pers aangeduid als DH1 en DH2. Voor hun eigen veiligheid en die van hun gezinnen. Het verzoek van de advocaat van de nabestaanden om hun namen vrij te geven werd tot twee keer toe geweigerd. Ze blijven DH1 en DH2, ofwel Den Haag 1 en Den Haag 2. Een seconde lang vond ik het hilarisch, maar dat is het niet. Wat vindt Den Haag hier zelf van? Dat Mitch Henriquez koud is gemaakt door Den Haag 1 en 2? Want zo zal de moeder van het slachtoffer het onthouden en doorgeven: ‘Den Haag 1 en 2 hebben mijn zoon omgebracht.’ En wat vindt moeder Den Haag van de twee naar haar vernoemde zonen? Misschien wel niets. Want waarom zouden ze namen hebben? Gezien de feiten: het zijn net mensen!
Den Haag Centraal, 23 november 2017

Sake
Ik denk dat iedereen Japanners weleens bewondert. Om verschillende redenen. Sommigen van dichtbij, anderen meer van afstand. Zelf behoor ik tot de laatste categorie, maar ik ben van plan om de afstand te verkleinen. Japanners hebben voor alles een oplossing. En als er geen oplossing is, is er toch een oplossing. De ultieme: harakiri. Bij ons heet dat zelfmoord, maar bij hen is het een laatste bewijs van eer. En nu hebben ze weer een nieuwe vinding: bedrijven waar je iemand kunt inhuren om de rol van vader, moeder, broer of vriend te spelen. Gasten voor je bruiloft, vrienden voor je party, een coole vriendin. Wat mij echt raakt, is dat je een vader kunt inhuren. Vader en moeder. Je kunt iemand een weekend lang je broer noemen. Is het moeilijk om daarna afscheid te nemen? Heb je psychologische hulp nodig als die ‘broer’ na een heerlijk weekend samen weer weggaat uit je leven?
En voor hoelang kun je een vader inhuren? Stel dat je rijk bent maar uit een disfunctionele familie komt, dat je geen relatie met je ouders hebt, zou je dan een vader/moeder voor het leven kunnen inhuren? Ik neem aan dat ze, volgens de contractuele bepalingen, de ideale moeder of vader spelen. Maar wat als ze onverwachts overlijden? Huil je dan bij hun begrafenis? Er zijn kinderen die niet naar de begrafenis van hun echte ouders gaan en heel hun leven geen contact hebben met hun echte ouders of broers. Het is een zwaar kruis en ik denk dat iedereen af en toe een ouder mist, hoe oud je ook bent.
Psychologische behandelmethodes voor mishandelde kinderen hebben iets weg van dit Japanse initiatief. De psycholoog vraagt de patiënt met probleemrelatie met zijn vader om zijn waarheid te vertellen aan een fictieve vader. Sommige therapieën gaan nog verder. De fictieve vader wordt dan gespeeld door een vreemde, een medepatiënt of de psycholoog zelf. Ik ben geen psycholoog, maar het feit dat de methode nog lucratief is, betekent dat er bepaalde resultaten mee worden verkregen. Ik ken iemand die tijdens een bijzondere behandeling in een centrum voor misbruikte kinderen de aandacht van twintig vrijwillige moeders kreeg. Natuurlijk zullen degenen die wekelijks hun ouders bellen, zeggen dat dit flauwekul is, maar ik schrijf deze regels niet voor hen. Immers, als je geen drinkwater hebt, drink je wat je kunt, een surrogaat. Iemand met een liefdevolle familie kan zich niet voorstellen waarom je een moeder of broer zou inhuren en vindt het Japanse initiatief al gauw een gril, net als de robots of de siliconenpoppen voor mannen die zich kapotwerken.
Maar er zit wel iets in en ik neem het serieus, omdat er een moeilijke tijd aan komt: de feestdagen. Zoveel mensen hebben een hekel aan december, voelen zich eenzamer dan anders, en kunnen niet wachten tot december voorbij is. Maar als je een surrogaatfamilie kon inhuren? Water is heerlijk en gezond, maar stel je eens voor dat je geen water hebt? Dan drink je Dubbelfris of Seven-Up, of zelfs sake.
Den Haag Centraal, 16 november 2017

Literair Den Haag
Het afgelopen weekend had Den Haag literaire koorts. Het begon niet onaangekondigd, donderdag, met de Europese prijs voor literatuur die vroeger tijdens Manuscripta werd uitgereikt en nu is verhuisd naar Den Haag. In het Koorenhuis gaf de Britse schrijver Max Porter, winnaar van de prijs, tijdens zijn speech toe dat hij gelooft in Europa en in Europese literatuur. Het voelde alsof wij, het publiek in de zaal, Europa waren. Een beetje was dat ook zo, want die avond vierde Den Haag in het Koorenhuis de Europese literatuur. Wat een eer voor Den Haag, dat begint in te zien dat het de potentie heeft om een literaire stad te worden. Het is een eer dat Europa naar Den Haag komt, maar het is ook iets anders dan dat Den Haag naar Europa gaat of Europa is.
Wat literatuur betreft, zijn we een mooie balzaal waar inderdaad van alles gebeurt. Kijk alleen al naar het afgelopen weekend: donderdag de Europese literatuurprijs en vrijdag B-Unlimited in de Centrale bibliotheek. Vrijdag ging ook nog eens het Crossing Border Festival van start, met een knaller: The Addict aan de Paviljoensgracht, de plek waar je iedereen van de Nederlandse literaire mierenhoop kunt ontmoeten. Een soort Boekenbal, maar dan overdag en in Den Haag. De mensen waren er zo blij om elkaar te zien en ze genoten zo van hun aanwezigheid dat niemand naar het programma op het podium luisterde. Als iemand op het podium ‘Allāhu akbar’ had geroepen, had niemand hem gehoord. Waaruit blijkt dat het een geslaagd feest was! Tegelijkertijd vormde een en ander voor literair Amsterdam een uitje naar Den Haag. Niet voor niets werd er al dagen tevoren op Facebook gevraagd om tips voor goede restaurants.
Toch zouden we meer moeten willen dan dit! Ik droom dat Den Haag een voedingsbodem wordt voor literatuur, een kwekerij, en niet alleen een balzaal. Dat Den Haag voor (meer) schrijvers een thuis wordt en niet alleen een hotel. Ik droom van een schrijversresidentie in de Schilderswijk – als schrijver twijfel ik er geen seconde aan dat het een perfecte residentie zou zijn. Ik droom dat we literaire stemmen zullen horen die nu in een rumoer zitten, in een collectief verhaal dat nog niet de kracht heeft om zich te distilleren in één stem. Ik droom dat we een onzichtbaar Den Haag kunnen laten zien, een Den Haag dat nog slaapt in de cocon van de geschiedenis. We moeten verhalen laten horen, een literaire agora creëren. Het moet eens klaar zijn met de grappen dat Den Haag een dorp is waar af en toe ook iets leuks gebeurt. Immers, niet alle jongeren gaan studeren in Amerika en er komen steeds meer mensen naar Den Haag. Als ik alleen al bedenk hoeveel verhalen en literaire dromen en schrijvers Den Haag over twintig jaar zal tellen, word ik duizelig. Over twintig jaar gaat literair Den Haag zeker naar Europa. Voorlopig komt Europa naar Den Haag.
Den Haag Centraal, 9 november 2017

Jelle Brandt Corstius
Beste Jelle Brandt Corstius. Een van de belangrijkste evenementen van de laatste jaren vind ik jouw onthulling over verkrachting. In mijn ogen schrijf je geschiedenis. Je verhaal raakt me, op zoveel vlakken. Je stelt je kwetsbaar op en je geeft me hoop. Vóór je onthulling was je voor mij een man. En door een te lange #MeToo-geschiedenis ben ik helaas niet zo’n fan van mannen, hoe hard en onverantwoord dit ook klinkt. Oh ja, natuurlijk ken ik ook leuke mannen, wat dat ook moge betekenen, maar deze mannen slagen erin om eerst ménsen te zijn en pas daarna mánnen. Want als je, als jonge vrouw, een aanrander ontmoet, verlies je vaak het vertrouwen in mannen, word je wantrouwend naar mannen toe, en het leven laat je vaak zien dat je constante wantrouwen terecht was. Aanranders kun je categoriseren, van roofdieren en moordenaars als Michael P. tot ‘aardige’ leidinggevenden en mannelijke collega’s die je wel willen ‘helpen’ en ‘steunen’ als je bijvoorbeeld in nood bent. Wat mij ook geraakt heeft, is dat je zegt dat als je aanrander ‘sorry’ had gezegd, je het verhaal nooit in de krant had geplaatst. Wie nog aan je verhaal twijfelde, had je op dat moment volledig moeten geloven. Wie het heeft meegemaakt, weet hoe belangrijk excuses zijn. Dan kun je beginnen te genezen. Als de aanrander niet toegeeft dat hij je heeft gekwetst, splits je je in tweeën, een deel van je leeft verder, maar het gekwetste deel blijft steken in het verleden.
Beste Jelle. Je bent mijn held. Je hebt je geslachtsgenoten gehumaniseerd en ik hoop dat je dit niet alleen van het andere geslacht te horen krijgt. Ik hoop dat er mannen zijn die je onthulling zien in zijn ware aard.
Want je bent geen ‘verwarde’ jongen die door mensen niet wordt geloofd, je bent een fantastische journalist en schrijver en ze móéten je geloven. Ze kunnen niet meer omdraaien en zeggen ‘het leven is hard, wie het niet redt, redt het niet’. Stomme grappen en stom gelach zoals bij je collega’s van ‘Voetbal Inside’ horen bij mensen die niet in eigen naam kunnen praten. De oceaan, zelfs onze kleine Noordzee, telt meer scholen vissen dan dolfijnen. En scholen vissen zullen altijd lachen en stomme grappen maken. Ik kijk toe hoe je belager aan de schandpaal wordt genageld en ik steun je, diep vanuit mijn hart. Je praat in je eigen naam, maar je verhaal is ook het verhaal van zoveel jonge mensen die, aangemoedigd door je moed, ineens in het licht treden en hun last niet meer willen dragen. Ze vormen een koor, een bijzonder koor, dat je hoort, ook al doe je je handen over je oren en wil je het niet zien. Het koor wordt gehoord omdat iemand zoals jij, een man met moed en verlangen naar de waarheid, namens hen spreekt. Chapeau!
Den Haag Centraal, 2 november 2017

Halve toerist
Terwijl ik deze regels schrijf, in een hotelkamer in Florence, worden er in het straatje onder mijn raam vijftig motoren gestart. Nog vijftig te gaan, bedenk ik, gisternacht heb ik ze geteld. Ik heb het geluk om te logeren boven een motorverhuurwinkel, waarvan de eigenaar net zelf ook zijn rijbewijs heeft gehaald. Gistermiddag en gisternacht vierde hij dat met al zijn vrienden, minder in aantal dan de motoren onder mijn raam, maar toch bepaald niet weinig. Om twee uur vannacht stond ik naar hen te kijken. Zo nu en dan lieten ze met grote gebaren en geluiden een auto stoppen die langs de motoren reed. Ik voelde me als bij de Hells Angels voor young adults. Alles is hier als in een film, eigenlijk als in meerdere tegelijk. Want je weet niet wat erger is: de motoren, het gekrijs tot twee uur ’s nachts van een 2-jarig meisje op het terras naast de motorzaak, de vecht- en scheldpartij in een Roemeens dialect om vijf uur in de ochtend of de jongens die karaoke gingen doen, nadat de meiden – nog voor het meisje van twee – waren vertrokken. Al snel begreep ik waarom ze weg waren gegaan. Het leven bruist hier en ik moet toegeven dat ik van zoveel levensgebruis een beetje maagpijn krijg. Thuis kijk ik al uit het raam als ik een fietser hoor, zeker na tienen.
Dat was mijn eerste dag in Florence. Vanochtend ben ik naar de receptie gegaan om te vragen of ik een rustigere kamer kan krijgen, aan de andere kant van het hotel, omdat ik er vele uren zal doorbrengen om te schrijven en verder vooral naar de Biblioteca Nazionale zal gaan. De vrouw bij de receptie keek zo teleurgesteld naar me dat ik meteen aan mijn schoonmoeder moest denken. En omdat ik wilde bewijzen dat ik veel heb geleerd van de relatie met mijn schoonmoeder, voegde ik, na een pauze die langer duurde dan de rij motoren onder mijn raam, dat ik een dag lang ook de palazzi zou gaan bezoeken. De frons tussen haar ogen werd minder diep. Misschien is mijn schoonmoeder toch uniek, bedacht ik. Enfin, ik heb mijn koffers weer ingepakt en wacht nu tot ik naar de andere kamer mag. ‘Are you tourist?’, had de krulharige taxichauffeur die me naar het hotel bracht, gevraagd. ‘Just half,’ had ik geantwoord en hij had geglimlacht. Want hij hield niet van toeristen, maar die halve kon er nog mee door. Hij hield niet van toeristen, omdat de toeristen Florence hebben overgenomen, volgens hem. Waarom komen ze hier, had hij gevraagd, met zijn handen in de lucht. ‘For the history,’ had ik een vergezocht antwoord aangedurfd. Waarna hij was ontploft. Zijn handen hadden van opwinding het plafond van de auto geraakt en zijn krullen waren naar alle kanten gevlogen. ‘History? Wat heb ik aan history?’
Goede vraag! Ik zal er deze dagen, tijdens mijn bezoek aan de verschillende palazzi, en straks ook thuis in Den Haag, over nadenken.
Den Haag Centraal, 26 oktober 2017

ANDERS DAN GEVESTIGDE ROEMEENSE NEW WAVE
Het tweedaagse filmfestival ‘Spotlight: Romania.3’ in De Nieuwe Regentes is gewijd aan alternatieve films en aan regisseurs die de grenzen van het film maken verkennen en verrassend weten te verleggen.

‘Spotlight: Romania.3’ in De Nieuwe Regentes
Als je het hebt over zwarte humor in de Europese film, worden namen als Cristi Puiu en Cristian Mungiu tegenwoordig wel in één adem genoemd met die van Emir Kusturica. En als je wat meer over Roemenië weet dan wat de inmiddels beroemde beelden van na de val van de Muur op tv lieten zien, ben je misschien ook op de hoogte van het bestaan van de nieuwe generatie Roemeense filmmakers die op alle mogelijke filmfestivals prijzen in de wacht sleept. En wellicht weet je ook dat deze generatie haar fantastische films heeft gecreëerd ondanks het voortbestaan van een onveranderlijk log systeem. Maar niets komt uit het niets. Het is duidelijk dat Oost-Europa nog heel veel kan laten zien als het gaat om film als kunstvorm. Dit geldt zeker voor Roemenië, dat tegenwoordig zo sterk staat als het land van de New Wave in de cinematografie, dat het ook de namen die niet per se bij de nieuwe golf horen, naar voren wil schuiven. Dit is tenminste het doel van het filmfestival ‘Spotlight: Romania.3’ in theater De Nieuwe Regentes.
Deze editie is gewijd aan alternatieve films en aan regisseurs als Radu Jude, Andrei Ujica en Cristian Nemescu, die de grenzen van het film maken verkennen en verrassend weten te verleggen. Spotlight: Romania.3 opent vrijdagavond met de Nederlandse première van het bejubelde ‘Scarred Hearts’ van regisseur Radu Jude (Speciale Jury Prijs Locarno Filmfestival 2016). Scarred Hearts is gebaseerd op de gelijknamige autobiografische roman van Max Blecher, in het Nederlands vertaald als ‘Gelittekende harten’. Het verhaal speelt zich af in 1937 en gaat over een schrijver die wordt geconfronteerd met ziekte, liefde en fascisme in een sanatorium aan de Zwarte Zee. Het personage vertoont veel gelijkenis met de meer bekende Hans Castorp van Thomas Mann.
Naast drie ‘Dutch premieres’ van drie heel erg Roemeense films zijn er ook ‘specials’ te zien. Daartoe is het Bucharest International Experimental Film Festival (BIEFF) uitgenodigd om een selectie van cinematografische experimenten (kruisingen tussen fictie, documentaire en conceptuele kunst) te presenteren. Na afloop is er een art talk met Dan Angelescu, festivalmanager en curator van het BIEFF. Nieuw is ook de samenwerking met het KINO-diseea International Children Film Festival. Het resultaat is te zien en te proeven tijdens de zaterdagmatinee ‘Kino and Cake’, een evenement met veel lekkers voor kinderen, tieners én hun ouders.

Roma-gezin
Wie naar het ‘je ne sais quoi’ van Roemenië op zoek is, moet zaterdagmiddag zeker naar ‘The last Kalderash’ (De laatste koperslager), geproduceerd door fotograaf Cosmin Bumbut en journaliste Elena Stancu. Voor dit project werd het leven van een Roma-gezin waarin de vader de laatste koperslager is, gefilmd met een fototoestel met twee objectieven. De film gaat over Geo, een jonge koperslager uit het dorp Corcova die zijn gezin niet meer kan onderhouden. Zijn ambachtelijke koperslagerswerk vindt geen aftrek meer, maar omdat hij al op 12-jarige leeftijd van school was gegaan, toen hij trouwde, ligt zijn enige oplossing nu in Frankrijk, bij de vuilstort, of in België, bij het appels plukken. De film vormt het speelfilmdebuut van de twee producenten, die om hun droom te volgen hun banen als fotograaf en journalist vaarwel zeiden en nu in een caravan wonen waarmee ze door de wereld zwerven.
‘California Dreamin’ (endless)’ met Răzvan Vasilescu en Armand Assante is de laatste film van het festivalprogramma. Het is een film uit 2007 van Cristian Nemescu, die bijzondere prijzen heeft gewonnen, zoals Un Certain Regard in Cannes en bij het Brussels European Film Festival de Iris Award voor beste film, de publieksprijs én de Canvas Award. Helaas kwam Nemescu tijdens de montage van de film bij een auto-ongeluk om het leven en de producent besloot de film als eerbetoon niet af te monteren. Vandaar de toevoeging ‘(endless)’ aan de titel. De bovengenoemde erfenis van Kusturica is in deze film misschien wel beter te voelen dan in welke andere Roemeense film van de laatste generaties dan ook.
Corina Burlacu, initiatiefnemer en organisator van Spotlight: Romania, vat de veelzijdige inhoud van het festival goed samen: “Ik hoop dat het publiek Spotlight: Romania. 3 zal ervaren als een geconcentreerde korte versie van een groot festival. Wij bieden twee dagen onderdompeling in een echt festivalgevoel, met een uitgebreide selectie van hoogwaardige arthouse films, context en gastgesprekken.”
Den Haag Centraal, 26 oktober 2017

Het volk is boos
De Nederlandse wet zit kennelijk zo in elkaar dat als de Michael P.’s terugkeren in de maatschappij, onze dochters en zussen niet meer in leven zijn. Het is een simpele keuze. Naar welke maatschappij moet Michael P. terug? Want in de maatschappij waarin ik mijn dochter opvoed, wil ik hem niet. Het volk is boos na de moord op Anne Faber, schreven de kranten. Hoe boos? En doet dat iets met degenen die beslissen om roofdieren terug te sturen in de maatschappij? Het volk gaat een fietstocht organiseren ter nagedachtenis aan Anne Faber. Flauwekul! Het volk zou op het Plein in Den Haag moeten staan om tegen de kromme wetgeving te protesteren. Wekenlang! Er is een petitie georganiseerd om de schuldigen ter verantwoording te roepen. Door een moeder van drie dochters. Duizenden petities zouden we moeten organiseren, in naam van alle vrouwelijke slachtoffers van de onveilige maatschappij en de slappe wetgeving! We worden aangerand, verkracht, vermoord. Op de dag van het overlijden van burgemeester Van der Laan was Anne Faber zes dagen vermist. Het lichaam van een meisje van 25, gezond, intelligent, lief, dat een lang leven voor zich had moeten hebben, was toen al zes dagen zoek, maar we moesten allemaal rouwen en snikken omdat een man op leeftijd na een leven vol eer aan kanker was overleden. Het ‘volk’ had het druk en zijn verdriet was weer niet te bevatten, volgens de kranten. De arme Anne Faber heeft de kans niet gehad om iets met haar leven te doen en werd op een gruwelijke manier gedood. Wat is een leven precies? En hoe waardevol was het leven van Anne Faber? Hoe ze haar dader heeft moeten smeken, hoe verschrikkelijk bang ze geweest moet zijn, hoe gruwelijk, hoe onmenselijk, oh, hoe moeilijk te bevatten is het voor ons, die gelukkig geen Michael P. op ons pad hebben ontmoet! Er gingen klagende ‘stemmen’ op dat de kranten onsmakelijke beelden van de zoektocht naar Anne Faber hadden getoond. Onsmakelijker dan wat Anne Faber heeft moeten doormaken op de avond van haar dood? Kunnen degenen die verantwoordelijk zijn voor het vrij laten rondlopen van de dader nog slapen? Ik las dat de dader een relatie had met degene die hem had moeten bewaken en dat hij in zijn inrichting ook nog iemand anders zwanger heeft gemaakt. Ik kan niet geloven dat dat waar is, zoals ik ook niet wíl geloven dat je, als je in Nederland anno 2017 als vrouw door het bos fietst, wordt verkracht en vermoord door een crimineel die opgesloten hoort te zijn. Dat het ‘volk’ boos is, laat me koud; we staan erom bekend dat we veel ‘zeuren’. Maar gaan we ooit verder dan zeuren? Dit is het moment! Wanneer gaan we protesteren op het Plein? Wij, feministen, vaders, moeders, wij die in de plaats van Anne Faber hadden kunnen zijn? Hoe kunnen we onze dochters anders beschermen dan door te eisen, totdat we het voor elkaar krijgen, dat beesten achter de tralies moeten blijven?
Den Haag Centraal, 19 oktober 2017

1095 in 2017
Vorige week zag ik in het Theater aan het Spui genoeg naaktheid voor de rest van dit jaar. En als je je gelijk afvraagt waar, en hoe, moet ik je doorwijzen naar het theaterstuk genaamd ‘1095’ van een Belgisch theatergenootschap, dat tijdens zijn tournee één voorstelling gaf in Den Haag. Het gebeurt zelden dat het spektakel in de zaal het spektakel op het podium evenaart, maar vorige week gebeurde dat (bijna): tot meerdere keren toe wisten de jonge acteurs op het podium een catharsisgevoel op te roepen bij de vrouw die op de stoel naast de lege stoel naast de mijne zat. En dat gebeurde terwijl we het verhaal van Benny volgden, een jonge benedictijner monnik die Vlaanderen moest ontvluchten. Het verhaal over religieus fanatisme en liefde werd gespeeld door vijf acteurs, een paar jaar ouder dan mijn eigen dochter. Ongemak veroorzaakt door jonge mensen heeft altijd iets van een revolutie, op zijn minst.
Op een klein podium vol grote rekwisieten die door de vijf jongeren heen en weer werden gemaneuvreerd, lukte het hun om het publiek in het theater een hoge dosis schoonheid én ongemak te geven. De meiden waren bijna constant naakt, anderhalf uur lang, en speelden seksuele handelingen. Aan één stuk door. Gedurfde seksuele handelingen. En het publiek werd op geen enkele manier gewaarschuwd. Zo van: beste mensen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen, er volgen nu beelden die niet geschikt zijn voor degenen die niet uit hun comfortzone (lees: leeftijdzone) willen. Ik was dan ook verbaasd dat er maar twee van die niet-gewaarschuwde mensen – een man en een vrouw van in de zestig – de zaal verlieten. Ik moest mijn knieën opzij doen om plek voor hen te maken, een half uur voor het einde, en bekeek ze goed. Ik weet zeker dat de vrouw de spelbreker was. De sensuele seksscènes gespeeld achter een verlicht doek, de gewoon op het podium gespeelde seksscènes, de vele genitaliën en het spuug waren hun te veel geworden! Mijn buurvrouw naast de lege stoel naast mij had alles op maximale sterkte gevoeld. Ze ademde zwaar en bij de seksscènes mompelde ze dingen, ze riep hardop bij de dood van een van de personages, de zogenaamde conventie tussen acteur en toeschouwer bestond voor haar niet en dat was misschien wel het bijzonderste van alles.
Ik moest aan mijn oma denken, die hetzelfde deed toen zij haar eerste televisie kreeg. Toen ze op drie handen afstand van het scherm haar eerste film keek, een western, sprong ze bij elke dode (en er vallen veel doden in westerns) een stap naar achteren en riep: ze hebben hem gedood! En omdat al die jonge doden tot het eind van de film niet meer opstonden, was haar avond verpest. Zoveel jonge doden kon ze niet verdragen.
Jonge mensen kunnen je, als geen ander, een ongemakkelijk gevoel geven, maar ja, als dat met zoveel schoonheid gepaard gaat, kun je het hebben!
Den Haag Centraal, 12 oktober 2017

Ingeburgerd
Lang voordat ik mijn nieuwe nationaliteit kreeg, jaren geleden, had ik al kennisgemaakt met de andere ‘nationaliteiten’ die Nederland rijk is. Mijn eerste vriendinnen hier waren meisjes uit Colombia en Ecuador, met hen dronk ik mijn eerste koffie verkeerd en zij legden me uit wat dat was. Met hen ging ik naar mijn eerste feest in Den Haag en ik herinner me nog heel goed hoe dertig latina’s tijdens de film daarvoor ergens in een Pathé op zoek waren naar ene Ramon, Ramon die pas in de laatste tien minuten van het feest zou verschijnen. Met veel plezier herinner ik me hun paniekerige stemmen: ‘Ramon? Waar is Ramon?’ Ramon kwam na twee uur wachten en stak pardoes de tent in brand. Per ongeluk, naar verluidt met behulp van een mojito.
Mijn eerste lessen Nederlands kreeg ik op een particuliere Turkse taalschool, waar ik meer Turks dan Nederlands leerde en vooral veel Turkse tv keek. Het belang van de geschreven taal leerde ik van een Rwandees meisje dat perfect Frans sprak, maar geen accent aigu op papier kon zetten, omdat ze niet kon schrijven. Hoe groot de drama’s in het leven kunnen zijn, leerde ik van een dunne vrouw uit Bosnië die haar man en zonen in de oorlog had verloren en geen kracht meer had om zelfmoord te plegen. Een Afghaans meisje dat ik in mijn eerste jaren hier ontmoette, had dezelfde voornaam als mijn moeder, iets wat ik nooit zal vergeten, omdat het me enorm verraste. Daardoor zie ik alle Afghanen nu als een grote familie.
Dit waren de eerste Nederlanders in mijn leven. Later leerde ik ook Polen, Bulgaren, Perzen en Nederlanders kennen, die ik allemaal in mijn hart heb gesloten. Ik heb hun verhalen gehoord, ben getuige geweest van hun tranen of gelach. En gister, tijdens een lezing over nationalisme, moest ik aan hen denken, aan hen allemaal. Met een gevoel van dankbaarheid. Nederland en mijn eigen emigratie hebben mijn waarden en normen herschikt, de ‘ismen’ gedesinfecteerd en een nieuw perspectief aan het leven gegeven. Toen ik klein was, speelden wij, kinderen in het communistische Roemenië, een spel genaamd ‘Land, land, we willen soldaten’ en daarbij moesten we dan de namen van andere landen noemen. Ik weet niet waarom we het spel bleven spelen, want meer dan vijf landnamen konden we niet noemen. We wisten niets over andere landen en we hadden geen idee hoe Fransen of Russen waren, in onze hoofden waren ze net als aliens.
De wereld is kleiner geworden. Ik ben naar de wereld gegaan en de wereld vindt mij overal. Dit jaar heb ik Afrika voor altijd in mijn hart gesloten. Iemand stuurde me deze week een bericht via Facebook waarin stond: ‘Je hebt je continent gevonden!’ Ik heb gehuild, want hoe kan iemand uit een Roemeens dorp nu zijn continent in Afrika vinden? En toen begreep ik het: ik ben Nederlandser dan ooit, ik ben echt ingeburgerd!
Den Haag Centraal, 5 oktober 2017

Orhan Pamuk
In een lange rij als deze had ik niet meer gestaan sinds de rijen voor sinaasappels of eieren in het Roemenië van Ceaușescu. De rij reikte tot ver buiten de Lutherse Kerk. En er was geen ei te krijgen, maar de Turkse schrijver Orhan Pamuk (1952), een uur lang, plus zijn gesigneerde nieuwe boek.
Wie zei er dat Den Haag een dorp is? Afgelopen zaterdagavond was Den Haag zeker Amsterdam of Florence, Praag of Wenen. Vrijdagavond was Pamuk nog in de Westerkerk in Amsterdam en zaterdagavond, op hetzelfde tijdstip, was hij in Den Haag. Beide kerken bomvol, beide evenementen lang van tevoren uitverkocht, alleen was de Pamuk van Amsterdam niet de Pamuk van Den Haag.
Het is waar dat de avond in Amsterdam een ander format had, maar Pamuk was er simpelweg niet te onderbreken. Als presentator Abdelkader Benali minder elegant was geweest, was het misgegaan. In Amsterdam hield Pamuk een college; interactie met zijn jongere collega stond niet echt op zijn menu. Daarom was ik zo verbaasd om in Den Haag een heel andere Pamuk te zien: veel relaxter, joviaal zelfs. En waar de Westerkerk vooral gevuld was met mensen van uitgeverijen, studenten, schrijvers en mensen uit de branche, zaten er in de Lutherse Kerk juist opmerkelijk veel expats naast het gewone publiek, allemaal te luisteren – aandachtiger dan zijn eigen studenten van de Universiteit van Colombia – naar de deconstructie van het conflict van de roman die ze (nog) niet hadden gelezen, een conflict à la Freud, Shakespeare, Homerus, Sophocles plus de auteur zelf, Orhan Pamuk.
Af en toe verviel de Nobelprijswinnaar voor literatuur (2006) in een monoloog, maar presentator Chris Keulemans wist hem steeds weer terug in dialoog te krijgen.
Over het ‘today in Turkey’ wilde Pamuk niet veel kwijt. Of de constructie van de nieuwe roman een parabel is van het Turkije van president Erdogan? Volgens Pamuk ligt de sleutel bij de lezer: ‘My answer is not important’, en de genoemde parabel kon net zo goed van andere landen zoals India of China zijn.
Het was duidelijk dat Pamuk geen interviewer nodig heeft. Hij hoeft geen introductie en geen vragen. Pamuk heeft niemand nodig die hem aan het publiek geeft. Er is geen schrijver-presentator-publiekformule. Het is een som van twee factoren. De gecompliceerde, intellectuele Pamuk die een presentator kan uitstoten heeft geen brug nodig; op miraculeuze wijze (die echte liefde voor literatuur heet) zit hij in het hoofd (lees: hart) van zijn publiek.
Aan het eind van het gesprek liet de presentator zich verbaasd uit over het ‘surprising feminism’ in zijn nieuwe boek, waarop Pamuk, met zijn gezicht naar het publiek, tegelijk met andere stemmen uit het publiek, vroeg: ‘Why surprising?’
Veel van de gezichten die na afloop in de rij stonden om zijn boek te laten signeren, kende ik. Expats, allemaal hoogopgeleid, fervente lezers. Een publiek dat Den Haag moet koesteren, een publiek dat Den Haag verandert. Wie weet: van een eiland in een ‘Silicon Valley’? Van de literatuur welteverstaan.
Den Haag Centraal, 28 september 2017

De dood
Niets aan de Nederlander verbaast me meer dan zijn manier van omgaan met de dood. Dood in het algemeen. Dood, zelfmoord, euthanasie, er is geen domein van het leven (sic!) waar de Nederlander progressiever is. Ik, die bij begrafenissen in mijn dorp professionele klaagvrouwen heb meegemaakt, heb soms het gevoel dat Nederland een grote, nieuwe sekte is als het gaat om omgaan met de dood.
Vorige week stond er in een van de landelijke dagbladen een uitgebreid interview met Renate Dorrestein waarin de schrijfster de lezer op een nuchtere manier informeert dat ze slokdarmkanker heeft en volgens de prognose nog een jaar te leven heeft. Nuchter – op het laatst zelfs grappig, wanneer ze denkt dat het best mogelijk is dat ze in de hemel verdergaat met schrijven en af en toe een boek over de wolken zal gooien. Naar de lezer, naar ons, met andere woorden. Als het niet grappig was, was het in ieder geval ironisch; dat boek dat ze over de wolken gaat gooien, zullen we nooit ontvangen. En op hetzelfde moment, terwijl Renate Dorrestein nuchter over haar eigen dood spreekt, gaan er kinderen dood die niet eens de kans hebben gehad om te leven, laat staan om dertig boeken te schrijven. Dus waarom zouden we van de dood een drama maken? En toch. Het postmoderne gevoel waarmee de Nederlander de dood omarmt, zal ik nooit compleet kunnen ontcijferen. Alle culturen weten dat de dood bij het leven hoort, maar in Nederland lijkt het alsof er geen rivier is die moet worden overgestoken, een rivier van het leven naar de dood, zoals in de oudheid. Het lijkt alsof je, als je niet oplet waar je loopt, gewoon over de grens van Thanatos kunt lopen. Je kunt hier een dokter kiezen die je helpt om dood te gaan, door euthanasie, je kunt zelfdodingspillen bestellen via internet, zelfmoord lijkt een afspraak in je agenda: ‘Zelfmoord aanstaande dinsdag? Nou, vrijdag pas, dan is er nog plek.’ De Dood lijkt zo’n lange reis naar een ver land waarvandaan we nog een kaartje naar de familie sturen. ‘Het gaat goed met me, het weer is heerlijk en ik doe gewoon mijn werk. ’s Avonds een wijntje op het terras, de lokale wijn hier is hemels!’
Het gaat om de dood. Het gaat om het niet meer zijn. Het gaat om de grote, unieke, enkele reis waarvoor we in de bieb geen gids kunnen lenen, de reis waarvan nog niemand is teruggekomen. Misschien hoort hij bij het leven, maar door de dood horen wij zelf niet meer bij het leven.
Onderweg naar de markt loop ik langs een uitvaartcentrum, dat tot voor kort in de etalage een enorme roze kist exposeerde. Geen witte, geen donkerblauwe, maar een roze. ‘La mort en rose’. Ik snapte het niet en gelukkig was ik niet de enige, denk ik, want een paar weken geleden verdween de kist vanachter het raam. Of misschien heeft iemand die wilde dat de kist bij zijn laatste outfit paste, hem besteld.
Den Haag Centraal, 21 september 2017

Bram Suiker
Ik weet niet wat jullie afgelopen zondag hebben gedaan, maar ik heb me te pletter geërgerd bij het kijken naar ‘Buitenhof’. Niet vanwege bepaalde praatjes, maar omdat ik echt niet begrijp waarom de kunstenaar in Nederland de rol speelt van Assepoester in een maatschappij die zich geen zorgen maakt voor brood op de plank. Hoe is het mogelijk dat de eerste violist van een symfonieorkest maar 19.000 euro per jaar verdient, zoals Gijs Scholten van Aschat, de nieuwe voorzitter van de Akademie van Kunsten, in ‘Buitenhof’ vertelde?
De avond ervoor zat ik in de Koninklijke Schouwburg (KS), voor ‘Het verzamelde werk van William Shakespeare (ingekort)’, met Jappe Claes, Vincent Linthorst en Bram Suiker, in een volle zaal die ruim twee uur lang naar adem snakte van het lachen. De eerste twee acteurs kende ik, voor hen was ik naar de uitvoering gegaan. Maar de laatste van het gezelschap, Bram Suiker, had ik maar één keer eerder op het podium gezien. En wat een prestatie zette hij neer! Waarom kent heel Nederland wel alle mogelijke rappers die vaak de Nederlandse taal en het fatsoen verkrachten, maar kennen we Bram Suiker niet? Waarom wil elke tiener een Armin van Buren worden en niet een Bram Suiker? Waarom is cabaret de coolste/hoogste vorm van kunst in Nederland en blijven de kleine theaters bedelen om subsidie?
In de KS kroop Bram Suiker gedurende twee uur in de huid van tientallen personages, met een versatiliteit die mij voor het leven zijn trouwe bewonderaar heeft gemaakt. Suiker kan honderd rappers zijn en was dat ook, hij kan ook alle Armins van de wereld zijn, hij kan jou en mij zijn en iedereen die we kennen. Stuur je kinderen om hem te zien! Misschien willen ze daarna in plaats van ‘beroemd’ of ‘rijk’ Bram Suiker worden! Natuurlijk kan niet iedereen Bram Suiker worden, je moet er talent voor hebben. Maar hoe kun je je talent voor acteren of klassieke muziek of beeldende kunst, schrijven, dichten… ontdekken als je levensdroom het salaris van Matthijs van Nieuwkerk (‘DWDD’) is?
Nederland is een land waarin de kunstenaar de vrijheid heeft om te creëren en geen risico loopt om vanwege zijn product in de gevangenis te belanden. Nederland had op cultureel vlak een nieuwe gouden eeuw moeten beleven. Waarom dat niet is gebeurd? Deels omdat de kunstenaar drie jobs moet hebben om zijn hypotheek te kunnen betalen. En omdat cultuur bij ‘DWDD’ niet verder gaat dan Charles Aznavour. Hebben politici geen kinderen?, denk ik soms. Of schrikken ze niet als ze van hun kinderen horen: ‘Ik wil later rijk worden.’? Weten ze niet welke rol kunst in de maatschappij speelt? Stuur ook het nieuwe kabinet eens in een pauze naar de schouwburg! Misschien willen de drie helden van het podium, die het acteursgilde met hun prestatie eer aan doen, ook hun laten zien dat kunst van ons allemaal is, en zeker van onze kinderen – ook al zaten er zaterdag in de zaal meer mensen die hun carrière al hadden afgerond.
Den Haag Centraal, 14 september 2017

Ode aan de herfst
Het is alweer september. Het culturele seizoen begint en in Den Haag staat er zoveel te gebeuren dat kiezen moeilijk zal worden. Als je afgelopen zondag tijdens het Uit Festival over het Lange Voorhout hebt gewandeld was het onmogelijk om het grote culturele aanbod in Den Haag te missen. Iedereen was er en iedereen stond er om je te laten zien wat voor moois er het komende jaar in Den Haag gaat gebeuren.
Zelf ontmoette ik zondag tijdens het festival iemand die mij wilde leren kennen omdat ze me in deze krant leest. Een mevrouw die ik in de 60 schatte, maar als ik het goed heb begrepen was ze al 85. Hoe dat kwam? Niet zozeer omdat ik niet kan schatten, maar omdat ze pas twee jaar geleden is gestopt met sporten en omdat ze gezond eet. Ik stond dus op het podium mijn gedichten uit te schreeuwen, in de hoop dat ik Den Haag te midden van de kakofonie van vijf grote en nog twintig kleinere podia plus het geroezemoes van alle toeschouwers mijn gedichten kon laten horen en deze fitte, trouwe lezeres zat ergens in het midden naar mijn geschreeuw te luisteren. Voordat ik het podium opging zei ik tegen haar: “Ik schrijf veel over mijn man” en antwoordde zij: “Ja, mannen zijn moeilijk, ik heb er twee gehad.”
Ik kan niet zeggen dat mijn eigen geschreeuw me geen voldoening gaf, maar de ontmoeting met deze mevrouw gaf me meer dan dat: hoop. Er is hoop! Zelfs voor mij, die sinds twee weken om vijf uur ’s ochtends wakker wordt om eerst een paar uur te schrijven voordat de telefoon begint te rinkelen. Er is hoop dat we kalm en rustig de herfst binnen zullen treden, dat we de goede vruchten van het leven zullen plukken, dat we, als we gezond eten en sporten, een lang en gebalanceerd leven kunnen leiden. Wie weet, misschien is het recept van het leven wel simpel en efficiënt en denk alleen ik dat het iets is met een hele alchemie die ik nooit zal doorgronden. Wie weet, misschien is het niet eens belangrijk dat het me maar niet lukt om na een dag werken rustig en in vrede naar huis te gaan, maar zelfs al ’s maandags met twee volle AH-tassen plus een volle boekentas, transpirerend en met mijn door de tassen omhooggetrokken jurk, bij de tramhalte sta. Nee, zen ben ik nooit, maar er is dus nog hoop, zelfs in een wereld waar aardbevingen door nucleaire testen worden veroorzaakt.
Het is weer herfst en voordat ik mijn geschreeuw begon, vertelde die mooie dame van 85: “Ik heb grote toekomstplannen.” Eigenlijk denk ik dat ik op het podium sprong en begon te schreeuwen omdat ik haar anders had omhelsd en gekust, omdat het leven zo mooi is en de herfst in Den Haag net is gearriveerd, rijk, op leeftijd… en met grote toekomstplannen.
Den Haag Centraal, 7 september 2017

Steden
Er zijn steden die zich niet zomaar blootgeven, net als mensen. En als ze het doen, doen ze het op een vreemde manier, die misschien niets met de werkelijkheid van doen heeft. In je eentje een stad leren kennen heeft voor mij sowieso iets van het ongemakkelijke van twee onbekenden die noodgedwongen een treincompartiment delen.
Ik ben in Eindhoven voor mijn werk. Een week lang zit ik hier van tien uur ’s ochtends tot negen uur ’s avonds in een theaterzaal, waarna er nog gelegenheid is om te socialiseren en wijn te drinken. Maar ’s avonds ben ik helemaal op en ga ik gelijk naar mijn B&B, die ergens op een enorm landgoed staat.
En elke avond word ik door dezelfde leuke, jonge taxichauffeur naar mijn kamer gebracht. Hij is bespraakt en gemanierd. De rit duurt steeds negentien minuten en in dat tijdsbestek praten we over van alles, maar vooral over de stad. Ik weet nu hoeveel moskeeën er zijn, waar prostituees rondlopen, waar jongelui uitgaan en waar je uitgaat als je de dertig gepasseerd bent (!). Ik weet ook dat de politie vorige week een Hongaarse prostituee van zestien heeft gerepatrieerd en waarom een inwoner in, volgens mijn chauffeur, Eindhovens saaiste straat altijd in zijn voortuin barbecuet en niet in zijn achtertuin, enzovoorts. Ik ken de stad zo ’ n beetje, maar in vier dagen heb ik nog geen 500 meter gelopen. Ik heb vooral veel gehoord, maar het had evengoed over een andere Nederlandse stad kunnen gaan. Of een Duitse.
Twee keer per dag zit ik in de taxi en luister ik. Gisteravond heb ik voor het eerst iets meegemaakt. Ik stapte in de taxi en ineens, uit het niets, werden we bijna klemgereden door een witte auto, waarvan de bestuurder me luchtkusjes stuurde. In Den Haag zou ik zo iemand aanmerkelijk minder zoete gebaartjes terugsturen, maar ik was nu niet in Den Haag. ‘Negeer hem,’ zei mijn chauffeur en behendig ontweek hij onze belager. Maar de auto zette de achtervolging in en kwam af en toe langszij om me luchtzoentjes te sturen. Vervolgens ging hij weer achter of voor ons rijden. Mijn chauffeur wist het zeker: die amoroso was een loverboy. Hij kon me ook vertellen dat zoiets een praktijk was: dat ‘zulke jongens’ meisjes overtuigen om hen naar hun bestemming te brengen omdat ze goedkoper dan een taxi zouden zijn. ‘En je hebt geen idee hoeveel meisjes in zo’n auto stappen.’ Wat er dan verder met de meisjes gebeurt, wist mijn chauffeur niet. Bij de laatste bocht haalde ‘loverboy’ ons nog eens in en verdween. Ik stapte uit en zocht mijn sleutel.
Mijn B&B ligt, zoals ik al zei, op een fantastisch landgoed. Pal naast een tbs-inrichting voor zware criminelen. Elke ochtend vroeg gilt er een vrouw wel tien minuten lang op een wijze zoals er weleens iemand kort in ‘The Killing’ gilt. ‘Soms ontsnapt er een, maar verder is alles veilig,’ had mijn chauffeur nog gezegd. Geen vleugje humor daarbij.
Den Haag Centraal, 31 augustus 2017

Lange armen
Mijn relatie met de politiek lijkt in veel opzichten op die met mijn schoonmoeder: we doen ons best om elkaar te vermijden, maar vergeten geen ogenblik dat de ander bestaat. Maar terwijl ik heel tevreden ben over de relatie met mijn schoonmoeder, kan ik dat niet altijd zeggen over het binnendringen van de politiek in mijn leven. Twee dagen na de aanslag op de Ramblas werd de Duitse schrijver Dogan Akhanli opgepakt tijdens zijn vakantie in Spanje. Op verzoek van de regering van Erdogan, volgens zijn advocaat. De zoveelste schrijver of journalist die wordt opgepakt omdat hij zijn mond opendeed. Als het aan Erdogans regering ligt, moeten we allemaal morse gaan leren. Zo communiceerden immers de politieke gevangenen in de gevangenissen ten tijde van de Roemeense dictator Ceaușescu. Er bestaat hele literatuur afkomstig uit de beruchte Roemeense kerkers. En ook de inktvis van Ceaușescu had lange tentakels. Zo werd een van de meest bijzondere Roemeense dissidenten in de tijd van Ceaușescu − gevlucht naar Frankrijk en bekend om haar programma op Radio Free Europe waarin ze alles wat in Roemenië gebeurde aan de kaak stelde − verschrikkelijk mishandeld voor haar appartement in Parijs. Door de lange arm van de geheime dienst Securitate belandde ze in het ziekenhuis. Zij (en haar moeder die door dezelfde Securitate werd vermoord omdat ze haar dochter niet had willen verklikken) is zeker niet de enige die de lange arm van de Securitate letterlijk gevoeld heeft, misschien wel de bekendste. De geschiedenis slaapt nooit, helaas, en herhaalt zich met een vreselijke onbeschoftheid. Toen ik naar Nederland kwam, verbaasde het me hoe weinig het westen wist van de misdaden van Ceaușescu’s regime. Het IJzeren Gordijn was beslist geen vitrage, meer een zwaar toneeldoek waarachter zich een vreselijk tafereel had afgespeeld. En het was alsof het publiek niet wist wat er achter het doek was gebeurd of had zitten slapen in zijn stoel, zo dacht ik in mijn eerste jaren hier. Maar nu hebben we geen gordijn meer en kunnen we met het blote oog zien wat er in Europa en de wereld gebeurt. En bijna dagelijks krijg je berichten van Amnesty International: dat er nog een vrouw die haar mond opende in de gevangenis zit. Of vermoord is. Of dat haar dochter is bedreigd. Dit zijn onze helden. Wij kunnen niet zonder hen. Want zij doen hun mond niet alleen open voor zichzelf, maar ook voor ons. Zij doen hun mond open voor de waarheid van ons allemaal, voor ons die de waarheid nodig hebben. De lange armen van de verschillende regimes worden te lang. Begint onze huid ze nog niet te voelen? Begint het niet te jeuken? Doen onze kiezen geen pijn als er ergens niet ver van hier nog een mond wordt gesnoerd, tegen alle mensenrechten in?
Orhan Pamuk, de Turkse schrijver die net als Dogan Akhanli over de Armeense genocide schrijft, komt in september naar Den Haag. Ik zal in de zaal zijn om hem te verdedigen.
Den Haag Centraal, 24 augustus 2017

Met je hart
Vandaag liep ik door het Noordeinde en tussen al die mensen die hetzelfde deden, zag ik een meisje van negen samen met haar opa en oma. Schattig beeld, al wordt mijn hart er altijd een beetje klein bij – om persoonlijke redenen die er hier niet toe doen.
Het schattige meisje was verwikkeld in een gesprek met de grootvader, die – voor zo’n heer, gekleed zoals bijna alle door het Noordeinde wandelende heren van zijn leeftijd (schoenen van gekleurd suède, lichtblauwe broek en roze hemd) – niet echt ontspannen leek. Het was echter niet het ongeduld van opa Babyboomer dat me het meest opviel, het waren de oorbellen van het 9-jarige meisje: volwassen, veel te volwassen voor haar leeftijd. En vooral: duur, veel te duur. En toen dacht ik natuurlijk aan die twee Armeense kinderen die, zoals de kranten schreven op de dag dat ik terug van vakantie kwam, ‘uitgezet mogen worden’. Het is niet de eerste keer dat zo’n zaak in de media komt en deze kinderen zullen ook niet de laatste zijn die al dan niet mogen worden uitgezet, maar toch. Twee kinderen willen uitzetten die vloeiend Nederlands spreken, die geen ander land kennen dan ‘ons’ Nederland, en ze ook apart, zonder de (alleenstaande!) moeder, willen uitzetten, is harteloos. Nederland kan harteloos zijn. In mijn eerste jaren hier werden al mijn pogingen om bedelaars of daklozen te helpen ontmoedigd. Altijd met dezelfde tekst: ‘Er zijn instanties die dat doen, je hoeft zelf niets te doen, het komt goed.’ Dat het niet altijd goed komt, weten zelfs kinderen van negen. En dat de instanties regels volgen die achterhaald of zelfs onmenselijk zijn, weten de meeste mensen. ‘Dura lex sed lex’ (de wet is hard, maar het is de wet), leerde ik op school, in een ander land, inderdaad, toen ik niet ouder was dan die twee Armeense kinderen. Het was in een verhaal dat deze titel had, maar waarvan de moraal was dat je altijd met je hart moet helpen, en niet met je verstand. De Nederlandse instanties werken vlekkeloos, als een geolied apparaat. Zo goed dat we vergeten dat het apparaat door mensen is gemaakt. De Pakistaanse taxichauffeur die mij van het Centraal Station naar huis bracht toen ik terugkwam van vakantie, vertelde me dat hij graag naar Amerika zou willen emigreren, maar dat het feit dat daar geen zekerheid bestaat hem ervan weerhoudt: dat hij hier, als hij ziek wordt, een uitkering krijgt, terwijl hij daar dakloos zou kunnen worden, en dat is iets wat hij zich niet kan veroorloven omdat hij kleine kinderen heeft. Ja, het apparaat werkt vlekkeloos, maar toch hapert het soms – juist omdat het maar een apparaat is. Wanneer zijn we vergeten om álle kinderen kansen te geven? Als ik het me goed herinner zijn Nederlandse kinderen, volgens bepaalde statistieken, de gelukkigste kinderen ter wereld. Nou, ik weet er twee die de ongelukkigste kunnen zijn. We hebben het goed, zo goed, dat we geen idee hebben hoe het is om het minder goed te hebben.
Den Haag Centraal, 17 augustus 2017

Gugu
Ik ben wel wat armoede gewend. Geboren in een dorp in Roemenië, in de tijd van dictator Ceaușescu. En toch. Afgelopen week, in het huis van Gugu in Johannesburg, in het township Soweto, bad ik om niet flauw te vallen. Het is immers een groot verschil of je in de arme wijken van Johannesburg veilig in je auto blijft of dat je ineens binnen in zo’n huis in de wijk bent, als westerling – want, ja, dat ben ik tegenwoordig. Ik ben wel wat armoede gewend, maar wat ik in Johannesburg zag, was van een andere orde. Onze chauffeur bleef in de auto en riep naar Gugu, die wachtte tot wij uitstapten. Een ogenblik vroeg ik me nog af waarom hij in de auto bleef, maar de werkelijkheid was me voor: ik stond al midden in het huis van Gugu. Het voelde eigenlijk alsof ik onder de grond stond en zo was het ook een beetje: Gugu’s huis had geen vloer, we liepen dus op de aarde. Hier en daar waren kapotte tegels in de grond geduwd met hetzelfde vakmanschap waarmee ik het ook zou kunnen. Gugu vertelde aan één stuk door, als een enthousiaste gids in de Hermitage, en ik kon bijna niets onthouden. Ja, dat ze twee dochters had, een van negen en een van negentien. Dat ze klaarstond om vuur te maken (ze liet ons een berg papier zien voor een geïmproviseerde kachel), dat ze een magnetron had die als kast diende (in een huis zonder elektriciteit), dat er ergens een portret van Mandela hing en een afbeelding van Jezus. Ik bleef maar denken aan die twee dochters: waar wasten ze zich? Waar gingen ze onder een hete douche als ze ongesteld waren?
Ja, ik die als studente in Boekarest een tijdlang in een kelder woonde waar alleen een tafel in paste die ’s nachts als bed diende, ik die bijna twintig jaar lang geen huis had, viel hier in het huis van Gugu bijna flauw. Eenmaal terug in de auto kon ik me ook niet meer inhouden. “Alleen Oprah huilde zo lang,” zei de chauffeur ten slotte. Die avond verbleven we in het nabijgelegen Pretoria, bij vrienden, in een prachtig huis, gelegen op een berg, met een zwembad, een exotische tuin met terrassen, zoals de hangende tuinen uit de Oudheid. Om bij hen binnen te komen, moesten we zes sloten openen, om ze vervolgens een voor een achter ons te sluiten. ‘Sesam, open je!’ zou in de rijke wijken van Zuid-Afrika niet werken. Onze vrienden, jonge, bijzondere intellectuelen, dromen ervan om scholen te openen voor kinderen uit het township. De ‘key’ voor de onvoorstelbare som van de armoede blijkt onderwijs te zijn. Op een ander niveau ben ik zelf ook een kind afkomstig uit een kansarm milieu dat de kans kreeg om te studeren. Ik sta nu versteld van mijn sterke band met een land dat me hiervoor eigenlijk niets zei. Ik had Afrika in mijn hart, maar ik wist het nog niet.
Den Haag Centraal, 10 augustus 2017

Dankie
Sinds een week ben ik in Bloemfontein (Zuid-Afrika). Niet op vakantie – hoezeer mijn reis soms als vakantie voelt – maar voor het Vrystaat Kunstefees festival. En omdat ik niet van het type ben dat vooraf weet wat hij moet bezichtigen, welke kleding hij moet meenemen, et cetera, heb ik het elke avond koud en ondervind ik aan den lijve wat een Afrikaanse winter betekent. Ik weet niet hoe het bij anderen is, maar in mij verandert er iets bij elke reis, ik voel me net een huis dat steeds meer kamers krijgt, om het nuchter te formuleren. Ik kan ook zeggen dat mijn hart groter is geworden om plek te maken voor Zuid-Afrika.
Een week lang geniet ik al van een fantastisch festival, dat plaatsheeft op een enorme campus en qua grootte het derde van Zuid-Afrika is. Op het Afrikaanse podium heb ik mijn adoptieland en vaderland samengebracht, maar ik heb hier ook Afrikaans gedanst en Afrikaans gegeten, ben verliefd geworden op een neushoorn, heb een reuzentermietenhuis met een mes geopend en heb Zoeloezangers bewonderd en voor altijd in mijn hart gesloten. Ik weet nu dat Bloemfontein de op vijf na grootste stad van Zuid-Afrika is, dat Tolkien hier, in Bloemfontein, is geboren, dat het standbeeld van Mandela, tussen wiens benen ik op de foto sta, het op één na grootste ter wereld is. Maar vanaf het moment dat de auto ons naar het hotel bracht, viel het me ook op hoeveel jonge mensen lijmsnuiven langs de weg, iets wat ik te vaak in Roemenië bij straatkinderen heb gezien. Bedelaars, vooral zwarte mensen, van alle leeftijden, houden bij kruispunten en verkeerslichten (die hier ‘robots’ heten) een bord omhoog: ‘Please, any food, money or donation’.
Opvallend genoeg gebeurt alles hier in de ‘mall’; nog nooit had ik zo’n concentratie winkelcentra gezien. Er is hier ook niemand die ‘gewoon’ loopt, behalve de delegatie Nederlanders (wij dus), horen we van iedereen. De dagelijkse vier kilometer tussen hotel en campus zijn voor ons een zonovergoten plezier, voor de lokale deelnemers een bron van grapjes. Voor ons is het eten hier goedkoop en in mijn leven heb ik nooit een week lang achtereen zó lekker gegeten. Ik heb ook geleerd rooibosthee te drinken, hier een soort elixir. En drie uur lang heb ik met enige angst in de jeep achter een echte ‘hunter’ met een bebloede handdoek over zijn stoel moeten zitten – een soort mensen waarvan het uitsterven mij niet echt zou verdrieten. Ongeveer dezelfde angst voelde ik ook op het podium tijdens een paneldiscussie over onze talen. De vertegenwoordigers van het Afrikaans – maar niet alleen zij, ook de sprekers van andere talen hier – kwamen op mij over als een combinatie van een zeldzaam dier en zijn jager. De taal is hier, misschien nog meer dan elders in de wereld, je identiteit. Overduidelijk voel je de geschiedenis, zonder instrumenten die je kunnen helpen: fantastisch, vooral voor iemand zoals ik, die van taal is geswitcht. Een enorme ervaring dus, waarvoor ik in het Afrikaans zeg: Dankie!
Den Haag Centraal, 27 juli 2017

Paspoorten
Peter is Brit. Een jaar voor het startsein voor de Brexit kwam hij naar Nederland.
Peter is half zo jong als ik en woont in Den Haag, waar hij Engels doceert. Zo heb ik hem leren kennen. Hij heeft iets weg van Baudelaire en heeft ook iets van het ‘mal de vivre’ van de Franse dichter. Peter spreekt vloeiend zeven talen en in nog eens zoveel talen kan hij een gewone conversatie voeren.
Woorden onthoudt hij met een gemak dat mij frustreert. Maar er is iets anders dat hem in mijn ogen bijzonder maakt. Peter is ongeveer overal in de wereld al geweest. Een reis naar Praag is voor hem wat voor mij een tramreis naar Escamp is. Hij reist ook anders dan wij, dan ik tenminste. Misschien is dat een generatiekwestie, maar Peter gaat naar Rusland voor de Russen, naar Polen voor de Polen, naar Turkije voor de Turken, et cetera. En na terugkomst converseert hij op Facebook, in hun eigen talen, met hen verder. ‘Ik zou voor altijd naar Tsjechië willen gaan en Tsjech willen worden, de taal leren en integreren,’ vertelde hij me.
Het leukste lijkt het Peter om te integreren. Als je hem vraagt of hij Brit is, zegt hij dat hij een Brits paspoort heeft, maar dat hij niets is, dat hij geen nationaliteit heeft en graag iets zou willen worden. Dat hij wil verhuizen naar een land waar hij verplicht zou zijn om te integreren. In Nederland vindt hij namelijk alles te gemakkelijk en verheugt hij zich nooit omdat er niemand Nederlands (dat hij razendsnel heeft geleerd) met hem wil spreken; iedereen spreekt hier immers Engels. Ik vertelde hem dat ik Roemeens ben, dat ik graag over mijn cultuur praat, maar dat ik ook trots ben om een beetje Nederlands te zijn. Dat ik me rijk voel tussen deze twee culturen. Hij vertelde over een vriendin, een globetrotter, die in Nederland woont, voor multinationals werkt en zich honderd procent Pools voelt. Alleen Pools.
Voor mij is Peter de toekomst. Hij is de toekomst en ik ben een van de laatste der Mohikanen die het trauma van emigreren verwerkt. Peter lijkt de geschiedenis van bijna elk volk te kennen en ik schaam me een beetje, ik die mijn hele leven de demonen van het communisme ‘exorciseer’ en overal totalitarisme zie. Het lijkt alsof hij op zoek is naar geschiedenis, terwijl ik… u weet het al. Hoe dat precies voelt voor hem, weet ik niet. Maar ik stel me een toekomst voor waarin je de vraag ‘waar kom je vandaan?’ kunt beantwoorden met ‘Ik heb een Brits/Pools/Chinees paspoort.’ ‘Wie/wat bent u?’ lijkt me een heel moeilijke vraag. ‘Wat bent u?’ vroeg iemand mij laatst. ‘Roemeens,’ zei ik toen. ‘Geeft niet, hoor,’ antwoordde hij.
Ik ben blij dat ik Peter heb leren kennen. Onlangs vroeg hij zich af of hij een expat is of een emigrant. Hij koos voor expat, maar voor mij is hij geen van beide, voor mij is hij de toekomst.
Den Haag Centraal, 20 juli 2017

A room with a view
Ik had me voorgenomen om me niet meer te bemoeien met de zaken van mijn vriendin. Al jaren ben ik haar luisterend oor, vooral omdat haar issues, huwelijkse kwesties, mij niet geheel onbekend zijn, maar toch. Het moest niet gekker worden.
Maar dingen gaan nooit als gepland, vooral niet als zij me nodig heeft. En ditmaal had ze me zeker nodig. ‘Meer dan ooit!’ Zou u zich doof kunnen houden als u dat hoort uit de mond van uw vriendin? Ik niet. En dus ging ik op bezoek.
Meestal moet ik haar troosten. ‘Een huwelijk is geen reis eerste klas naar Parijs, maar meer een tocht in vaak ongemakkelijke omstandigheden.’ ‘Daar ging het juist over,’ zei mijn vriendin en ik begreep niet goed of ze naar Parijs wilde of niet, of dat ze dit zei omdat ze mijn metafoor toepasselijk vond. Wat ik wel begreep, was dat zij haar man iets had voorgesteld en dat zijn antwoord was geweest: ‘Dat mag je niet.’ Punt uit. Iets met ‘mag niet’, wat bij elke volwassen vrouw rillingen, miltaanvallen of rood voor de ogen kan veroorzaken, niet alleen bij mijn vriendin. Haar kennende keek ik rond om te zien waar haar koffers stonden. Geen koffer te zien. En Sofia, hun dochter, zat gewoon op school.
Ik besefte dat ze toch heel kalm was, gezien de omstandigheden en hun voorgeschiedenis. Ik besefte ook dat ik eigenlijk het echte verhaal nog niet had gehoord. Ik begreep dat ze haar man opgesloten had in de logeerkamer. Waarom? Wilde hij weggaan? Nee, ze wilde hem laten zien hoe het voelt om iets niet te mogen, als volwassene, als gelijke partner in een huwelijk. Om niet buiten de logeerkamer te mogen gaan, bijvoorbeeld. Aha. Er waren meer dingen in het verhaal van mijn vriendin die mij niet duidelijk waren. Zo heb ik nog niet begrepen wat ze precies niet mocht. Iets belangrijks, iets wat je móét mogen, volgens haar. Wat ik ook niet begrepen heb, was hoelang haar man in de logeerkamer opgesloten had gezeten. Ik heb het niet gevraagd, maar uit haar verhaal maakte ik op dat het zeker twintig minuten was, maar het kon ook één uur of drie uur geweest zijn.
Kon hij niet via het raam naar buiten? Hadden ze niet kunnen overleggen? Dit was echter niet het punt. The point was…, herhaalde ze, alsof ze hem, en niet mij, moest overtuigen: zo voelt het als je iets niet mag. Soms noem ik mijn vriendin Betty Boop, om haar grote zwarte ogen, maar toen ze dit zei, had ze meer iets van het schilderij van Delacroix: ‘La Liberté guidant le peuple’. De Vrijheid leidt het volk.
Hoe was het precies gegaan, wat speelde er, waarom had hij dat gezegd, waarom had zij zo gereageerd? Kon het niet anders? Hoe zat het nu?
Het gaat wel, nog niet echt, maar het zal gaan.
Mijn conclusie is: het is niet gemakkelijk om vrouw te zijn.
Maar om haar man te zijn is ook geen makkie.
Den Haag Centraal, 13 juli 2017

Mis voor ongelovigen
Twee weken geleden mocht ik een toespraak houden bij een niet-kerkelijke mis. In de Rode Hoed in Amsterdam. Een dienst voor ongelovigen, die aan het begin van elk seizoen wordt georganiseerd en altijd uitverkocht is. Het thema van de mis is altijd het beginnende seizoen. Dit jaar mocht ik in tweeduizend woorden vertellen over mijn zomers in Roemenië en hier. Voorafgaand aan mijn speech waren er liedjes, gedichten, improvisaties op piano en viool. De verzen kende ik niet, maar ik deed mee, zoals iedereen. Het ging over het nieuwe seizoen, maar ook over het aan vakantie toe zijn, over kinderen, over het verleden, over liefde en samen zijn. Bijzonder mooi.
Achteraf vroeg ik me af: waarom houdt Den Haag niet zo’n mis in een van de vele verlaten kerken?
Je hoeft niet gelovig te zijn, maar ook niet ongelovig om mee te zingen, naar gedichten te luisteren en na afloop iets te drinken met z’n allen. Om het gevoel te delen dat je mensen om je heen hebt die hetzelfde voelen als er gezongen wordt… Het gevoel dat je iets deelt, een gevoel, en niet alleen de zware lucht in tram 1 na een zware dag shoppen in het weekend of het chagrijn na een dag werken wachtend op het perron voor de trein en (stilzwijgend) alle rokers uitscheldend die hun rook in je ogen blazen.
We zouden best in een verlaten kerk kunnen zingen. Den Haag is allang uit de kerk gestapt en blijft in huis. De politieke agora op het Plein blijkt de enige verzamelplaats die we hier nodig hebben.
Zelf ga ik twee keer per jaar naar een mis, met Pasen en met Kerstmis. En het volk verandert drastisch van de lente tot de winter. Steeds meer nieuwe Nederlanders. Steeds minder … Nederlanders.
Wat zijn de Nederlanders progressief, zeg!, zeg ik al twaalf jaar tegen mezelf. Over honderd jaar zullen de kinderen in de Europese scholen leren dat er niet zo lang geleden een religie bestond die het christendom heette en die werd afgeschaft door de Nederlanders. Het begon in Den Haag, zou een betwetertje aanvullen.
Hoe zal Den Haag over honderd jaar zijn? Anders. De laatste kerk zal in de reisgidsen staan. Clandestien zal een handjevol christenen elkaar ontmoeten om hun God te eren, en ze zullen hetzelfde gevoel delen als de eerste christenen.
In mijn dorp zongen we vroeger, omdat we na zeven uur ’s avonds geen elektriciteit meer hadden. ‘Om niet gek te worden, moet je leren zingen,’ zei mijn vader. Het is altijd goed om te zingen. In mijn eentje zing ik nu onder de douche of om mijn maagpijn te verzachten. Het geloof is in Den Haag uit het curriculum. We delen het niet meer. Maar ook het ongeloof delen we niet. Waarom zouden we niet samen zingen tijdens zo’n dienst voor ongelovigen? Zo te horen leiden meer wegen naar… Rome, welk Rome dat ook moge zijn.
O, Den Haag, wanneer zo’n mis voor ongelovigen? Ik zal er zijn.
Den Haag Centraal, 6 juli 2017

Mannen

Ik heb deze column twee keer gewist en ben hem twee keer opnieuw begonnen. Het voelde niet goed wat ik wilde zeggen en toch was dit mijn waarheid. Ik hoor mijn man zeggen: Moet je altijd je waarheid zeggen? Kun je niet een keer zwijgen? Zucht.Mijn wereld was altijd verdeeld in vrouwen en mannen. Nooit in mensen. Ik ben opgegroeid in de fabriek waar mijn moeder samenwerkte met driehonderd andere vrouwen en op mijn dertiende ging ik naar een internaat waar ik zes jaar lang alles heb gedeeld met tweehonderd andere meisjes: eten, kleren, eenzaamheid, enzovoorts. Kortom, ik weet veel over vrouwen, en hoewel ik niet precies weet hoe dat klinkt, ben ik een vrouwen-mens, wat simpelweg betekent dat ik me goed voel onder vrouwen. Daar is mijn persoonlijke geschiedenis debet aan. De mannen die ik in mijn jeugd heb leren kennen zou ik, met een paar uitzonderingen, macho noemen, sommigen subtiel, sommigen grof, sommigen leuk en charmant, sommigen angstaanjagend. Ik zou niet durven zeggen dat dit typisch is voor de mannen uit mijn cultuur. Nee, dit waren de mannen met wie ik, onder druk van de omstandigheden, op een of andere manier contact had. Later, in Nederland, heb ik vaak gedacht dat het type dat ik uit Roemenië kende, overal te vinden is, ongeacht nationaliteit en cultuur. Ik wil u vóór zijn en opnieuw benadrukken dat dit mijn ervaring is, dat ik nooit zou generaliseren en dat ik in sommige opzichten misschien pech heb gehad.Ik ontmoet vaak leuke mannen, ik vertaal voor mezelf: mannen die me leuk lijken, fantastische mensen, en ook leuk als man, gewoon, en toch: als de tram waarmee ik morgenochtend naar de stad ga in tweeën breekt en we vast blijven zitten, weet ik dat ik naast een vrouw ga zitten tot we gered worden. Het komt mezelf voor als een middeleeuwse ervaring en redenering. Ik kan niet geloven dat ik dit opschrijf. En toch spreek ik de waarheid, mijn waarheid.Ik ben vaak wantrouwend naar de man. Soms heb ik, wat mijn blik op mannen betreft, zelf het gevoel dat ik op de schaal van de evolutie ver van de homo sapiens af sta. Denkt u hetzelfde, bespreek dat dan met mijn geschiedenis.Ik had deze pijnlijke ervaring niet met u willen delen, ware het niet dat ik afgelopen zondag bij de kringloopwinkel was. Tussen twintig andere mensen zag ik een man naar me kijken. Het was te warm, mijn antennes voor het verdelen van de mensheid in mannen en vrouwen stonden uit. Hij kwam achter me staan en met zijn lippen raakte hij mijn oor. ‘Beauty,’ zei hij zacht, zodat alleen ik het hoorde. Het duurde lang tot ik kon springen van de evolutieschaal waar hij mij naartoe duwde. ‘Beauty,’ zei hij en hoopte op medewerking.Ik ben een draak, vooral als een vreemde, verdomde man mijn oorlel kust. Vraag het mijn man, hij hoorde het kabaal van buiten, waar hij in de auto op me zat te wachten.
Den Haag Centraal, 29 juni 2017

Ikea
Je zou versteld staan als je wist om hoeveel redenen mensen naar IKEA gaan. Laatst heb ik ze geteld, de redenen die in mijn hoofd opkwamen: bij de kopjes kijken, kosteloos twee uur van je kind af zijn, een ijsje halen, gratis potloodjes krijgen, een relatief lekker stuk zalm eten, lang en ongestoord ruzie met je man maken en het daarna weer goedmaken omdat hij op het laatste moment begrijpt waarom die kast vandaag al in jullie keuken moet staan, met de grote kar tussen stellingen door racen, et cetera. Maar vandaag hoorde ik een reden die ik tot nu toe niet kende: het bij de laatste ruzie gesneuvelde servies weer aanvullen. Die bruine kopjes: je hebt er nog twee van de zes, het glazuur is van de schaal af en je moest hem weggooien; van de diepe borden die in de magnetron kunnen, zijn er nog maar twee van de vijf, het zal een wonder zijn als je ze nog vindt omdat ze zo goedkoop zijn en als mensen doorhebben dat dit keramiek bij een huiselijke ruzie in miljoenen, voor blote voeten gevaarlijke, stukjes barst, zou dat een reden zijn voor het feit dat ze nog in de kast staan. Dat vertelde mijn vriendin me vandaag en ik moest toegeven dat dit, naast de bovenstaande overwegingen, ook een goede reden was.
Mijn vriendin houdt niet van IKEA, maar juist daarom gaat ze er nu vaker naartoe dan ik. Zo vertelde ze me dat ze er gister de hele dag was geweest, met man en dochterlief. Haar dochtertje is nog geen vijf jaar oud, maar weet al precies hoe je kunt inspelen op het schuldgevoel van een moeder. En daarom mocht ze ineens zo lang ze maar wilde op de kinderafdeling blijven en deed ze wat ze nooit mocht en altijd had gewild: al die bedjes uitproberen, al die knuffels omarmen, van de babywalvis tot de grote ezel en uiteindelijk twee varkentjesknuffels en een extra lamp in de vorm van een maan in de kar doen.
‘Hebben jullie niet pas dat prinsessenbed gekocht, vorige week of zo?’
Ja, knikte mijn vriendin. Ze waren toen voor een lamp naar het woonwarenhuis gegaan. Ze had ontdekt dat de hanglamp in de gang kapot was en haar man ermee geconfronteerd. Hij had immers zo onhandig de ladder naar boven gebracht om de nieuwe gordijnen op te hangen en toen kennelijk de lamp stukgestoten. De man en de dochter hadden elkaar aangekeken en niets gezegd, wat in een gezin waar openheid belangrijk is, niet wenselijk was en het had mijn vriendin niet losgelaten: man en dochter keken elkaar weer aan.
Om een lang verhaal kort te maken: het was onduidelijk of de drie ontbrekende borden de lamp kapot hadden gemaakt of juist andersom. We zijn al lang vriendinnen en daarom vroeg ik haar of het niet beter was om het IKEA-budget te gebruiken voor relatietherapie. Ze zal het er met haar man over hebben.
Den Haag Centraal, 22 juni 2017

Onderstaande tekst was mijn bijdrage voor de bijzondere avond die op 21 juni door Ricky Koole werd georganiseerd in De Nieuwe Liefde in Amsterdam onder de titel Begin van de zomer – Dienst voor ongelovigen:

DE ZOMERS HEBBEN ME GERED

Ik ben geen zomerkind. Ik ben in de winter geboren en ik was zo pissig dat ik midden in de winter was gearriveerd, dat ik drie maanden lang in een couveuse ben blijven liggen, wachtend op de zomer. Het was precies in de jaren dat in Roemenië, onder de dictatuur van Ceaușecu, de stekkers van de couveuses uit de stopcontacten werden getrokken om energie te besparen. Het is niet bekend hoeveel baby’s de kans om te weten wat een zomer is niet hebben gekregen. Maar ik kreeg die kans wel. Ik ben een gelukkige hater van het communisme, verzadigd overlever van de honger, bewoner van vijfendertig vreemde huizen – zonder de kamers van mijn internaat mee te tellen – met een eigen huis nu, en mijn kind – dat vandaag ging surfen om van de zomerse dag te genieten – is van mening dat ik af en toe best een ‘chille’ moeder ben. Mocht je nu denken dat ik aan het opscheppen ben, wil ik je vertellen dat mijn man zijn eigen versie heeft van hoe ik eigenlijk ben, maar helaas voor hem zit hij nu thuis en sta ik hier op te scheppen.

Toen ik naar Nederland kwam, waren het niet de zomers die mij intrigeerden, niet de regen, maar de winters. De winters zonder sneeuw. De Nederlandse zomers doen al twaalf jaar hun best om mij het gevoel van thuis en geluk te geven. En ik kan niet zeggen dat hun dat niet gelukt is. Zomers hebben immers intrinsiek het idee van geluk en pret, en als ik jullie zou vragen wat jullie deze zomer gaan doen zouden jullie zo’n beetje hetzelfde zeggen: Italië, Zuid-Frankrijk, Texel, een nieuw huis, dus geen vakantie deze zomer, strand, verre reizen, vrienden.

Maar geen van jullie zal zeggen: ‘Morgen moet ik om vijf uur wakker worden om een dag in de rij voor olie te gaan staan. Het wordt heel warm, want het is eind juni, het wordt veertig graden en omdat ik de rij niet uit mag, niet eens om naar de wc te gaan, zal mijn rechterwang verbranden eer het twee uur in de middag is; ik zal namelijk aan de kant waar de zon opkomt staan. Zonnebrandcrème bestaat niet in een land zonder brood en als ik even in de schaduw zou willen staan, verlies ik mijn plek in de rij en krijgen we geen vieze, bruine olie, die uit grote tonnen in een fles wordt gedaan.’

Nog steeds herinner ik me die geur van hete olie, want ook de tonnen stonden in de zon, en ik bedenk nu dat niemand in de rij het in zijn hoofd haalde om zich in te smeren met die olie, daar, in de zon, omdat we slechts eens in de maand olie kregen, een halve liter per persoon.

Maar als ik mijn taak volbracht en om vier uur met olie thuiskwam, mocht ik misschien naar de heuvels en dan lag ik daar tussen de bloemen urenlang te kijken naar de perfect blauwe hemel en regelmatig vroeg ik hem: ‘Blauwe, perfecte hemel, wat heb je voor mij in petto?’ De lucht trilde van spanning en elke keer kwam ik tot de conclusie dat me een fantastisch leven wachtte!

Ik ben geboren in een dorp, aan de voet van de Karpaten. Als kind moest ik hard werken, in huis en buitenshuis, iets wat vandaag de dag kinderarbeid heet. Niet alleen ik, ook al mijn nichten en neven. We werkten hard, we werden geslagen, verwaarloosd. En als ik niet in de rij moest staan, op mijn zevende, moest ik naar het veld. Daar rende ik dan heen met een mand groter dan ikzelf, het gras was nog nat van de dauw en door die dauw gleden mijn slippers van mijn voeten, mijn hielen schoten door de voorkant van de slippers en zo rende ik, met mijn slippers aan mijn enkels, praktisch blootvoets, tussen de bietstruikjes door. Ik plukte de onderste bladeren, zodat de biet nog kon doorgroeien. Wanneer de mand vol was, zette ik hem vast op mijn heup en zo rende ik tussen de klissen door, die hoger waren dan ikzelf, terug naar het erf, waar ik vervolgens het vuur aanmaakte en eten voor het varken en de kippen kookte. Met mijn knie brak ik takken, die ik op het vuur legde, en wanneer de zon eenmaal hoog aan de hemel stond trilde ik van vermoeidheid en voldoening omdat ik al de helft van het werk gedaan had. Het werk was zwaar, de rook verstikte me, de mand was zwaar, maar de dauw van de zomerochtenden waar ik door naar de op tien minuten van het huis gelegen moestuin met bieten rende, de klissen waarvan ik een hoed maakte die me moest beschermen tegen de zon, het op blote voeten door het dichte, hoge gras lopen, de waterput in wiens weerspiegeling ik me vluchtig bekeek, de mussen die sneller door de lucht buitelden dan ik door het gras, de geul die voldaan borrelde, de schaduw en de hitte, de kersen van de kersenboom, de rijpe peren, de rust van het middaguur, de zomers hebben mij gered.

Bloemen plukken voedde mijn ziel, wiste mijn tranen. Ik had nooit genoeg vazen voor alle bloemen die ik mee naar huis bracht. Ik zette ze daarom in potten en emmers. Olie hadden we niet, vlees hadden we niet, we waren bang voor de Securitate, we waren bang om te praten, zo zag onze werkelijkheid eruit, of het nu zomer was of winter.

’s Zomers gingen we grasmaaien, op heuvels ver van huis, ’s ochtends vroeg. Dan liepen we langs de beek, tussen de baden die het water in de rotsbodem had geslepen. We beklommen de heuvels en met onze zeisen vloerden we het gras. Mijn maag kwam in opstand en zachtjes gaf ik over, alleen het water dat ik had gedronken, achter een rozenbottelbos. Ik ging languit liggen op het vers gemaaide gras, ik duizelde, papa verontschuldigde zich bij de anderen dat hij zo’n dochter had, die het zware niet aankon. Ik kreeg van het voedsel dat was bestemd voor de lunch, vlees in reuzel van vorig jaar, ik zag de afkeurende blikken omdat ik niet in staat was om het tot twaalf uur vol te houden. Ik zocht een pruimenboom vol pruimen en at pruimen om mijn maag te vullen. De pruimenboom was veel jonger dan ik en hing vol paarse pruimen en keek niet boos wanneer ik ze afbrak en in mijn mond stopte.

De zomers hebben mij gered, maar het was ook in de zomer dat ik begreep dat er niemand meer was op wie ik kon rekenen, dat ik mezelf hoe dan ook moest redden. Ik was veertien, ik zat al een jaar in het internaat en in de eerste zomervakantie ging ik niet naar huis. Eigenlijk ging ik wel, maar ik kwam tot de ontdekking dat ik er geen kamer meer had, mijn moeder had al mijn spullen weggegooid. Ik was niet meer welkom. Toen ging ik terug naar het internaat. En dat was leeg, want iedereen was naar huis. Ik had dus tweehonderd lege kamers voor mezelf, geen geld, geen eten en ik kende niemand in de stad. Om tien uur was het al heet buiten en ik had constant honger. Ik ging naar de markt en pikte er kersen en in lades in de andere kamers ontdekte ik oud, beschimmeld brood. Ik raspte de schimmel eraf en smeerde er vervolgens mosterd op. Die weken bleef ik vooral binnen, niemand in de stad waagde zich tussen elf en zeven uur in de hitte buiten.

Mijn laatste zomer in Boekarest was ondraaglijk heet. Mijn dochter was nog een baby, ik sliep niet meer, ik kon niet eens ademen en we vertrokken naar het land van mijn man. Ik herinner me dat ik later geen antwoord op de volgende vraag had: Maar als we niet waren vertrokken, hoe had ik dan verder moeten leven in die hitte?

Wat een raar verschijnsel een zomernacht is, heeft Shakespeare ons verteld. Van hem weten we dat in een zomernacht alles mogelijk is.

Maar uit mijn eigen ervaring weet ik dat er geen geschikter seizoen is om kinderen te verwekken dan de zomer. Je zou denken dat winters mensen bij elkaar brengen, maar lees dan Shakespeare nog eens. Die ene zomer in Griekenland na onze bruiloft staat op alle manieren in mijn geheugen gegrift, maar vooral als de zonder-condoomzomer. En dat hoef je niet aan Shakespeare te vragen. Wat hete huid, heet speeksel en ander heet vocht met een mens, met twee mensen om precies te zijn, kan doen, heeft voor mij een naam: Eva-Linda, mijn dochter.

Net zoals bij Shakespeare kun je een rare aandoening oplopen in de hitte van het Griekse vasteland en die van mij had veel weg van nymfomanie. Aldus mijn geïrriteerde, kersverse echtgenoot, die niet elke dag hetzelfde wilde doen, seksen, maar ook bergen beklimmen. Onnodig om te zeggen dat die bergen geen kans hadden. Jaren later heeft mijn man gezegd dat hij die aandoening van Griekeland best dankbaar is, aangezien we andere zomers hebben meegemaakt, zonder hetzelfde resultaat. De ene zomer is dus de andere niet.

Het was zomer toen mijn dochter als baby voor het eerst een banaan proefde, het was zomer toen ik hoorde dat mijn opa was overleden in het gras, in de hitte, naast zijn paard. Voor ons wordt het een mooie zomer, voor anderen hun laatste of hun eerste, die zij zich nooit zullen herinneren. Sommigen maken een eeuwige zomer mee, kampen met het waterprobleem, sterven in de woestijn, kruipen in de hitte en hopen dat het paradijs een regenwoud is.

Wij mogen hier de zomers meemaken die wij willen. Dus: wees dankbaar en vergeet niet te genieten van je zomer!
21 juni 2017

Huwelijk

Toen ik jaren geleden openbaar maakte dat ik ging scheiden, was dat niet alleen een shock voor degenen die het nieuws hoorden, maar ook voor mezelf. Schokkend voor mij waren ook de vele verhalen over moeilijke huwelijken, ontrouw en overspel die ik half en heimelijk te horen kreeg van mensen die tot dan toe de schijn van een perfect huwelijk hadden opgehouden. Ik krijg nog steeds rillingen van de trots waarmee een kennis van me over zijn vrouw praat, want de trots werd groter en groter na herhaaldelijke ontrouw. Bestaan er perfecte huwelijken? Nee, zeg ik meteen. Misschien bestaan er goede huwelijken, hoewel ik geen idee heb wat een goed huwelijk precies inhoudt.
Ik ben voor de tweede keer met dezelfde man getrouwd. Iemand zei vorige week: ‘Dat is pas liefde!’ ‘Ik hoop het,’ antwoordde ik en iedereen lachte omdat ik aarzelde. Ik lachte zelf ook mee, want het was niet het moment om een uitgebreid verhaal te doen. Ik ben een volwassen vrouw, emigrante, moeder, schrijver, et cetera, maar ik heb intussen begrepen dat het grootste avontuur van mijn leven mijn huwelijk is. Dus niet de emigratie, niet de nieuwe taal, mijn baan of mijn nieuwe roman, maar mijn huwelijk.
Toen ik voor de tweede keer ging trouwen en we met zijn drieën – mijn man, onze dochter (twaalf jaar oud toen) en ik – in de auto onderweg waren naar het stadhuis, kreeg ik bijna een paniekaanval. Mijn dochter, de nuchterste van ons allemaal, zei: ‘Mam, doe normaal, je doet dit niet voor de eerste keer.’ Zo gezegd, zo gedaan.
Ik kan niet zeggen dat er veel veranderd is in hoe we nu met elkaar omgaan. Op een bepaalde manier blijven we die twee jonge mensen van bijna twintig jaar geleden die geen idee hadden waar ze aan begonnen. Wat ik dacht na mijn eerste huwelijk? Niet veel, ik luisterde naar mijn hart. En nu weer.
De eerste ruzie van ons tweede huwelijk herinner ik me niet meer. Wel de afterruzie: we liepen getweeën naar de markt, vijfhonderd meter van ons huis, over een gewone, vlakke weg, maar in mijn herinnering liepen we een berg op. Ik merkte dat mijn man zijn trouwring niet om had en ik vroeg hem wat er was gebeurd, we waren juist zo trots geweest dat we de ringen van ons eerste huwelijk nog hadden. Mijn man zei niets, maar uit zijn borstzak haalde hij iets tevoorschijn en liet het me zien: een haarspeldje, dacht ik. Maar ik draag toch geen haarspeldjes? Toen begreep ik het: het was geen haarspeldje, het was zijn trouwring! Na de ruzie had mijn man hem samengeknepen, plat gemaakt. Ik zei niets, maar op dat moment wist ik dat ik de gewone regels van een huwelijk moest vergeten. Misschien heeft een huwelijk iets van een sport waarbij de regels tijdens het spelen worden gemaakt. Een sport die alleen met zijn tweeën gespeeld kan worden.
Den Haag Centraal, 15 juni 2017

Kattenbak

Ik had mezelf beloofd om twee dagen achter elkaar binnen te blijven, vanwege deadlines. Maar mijn vriendin wilde telefonisch niet vertellen wat er aan de hand was en daarom sprak ik toch met haar af bij Bagels&Beans. Ondanks het dadelgebak dat in porties gedeeld op de toonbank stond, zat ik klaar om haar verhaal aan te horen.
Dat het over haar man zou gaan, daar twijfelde ik niet aan, ik was er al lang van overtuigd dat een realityshow over haar en haar man de kijkcijfers van Jinek zou overtreffen. In telegramstijl stak ze van wal: ‘Weer ruzie, hij weer weggegaan’. Het leek me iets te telegrafisch, zelfs na een heftige ruzie, en dus keek ik heimelijk naar het dadelgebak en vertaalde voor mezelf: ‘Dus je man is weg?’ Ik was niet zo Nederlands om gelijk te vervolgen: ‘Heel goed. Geniet, ga scheiden, zoek een betere!’ en was voorzichtig: ‘Naar zijn werk? Of even wandelen?’ De Griekse tragedie die van haar gezicht af te lezen viel, kon ik niet spontaan in ‘The Bold and the Beautiful’ veranderen en dus vergat ik het gebak maar even en wilde alle details horen: ‘Sofia (hun dochter van 4) is bij de buurvrouw, hij (de man) neemt niet op, ruzie.’ ‘Waarom?’ Ze moest een minuut lang nadenken: ‘Hij maakt de kattenbak nooit schoon.’
Aha! Eerst stelde ik haar gerust: ‘De hoeveelste keer is het dat hij weggaat midden in een ruzie?’ Ze knikte. Daarna overtuigde ik haar om samen het grootste portie dadelgebak te delen. Toen ik net dacht dat het koor van de Griekse tragedie niet meer te horen was en ik bedacht dat ik het laatste portie dadelgebak op de toonbank voor thuis wilde kopen, vroeg mijn vriendin met dezelfde angst in haar ogen als Janet Leigh in ‘Psycho’: ‘En als hij deze keer niet terugkomt?’
Mannen, vooral het soort dat de kattenbak niet schoonmaakt, zeggen me niet zoveel. Maar met hun vrouwen heb ik te doen.
‘Wat is er deze keer anders?’
‘We stonden boven ruzie te maken, naast de kattenbak. En toen ging hij weg. En ik ben het zat dat hij altijd weggaat als we ruzie hebben en dus, toen hij onderaan de trap was aangekomen, pakte ik die bak op, zwaaide hem over het traphekje en maakte hem open. En al dat vieze zand viel op zijn hoofd!’
Ik heb fantastische vriendinnen, niet veel, maar elke vriendin buitengewoon op haar eigen manier.
‘En?’ vroeg ik nog, hoewel ik het belangrijkste nu al wist.
Het koor was al verleden tijd. Ik kon de melodie van The Bold and the Beautiful al horen. ‘Niets, maar ik hoorde Sofia lachen. Ze had alles gezien en ze vond het grappig, ze dacht misschien dat we een spel deden.’
Niet alleen mijn vriendinnen zijn bijzonder, ook hun dochters.
Den Haag Centraal, 8 juni 2017

Stom(er)
Ik heb een stomer gekocht. Een kledingstomer welteverstaan. Niet de duurste, ook niet de goedkoopste. Omdat mijn beste witte bloesje grijs was geworden toen ik het liet stomen bij de stomerij. En dat was al de tweede stomerij die iets stralend wits grijs had gemaakt. Het was dit merk ‘niet-dure-niet-goedkope kledingstomer’ geworden omdat dit model het enige van de tweehonderd stomers die ik op internet had bekeken was waarbij in de beschrijving uitdrukkelijk stond vermeld dat je nu niet meer naar de stomerij hoeft. En daar stond ik dan, met de stomer in mijn hand, de aangegeven 45 seconden te wachten tot het water ging koken en de stomer zou gaan werken. Bij seconde 30 was ik mijn geduld met de stomer én mezelf kwijt en vroeg ik me af of het niet tijd was om de ware reden van de aankoop te onthullen.
Een paar maanden geleden was ik zo boos op mijn man geworden dat ik geen woord kon uitbrengen om hem duidelijk te maken hoe boos ik wel was. Wat deed ik dus: ik gooide al zijn kleren op een hoop, boven op de overloop. Dat was sneller gedaan dan die 45 seconden die de stomer nodig had om te werken. En omdat ik geen vuur in huis kon maken en onze open haard buiten bedrijf was, ging ik naar de koelkast en pakte alle vloeistoffen die we hadden: alleen chocomelk en sinaasappelsap, want de rode wijn was net op. Eerst goot ik de chocolademelk over al die gekleurde jongensachtige Zara-broeken. De chocomelk was snel op. Daarna het sinaasappelsap, over de mooie witte wollen trui met zwarte Roemeense motieven. Ik herinnerde me dat ik geld van een vriendin had geleend toen ik hem kocht, want zelf had ik niets bij me. Toen de pakken leeg waren, smeet ik de bevuilde kleren van het balkon. Alleen was het effect dat je in films ziet bij mij minder, want ze belandden, met één uitzondering, allemaal in de tuin van de buren. Ik kan niet zeggen dat het me echt kalmeerde, dus: probeer dit niet thuis! Kom bij zinnen en bespreek wat er besproken moet worden. Want je had mij moeten zien toen ik begreep wat ik had gedaan! En dat duurde lang, de stomer had het water wel honderd keer gekookt. Je had me moeten zien hoe ik van een ladder in de tuin van de buurman sprong en de kleren terug viste, ik zag hem kijken vanachter het raam, maar hij zei niets en mede daarom is hij een fantastische buurman. Ik had het geluk dat ik twee wasmachines heb: een voor ons en een tweedehandsje waar ik de kleedjes van de hond en kat mee was. Dus het wassen ging snel, maar het strijken was een hel. Toen besloot ik dus om een stomer te kopen. Just in case. But don’t try this at home. It could be dangerous.
Den Haag Centraal, 1 juni 2017

Bijdrage voor’De Nacht van de Europese Literatuur’, Amsterdam, 10 mei 2017:

Acasa
Acasa doet pijn. In mijn eigen taal, die ik tegenwoordig slechts af en toe gebruik, doet het woord veel meer pijn dan in alle andere talen. In mijn, chronologisch gezien, tweede taal, die ik de laatste jaren echter als eerste spreek, doet het woord doorgaans geen pijn. In het Nederlands geeft het woord ‘thuis’ mij, ontheemd vanaf mijn dertiende, juist een soort comfort en gevoel van veiligheid. Of het klopt? Zo hoort het, denk ik. Maar acasa, het woord in mijn moedertaal dat ooit ruimte voor mij in het universum heeft gemaakt, dat woord bestaat niet meer. Voor mij niet, het is me precies dertig jaar geleden afgenomen en nu, na zo vele jaren zonder, vorder ik het niet meer terug. Ik heb het niet meer nodig. Ik heb geleerd om mezelf te redden zonder acasa.
Vanaf mijn dertiende heb ik in 35 verschillende huizen gewoond. En dan tel ik mijn internaat in Roemenië, waar ik gedurende zes jaar in meer dan tien kamers heb gewoond, nog niet eens mee. Wat ik me herinner is veel angst, vooral in de nacht, meestal in de nacht. Ik herinner me mijn hart in mijn keel, in elke vreemde kamer die een tijdje mijn acasa moest voorstellen. Het verlangen naar acasa was na mijn dertiende enorm, want acasa was mijn dorp aan de voet van de Karpaten, het dorp waar je nooit iemand passeerde zonder met hem te praten en te informeren naar zijn gezin, waar je iedereen kende en vertrouwde, want je was zelf ook een van daar, een van hen, van het dorp. Acasa waren ook de velden, vol wilde bloemen in de zomer, de overweldigende winters, acasa waren oma en opa.
Tijdens mijn eerste jaar in het internaat vluchtte ik regelmatig terug, midden in de nacht, acasa. En elke keer stuurde mijn vader mij weer terug, midden in de nacht. Acasa was waar mijn vader en moeder zaten te eten, vuur in de kachel maakten en de dieren voerden. Acasa was waar ik niet meer bij hoorde, niet eens in het kippenhok of varkenskot, acasa was ik niet meer welkom. Acasa begon zoveel pijn te doen dat ik elke nacht uren lang huilde tot ik acasa uit mijn ziel sneed, nacht na nacht. Acasa werd bewaakt door mama en papa, en ik was niet meer gewoon hun dochter, ik was nu hun dochter die juffrouw moest worden en acasa kon dat niet. Om acasa uit mijn ziel te verbannen heb ik veel verstandige en vooral onverstandige dingen gedaan. Jarenlang, tot acasa een tumor werd die niet geopereerd kon worden, omdat de patiënt tijdens de operatie zou overlijden.
En op een dag kwam ik in Boekarest op de universiteit een Nederlander tegen, voor wie het woord acasa niet veel betekenis had en zeker geen gevaarlijke tumor was. Het woord betekende voor hem vooral geen pijn. Het leek alsof hij makkelijk zonder acasa kon leven. Misschien hoopte ik dat hij dat mij ook zou leren. Hij kwam met de trein via de Kaukasus en stopte bij mij. We kregen een dochter en toen zij twee jaar oud was, verhuisden we naar Nederland; mijn Nederlandse man miste namelijk het water. Zo zie je maar dat acasa ook zonder tumoren een bijzonder woord is. En zo werd Nederland, nolens volens, ‘thuis’. ‘Thuis’ bleek het ook niet makkelijk, met een echtscheiding na zeven jaar en vervolgens een tweede huwelijk met diezelfde Nederlander. Het Roemeense woord acasa bestaat voor mij niet meer, maar doet nog wel pijn, als een geamputeerd been dat nog steeds jeukt. Ik woon nu precies twaalf jaar in Nederland en heb het leven opnieuw opgebouwd. Met minder dromen, nuchterder. Als mijn man zijn armen voor mij opent, voel ik me thuis, maar mijn eigen thuis vaststellen is niet meer aan de orde. Het is net die mooie jurk die ik twintig jaar geleden had moeten kopen.
Ik voel me goed, op mijn gemak en gelukkig (dat voel je als je thuis bent, neem ik aan) als ik naar mijn dochter kijk. Thuis is voor haar thuis. Thuis is voor haar gewoon thuis. Thuis is voor mijn kind gewoon thuis, zoals het hoort. Thuis bestaat en mijn kind heeft een thuis. Als een mantra zal ik dat altijd blijven herhalen. Thuis bestaat, het is niet moeilijk om het te hebben en mijn kind heeft een thuis. Dit is mijn mantra. Thuis bestaat en mijn kind heeft een thuis.
Op mijn werk organiseerden we nog niet zo lang geleden een gespreksavond over Oost-Europa, waar ik vandaan kom. Het was niet makkelijk om me in te houden tijdens het debat. Ik heb toen een vurig gedicht geschreven voor… Lief Oost-Europa en de hele nacht gehuild. ‘Don’t cry voor me, lief Oost- Europa, ik leef nu in het Westen, maar ik red me wel,’ schreef ik, half ironisch.
Daar, acasa. Daar in Roemenië. Daar in Oost-Europa. Want ik ben een van de gelukkige gevallen, zonder acasa, maar met een thuis. Een week geleden stond ik ’s morgens vroeg in Brugge op een taxi te wachten. Ik haastte me naar het Concertgebouw, om aan een publiek mijn verhaal te vertellen. En ineens zag ik hem, honderd meter voor me. Hij was dun, lang en donker en kwam zichtbaar uit een land waar de even mooie, lange vrouwen zware dingen op hun hoofd vervoeren. Hij zeulde een koffer achter zich aan, stopte en keek naar mij. Hij was geen toerist, toeristen hebben nooit zo’n vraag in hun ogen. Hij zag eruit alsof hij helemaal niet had geslapen. Kwam hij van een bootje? Ik stond daar, in mijn witte jas, op hakken, klaar om Brugge mijn verhaal te vertellen. Had hij gegeten, had hij papieren bij zich? Zouden ze hem terugsturen, zou hij het redden? Waar was zijn thuis? Waar had hij zijn acasa achtergelaten? Ik had hem nooit van zo dichtbij gezien: de vluchteling. Zullen zijn kinderen ooit een thuis hebben? Waar ging hij naartoe?
Niet… naar huis.

Je man naar de psycholoog
Ik ging uit eten met een vriendin die iets te vieren had. Aan de telefoon wilde ze niet vertellen wat precies, maar aangezien ze haar geheim wilde vieren, moest het wel iets positiefs zijn. En dus zagen we elkaar weer in hetzelfde restaurant op de Denneweg waar je ’s maandags onbeperkt cava mag drinken. Om het te vieren. Onderweg naar het restaurant bedacht ik een paar vierenswaardige redenen. Nieuwe baan? Ze had recentelijk promotie gekregen, dus dat kon het niet zijn. Zwanger? Dan hadden we niet ergens afgesproken waar de cava rijkelijk vloeit. Het overlijden van haar schoonmoeder dan? Dat kon niet een tweede keer, zover ik weet, en de viering van de eerste dood herinner ik me nog, wat na zoveel cava echt een wonder is. Dus ook dat niet. Afgevallen, probeerde ik nog, maar toen ik haar bij onze tafel zag zitten, wist ik dat ook dat het niet was.
Wat dan wel?
‘Eerst een glas,’ hield ze me in spanning. En toen kwam het: ‘Mijn man gaat naar de psycholoog.’ Ik keek naar haar en bedacht dat ik deze titel niet kende, ik, die nieuwe titels bijhoud, maar met haar wijsvinger wees ze naar zichzelf en daarna duwde ze mij, met dezelfde vinger. Ik wilde sterk zijn, voor allebei. Het zou een lange avond worden. Dat met ‘naar de psycholoog gaan’ bespraken ze al een tijdje, zei ze. Ik trok mijn beide wenkbrauwen op, van verwondering. ‘Want je weet: het laatste jaar was moeilijk.’ Ik zei niets, maar bedacht dat het overlijden van de schoonmoeder misschien moeilijk te verwerken was geweest. Dat ze vaker dan ooit ruzie hadden, vervolgde ze. Dat kende ik, en ik keek om me heen: wie niet? Maar het restaurant was leeg, ’s maandags om 17 uur, en dat herinnerde me eraan dat we daar waren om te vieren. Was ik niet blij voor haar? Ik hoopte dat dat na drie glazen van de beste Spaanse bubbels niet te merken was. Want dat met ‘je man naar de psycholoog’ is voor mij als voor het eerst aan de loterij meedoen. En toch is er meer kans dat je de loterij wint dan dat je man ook een tweede keer naar de psycholoog gaat. Om van een derde keer maar niet te spreken: alsof je in je leven drie keer een zonsverduistering meemaakt, wat onmogelijk is. Als je geluk hebt maak je er één mee. Maar dat zei ik niet tegen haar. Ook niet dat ze er niet al te veel van moet verwachten, na het overlijden van de schoonmoeder. Maar ook niet dat ik me heel goed de eerste en enige keer herinner dat mijn eigen man naar de psycholoog ging: hij kwam thuis en ik vroeg, als altijd vol begrip, liefde en geduld: En?
‘De psycholoog zei dat jij waarschijnlijk een borderliner bent.’
En mijn schoonmoeder leeft nog.
Den Haag Centraal, 25 mei 2017

600 mensen

Deze week was ik weer in Brugge. Ditmaal voor een literair festival, dat geen betere eerste editie had kunnen hebben: zeshonderd mensen bij de opening! Zeshonderd mensen in het Concertgebouw, dat is gebouwd toen Brugge de culturele hoofdstad van Europa was (2002). Voor even was Brugge in mei de literaire hoofdstad van de Lage Landen, tijdens het gloednieuwe literatuurfestival Bru∙Taal. Voor een literair evenement is zeshonderd mensen een groot aantal. Cees Nooteboom is immers geen Armin van Buuren en Sandro Veronesi geen Lady Gaga. In Brugge is het toeristenseizoen al in april begonnen en het afgelopen weekend, onderweg in de taxi die mij van het station naar het hotel bracht, was ik er een paar keer van overtuigd dat mijn taxi toeristen had aangereden. Ik weet niet hoeveel toeristen er jaarlijks naar Den Haag komen, maar ik zou er graag meer willen zien. Meer toeristen die lekker hun geld komen uitgeven in Den Haag. Ik zou ook festivals willen waar zeshonderd mensen komen bij de opening, ik zou Veronesi door de Javastraat willen zien lopen en Tim Parks op het Plein bier zien drinken. Ik hoorde dat Veronesi een Brugse buurtkroeg binnenstapte en de caféhouder spontaan uitriep: “Wauw, Sandro Veronesi in mijn café!” Je zou bijna denken dat het een mop voor intellectuelen is, maar het gebeurde echt! En toen bedacht ik dat ik in januari met Michail Šiškin in Luden op het Plein zat en er niemand in extase riep: “Wauw, de grote Michail Šiškin in mijn café!”
Brugge is een kleine stad, zonder industrie, een stadje dat nog in een bubbel van de tijd lijkt te leven. Maar wat voor bubbel! Een waarin zeshonderd mensen naar de opening van een literair festival komen! En onder hen de burgemeester, een gepassioneerd lezer, terecht een opvolger van de Brugse stadsbestuurders uit de vijftiende eeuw die kunstenaars als Jan van Eyck opdrachten gaven. Want artiesten kregen toen niet alleen opdrachten van de adel en de burgerij, maar ook van het stadsbestuur. En daarom kunnen we vandaag de dag genieten van de Vlaamse primitieven. Toen ik dat in het Groeningemuseum las, moest ik weer aan Den Haag denken. Want hoe zullen onze nakomelingen over vijfhonderd jaar ons Den Haag zien? Wat zijn de grote opdrachten die de kunstenaars kregen en die mijn achterachterkleinkind zullen vertellen wie wij waren? Wat moet je doen om zeshonderd mensen bij de opening van een literair festival te krijgen? Waarom sturen wij de kunstenaars de vesting (lees: Den Haag) uit en willen we niet juist meer en meer en meer kunstenaars in de vesting? Waarom vertrekken de kunstenaars zelf? Ken je het antwoord? Suggesties zijn welkom!
Den Haag Centraal, 18 mei 2017

Het verhaal van Laura
‘Ik wou bij de Marokkanen horen, want die vond ik stoer,’ zei de 21-jarige Haagse Laura Hansen in de krant. De pers duidt haar aan als ‘jihadbruid’ en eigenlijk de enige die haar nog vertrouwt, is haar vader. De ‘dolblije vader’ wordt hij in de pers herhaaldelijk genoemd, en je leest dat hij voor Laura’s vrijlating 10.000 euro heeft betaald. En ook dat hij haar weer ‘normaal’ vindt. Het Openbaar Ministerie is kennelijk van mening dat Laura in opdracht van IS terug is gekomen en houdt haar voorlopig in de hechtenis. Het bekende verhaal: een lastige puber. Maar de vader nuanceert die versie: Laura kwam terecht in een circuit van loverboys en zijn grote ‘vreugde’ was om haar uit hun klauwen weg te halen. Als je het verhaal leest, begrijp je dat het leven van dat meisje in een soort stroomversnelling was geraakt: ze is nu 21 en heeft al twee kinderen: een van vier en een van bijna één. Haar broer overleed op zijn vijftiende, haar ouders gingen uit elkaar, zij werd na de scheiding van haar ouders het huis uitgezet, er waren loverboys in het spel, er kwam een eerste kind, de vraag bleef: waar is de eerste man? Er kwam een tweede kind, met een andere man, die haar mishandelde. En deze opeenvolging eindigde met radicalisering en het afreizen naar Syrië. Het zijn allemaal gebeurtenissen van een heel leven, maar Laura is pas 21. En de verteller van haar levensverhaal is de vader, die haar ‘stoer’ vindt, omdat het haar gelukt is om te ontvluchten. Als hij haar op tv ziet, vindt hij dat ze ‘mager oogt’.
IS, radicaliseren, Allah, het komt op mij over als de sekte van Charles Manson, maar dan tot de duizendste macht. Als ‘Homeland’, maar dan in het echt. Met Homeland kijken ben ik gestopt na de dood van Brody; het terrorisme interesseerde me niet, wanneer heeft de geschiedenis ooit om de mens gegeven? Ik hoopte dat die bipolaire Claire en de zwaarbeproefde Brody na drie seizoenen eindelijk lang en gelukkig zouden leven. Maar het ging mis.
Mis ging het ook in het liefdesverhaal van Laura. Aan de rechter vertelde ze dat ze begrepen had wat een ‘monster’ de Islamitische Staat is, nadat ze had gezien hoe vrouwen door IS worden behandeld. Het klinkt alleszins redelijk, als je even vergeet dat zij zelf in Nederland werd mishandeld door haar man en als je haar loverboy-episode onder het tapijt schuift. Er zit nog veel onder het tapijt in het verhaal van Laura. De vader zweert dat ze nu weer normaal is, maar hoe normaal kun je zijn als je net aan IS bent ontsnapt en je man is opgepakt in Irak? En wat is weer ‘normaal’ na zo’n turbulent leven als dat van de 21-jarige Laura? Immers: ‘normaal’ moet je kennen om het ernaar te kunnen streven.
Den Haag Centraal, 11 mei 2017

Maggie terecht!

Vanaf het moment dat er in de pers stond dat een meisje van zestien uit Amerika naar ons landje was gelokt, kon ik niet goed meer slapen. Want de pers schreef dat ze helemaal vanuit de VS naar Den Haag was gereisd en ik vond het wel opmerkelijk dat ze zich juist hier wilde verstoppen. Voor wie? Op haar zestiende haar familie ontvlucht met een paspoort van een jonger zusje. Via IJsland naar Nederland gevlogen en van Schiphol naar Den Haag gereisd. Het was haar gelukt om met een vals paspoort een paar grenscontroleurs te slim af te zijn. Hoe was ze aan het geld voor de tickets gekomen? Ze was immers niet door een oude, vieze man gedrogeerd om in het vliegtuig te stappen en meegesmokkeld, nee, ze was in haar eentje gekomen, via IJsland. En was er niemand bij een van de paspoortcontroles die haar vroeg wat ze in Nederland kwam doen? Zei ze – zo onschuldig als ze op de foto lijkt – dat ze een tante in Den Haag kwam bezoeken? En antwoordde de marechaussee soms: “Welkom! Onthoud dat het komende zondag lekker weer wordt, dus neem je tante lekker mee naar Scheveningen!” En? Zat ze intussen in de Schilderswijk met een verbod om naar buiten te gaan of op Hollands Spoor te huilen omdat de kinderlokker haar niet kwam oppikken zoals ze op Facebook hadden afgesproken? Misschien zat ze wel ergens in mijn eigen wijk opgesloten! Met Maggie in mijn gedachten maakte ik meer rondjes met de hond door de wijk dan ik normaal doe, om alert te blijven. Want er schiet van alles door je hoofd als je leest dat er weer een meisje… weer iemand via internet… weer een wanhopige moeder achtergebleven… En toen zag je haar ineens op Koningsdag in Den Haag, helemaal uit Tennessee, tussen al die Oranjefans: de wanhopige moeder met een – volgens mijn Oost-Europese oor – Oost-Europees accent, wanhopig op zoek naar Maggie met haar Aziatische uiterlijk. Natuurlijk kan dat, zei ik tegen mezelf (afkomstig uit een dorp), maar ik zag ook meer dan dat. Ik zag meer dan moeder-dochterproblemen. Een gescheiden moeder, die uitgeput oogt en niet alleen door het gedoe met haar kind dat regelmatig het huis probeerde te ontvluchten. Twee dagen later las ik dat Maggie was gevonden. Niet in Den Haag, maar in… Zwolle. De opgeluchte moeder wachtte op haar, maar de Nederlandse politie hield haar nog een dagje vast. De moeder had de politie uitdrukkelijk gevraagd om het meisje te testen op zwangerschap en drugs. Alle kranten schreven erover en ik vermoed dat dit de procedure is. Toch had ik meer gehoopt op een zin als: ‘Ik kan niet wachten tot ik haar in mijn armen houd’ of ‘ik wil haar naar huis brengen’. Ineens moest ik denken aan de pedagoge in mijn internaat in de tijd van Ceaușescu. Alleen bestonden er toen geen drugstesten.
Den Haag Centraal, 4 mei 2017

Mastroianni in de tram
Mijn dagelijkse portie maatschappijdeelname haal ik in de Haagse tram. Ik ben geen fietser, wel een ‘trammer’ zo je wilt. En de mooiste maatschappelijke vertoningen en openbaringen zie je niet op een Wassenaarse kruising tussen twee Lamborghini’s, maar in tram 1, 16 of 15, daarvan ben ik overtuigd.
Zo zat ik vandaag tussen mijn tassen verstopt in tram 1 en mijn enige dilemma was of het wel of niet een goed idee was om in mijn schoudertas mijn oortjes te zoeken. Dat kon geen makkelijke operatie zijn, aangezien mijn vingers aan de andere tassen vastzaten. Het was maar goed dat ik nog twijfelde, want voor me, aan de overkant van het gangpad, begon juist een discussie over eten, perfect voor een maag die rammelde, zoals de mijne.
Een heer die van achteren – ik zag alleen zijn achterhoofd – heel werelds leek, overtuigde een Haagse lady ervan dat ‘carciofi’ (artisjokken) heel lekker kunnen zijn als je ze weet te bereiden. Hij sprak twee woorden in een muzikaal Engels en twee in het Italiaans, kennelijk zijn moedertaal. Nog eens vier vrouwen op de stoelen voor hen zaten schuin, gereed om hun zware lichamen naar Mastroianni te draaien. Aan het gezicht van de dame, een prettig gezicht dat toonde dat er niets mis hoeft te zijn met make-up op latere leeftijd, zag je dat ze allang overtuigd was. Haar dunne lippen, die groter leken door haar wonderbaarlijke lippenstift, bewogen geagiteerd; ik bewonderde haar groene, stralende ogen en hoopte dat ze die niet zou sluiten om daar, tussen hun rijke mascara, de onverwachte catharsis voor altijd vast te houden. Ik was niet de enige die van het schouwspel genoot.
Naast de man die na elke drie woorden het magische ‘carciofi’ zei, zat nog een man, van wie ik ook alleen het achterhoofd zag. Ik zag ook meteen dat de natuur met het zijne minder genereus was geweest dan met dat van zijn buurman. Daarvan was hij zich ook bewust; dat begreep ik toen ik zijn gezicht zag. Zijn oren, gehuld in een sinds de winter op zijn hoofd vergeten muts, wilden duidelijk niet luisteren naar de carciofi-aria, zijn ogen weerspiegelden de jaloezie van iemand die nooit zo’n prestatie zou kunnen leveren: de halve tram, zeker de vrouwelijke kant daarvan, veroveren met één twijfelachtig woord, in twijfelachtig Engels.
Ik was niet nieuwsgierig naar hoe de Italiaan eruit zag; ook zonder zijn gezicht te zien was ik er al van overtuigd dat Italië, uitgezonderd Berlusconi, alleen maar Mastroianni’s aan de wereld schenkt. Ik genoot juist van de andere gezichten, van de vrouw tegenover me, die bij de Oudemansstraat, na lang zwijgen onze Mastroianni in een behoorlijk Italiaans vroeg of hij ooit poffertjes gegeten had. Zij kende namelijk wel een goede poffertjestent…
Den Haag Centraal, 27 april 2017

AfterPasen

Geen ander feest in Nederland herinnert me sterker aan het feit dat ik ergens anders vandaan kom dan Pasen. Kerst is altijd beladen met cadeaus en het ‘vieren’ verdeel ik tussen de drie evenementen van december: sinterklaas, kerst en oud en nieuw. Mis je er een of verpest iemand iets, dan heb je altijd nog de andere twee.
Maar met Pasen haalt mijn verleden me in. Pasen is bloot en pijnlijk. Pasen herinnert me eraan dat ik ooit deel uitmaakte van een cultuur met eigen tradities, tradities die ik in mijn nieuwe land niet meer beoefen. Om het gevoel van gemis te kunnen negeren, nodig ik elk jaar met Pasen iemand uit bij ons thuis, voor wie ik dan kook en voor wie ik ten minste op eerste paasdag klaarsta, zo niet op beide dagen. Maar dit jaar heb ik niemand uitgenodigd. Ik had me zoals de laatste twaalf jaar wel voorgenomen om het te doen, maar op het laatste moment heb ik niet gebeld om de uitnodiging uit te spreken. Tegen mijn gezin zei ik dat ik moe was, maar ik was niet vermoeider dan andere keren.
Die twee dagen heb ik dus gedaan wat ik jarenlang niet had gedaan: vooral veel gegeten, gewandeld met de hond en op Netflix naar ‘Homeland’ gekeken. Een soort vakantie gehouden, waarin ik begreep dat ik voor het eerst in zoveel jaar met Pasen geen pijnlijke duik in mijn verleden deed, maar handelde met het heden. Misschien wordt dat de nieuwe traditie. Natuurlijk heb ik ook dingen gedaan die ik altijd zou doen, Pasen of geen Pasen, zoals bij de poort van de kerk ruzie maken met de koster van wie ik geen geld aan een bedelaar mocht geven.
Toch was ik rustiger dan in andere jaren. Ik heb wel gehuild, maar niet omdat ik om twaalf uur ’s nachts geen ronde met het beloofde licht in mijn hand om de kerk kon doen zoals in mijn cultuur, maar omdat ik het verhaal las van een Jood – een andere dan degene die we deze dagen herdachten – namelijk dat van Peter Redlich, van wie in een kruipruimte van een Amsterdams huis, na zeventig jaar, een kistje met getuigschriften, een brief en een foto werd gevonden. De negentienjarige Peter werd in 1941 vermoord in concentratiekamp Mauthausen en hij liet dat kistje na dat nu gevonden is. Geen dagboek à la Anne Frank, alleen een foto en registratiebewijzen voor een emigratieaanvraag voor Amerika. Ik bedacht dat hij, als hij de kracht had gehad, zeventig jaar geleden in Mauthausen hetzelfde had kunnen schreeuwen als Jezus aan het kruis.
Om de boodschap van Pasen vast te houden heb ik vandaag geweigerd om een artikel te lezen met de kop ‘Waarom we niet willen zien dat het niet goed gaat met de wereld’. In plaats daarvan las ik dat Jamie Oliver binnenkort een restaurant opent in Den Haag. Ik verheug me erop.
Den Haag Centraal, 20 april 2017

Mondriaanjaar

We leven nolens volens in het Mondriaanjaar 2017. En als je dat weigert, moet je vakantie nemen en pas terugkomen wanneer de stad weer zijn gewone kleur heeft. Maar dan komt er vast een ander jubileumjaar. En dus is het beter om voorlopig aan de drie kleuren te wennen.
Het is misschien een ‘nerve’ uit mijn verleden, maar leuk vinden wat iedereen leuk vindt omdat iedereen het leuk vindt, was nooit mijn sterkste punt. Als dit het Kafkajaar zou zijn geweest, zou ik dus, met pijn in mijn hart, ook tijdelijk afscheid nemen van de vader van Gregor Samsa. Het ‘internationaliseren’ en ‘industrialiseren’ van kunst heeft immers iets propagandistisch in zich en doet me denken aan de communistische ‘celebrations’, waar je, als je niet ‘voor hen’ was, automatisch ‘tegen hen’ was.
Een relatie met kunst is ook persoonlijk. Deze loopt niet via een marketingmachine. Ofwel: hoe persoonlijker, hoe beter. Als 15-jarige was ik geobsedeerd door Toulouse-Lautrec; daarna was ik tien jaar lang de grootste fan van Goya. En de laatste jaren denk ik vaak aan kleuren die ik bij Roemeense meesters heb gezien en heb ik affiniteit met Jackson Pollock. Mondriaan is me te geometrisch en abstract en de narratieve functie van zijn werk is voor mij uitgeschakeld. Ik zou zelf nooit een Mondriaanjaar vieren, maar Jan van Eyck en de Vlaamse Primitieven zou ik wel wekelijks willen vieren.
Het is mogelijk dat elke scholier na dit Mondriaanjaar de primaire kleuren en lijnen zal herkennen, maar zal het ook iets met hem doen? Want uiteindelijk is kunst meer ‘voelen’ en minder ‘weten’. Pakken we het niet verkeerd aan als het gaat om de kennismaking met schilderkunst? Als ik juffrouw was, zou ik met mijn kinderen, vooral zij die nog nooit in een museum zijn geweest, musea gaan bezoeken en niets zeggen over het Mondriaanjaar, om het bezoek niet te verpesten!
Ik zie de workshops voor peuters namelijk al voor me: ‘maak je eigen Mondriaan’, et cetera. Ook de lezingen, de acties. Misschien gaat ook de HEMA meedoen met verpakkingen à la Mondriaan, met pennen, agenda’s, tassen, bergen schoolspullen in de stijl van De Stijl: een Disney-scenario dat niets met kunst te maken heeft, zoals paraplu’s en mokken met de bekende zonnebloem evenmin iets met kunst van doen hebben. Die zonnebloem op de mok zegt me niets, maar ik heb er wel een saturatie voor de bekende zonnebloem aan overgehouden, wat zonde is omdat ik altijd een bescheiden bewonderaar van Van Gogh zal blijven.
Vanuit de tram kijk ik met stoïcisme naar al die Mondriaanmuren en ik bedenk: als er nog zo’n jaar komt, een Van Goghjaar of zo, neem ik een sabbatical!
Den Haag Centraal, 13 april 2017

Matthäus Passions

Het Matthäus Passion-seizoen is weer geopend in Nederland, want de paastijd nadert. U weet wel, Pasen en Goede Vrijdag, toen Jezus aan het kruis ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’ riep.
Over 300 jaar zal een antropoloog misschien ontdekken dat de Matthäus Passion eigenlijk een klein onderdeel was van een bijzondere ceremonie die te maken had met een van de goden die de mensheid toen min of meer aanbad. De ontdekking zal onaannemelijk lijken en jaloerse collega’s van de antropoloog zullen zijn theorie mogelijk ontkrachten met het argument dat het niet kan kloppen, omdat er in de geschiedenis van de mensheid geen enkele populatie is geweest die haar eigen god heeft laten verdwijnen. En zo te horen zullen beide partijen gelijk krijgen, want ja, als je diep graaft, weet je, in 2017 na Christus, dat de Matthäus Passions iets te maken hebben met Pasen en ja, zo te zien zijn de Hagenaren goed in veel dingen, maar vooral in het uit de kerk stappen. Daarom kan mijn scenario u wel irriteren, maar het kan ook kloppen. Immers, hoeveel van de kinderen die deze dagen met hun koor twee keer per week repeteren voor de Matthäus Passion, kennen het verhaal erachter en hoeveel van hun ouders gaan nog naar de kerk? Hoeveel van ons staan nog stil bij het verhaal waarin een van ons, tegelijk ook zoon van onze god, onze fouten, zowel de reeds begane als de toekomstige, op zijn schouders neemt, als u het verhaal gelooft? Het kan ook níet kloppen, want in 2017 na Christus is de hermeneutiek (de leer van de interpretatie) van de zogeheten fouten helemaal veranderd, lees: naar de achtergrond verdwenen. Nederland is heel vooruitstrevend en Den Haag des te meer. Zo moest ik de nonchalance waarmee wordt gezegd ‘Ik ben uit de kerk gestapt’ niet vertalen met het mystieke, Dostojevskiaanse ‘Ik ben mijn geloof kwijt.’ Nee, ‘ik ben uit de kerk gestapt’ betekent: ‘de kerk is fout, en ik heb hem niet nodig.’ Maar om dat goed te begrijpen moet je hier een beetje ingeburgerd zijn. Zo weet je dat Nederlanders het volk zijn dat het minst de hulp van het bovennatuurlijke inroept. Nederland doet het zelf. Overstroming? Mouwen opstropen en dijken bouwen! Ziektes? Vaccins voor iedereen! Slechte man getrouwd? Zoek een betere!
Als je in een kerk het boekje leest waarin je je bedankjes en wensen mag opschrijven, is het Nederlands de taal die het minst voorkomt in een dergelijk ‘gastenboek’. Want Nederlanders sturen liever een e-mail naar een instantie dichterbij, die je, als het nodig is, ook mag aanklagen.
“Vindt u het verhaal mooi?” vroeg ik iemand die een dezer dagen in Den Haag het seizoen van de Matthäus Passions opende. “Nee, ik houd van de muziek, de muziek heeft zo’n invloed op mij,” was het antwoord. Daarom moest ik aan die antropoloog denken, maar ook aan het feit dat ik zelf helaas minder muzikaal ben. Ik ben meer van de verhalen.
Den Haag Centraal, 6 april 2017

De fatsoenlijke dood

Ik weet allang dat een film nooit op kan tegen het echte leven. Deze filosofie kreeg ik al ingegoten met de paplepel melk die ik als zuigeling in een communistisch land (niet) dronk. Maar ik dacht dat de vaststelling meer thuishoorde in het Oosten dan in het Westen. Immers, wij leefden daar midden in ‘Black Cat, White Cat’ van Emir Kusturica. Een schrijver uit het Oosten hoeft ook nooit naar onderwerpen te zoeken, de onderwerpen komen vanzelf naar hem toe. Hij leeft in een realiteit waarin het absurdisme absurdistischer is dan in het Westen. Dat is wat ik dacht. Tot gisteren. Nu kan de Nederlandse schrijver opgelucht ademhalen. Want ook in Nederland blijken we in het dadaïsme te leven. Dat realiseer je je als je leest dat de rechtbank in Den Haag heeft besloten dat de zieke Emma Post, het voor haar via crowdfunding opgehaalde geld niet mag gebruiken voor een medische behandeling in België. Het geld, 55.000 euro, was namelijk bedoeld voor haar begrafenis. Juridisch is het ongetwijfeld juist, maar menselijk? En hoe kwalificeer je het besluit van de stichting die het geld beheert? Ik was altijd een groot fan van alle rechtbanken in Den Haag waar oorlogsmisdadigers terechtstaan, maar twijfel nu voor het eerst aan de blinde Haagse Justitia. Emma mag wel haar begrafenis betalen; daarvoor was het geld immers ingezameld (omdat dat vóór haar dood geregeld moest zijn, aangezien ze als terminaal patiënt geen uitvaartverzekering kon krijgen). Het zou geen wonder zijn als Emma er naast haar leverkanker nog een snelle vorm van kanker bij zou krijgen, een nieuwe kanker veroorzaakt door de kilheid van de (nog gedurende een paar maanden) medemens. Wat is het leven (lees: wat zijn wij) toch cru! We hebben Emma geholpen om haar op een decente manier te laten verdwijnen uit het leven. We geven haar een kans op een fatsoenlijke kist, lekker ruikende balsem, warm water dat haar darmen spoelt, voor een steen of een kruis met haar naam. We geven haar de kans om niet langer dan normaal in de vriezer van het mortuarium te blijven liggen, om stipt op de vervaldatum van een lichaam dat ooit het wonderlijke leven herbergde, tot as te worden gereduceerd. We gunnen haar een afbetaald graf, we gunnen haar de dood, want voor de dood hebben we geld ingezameld, en niet voor het leven. Het kan ons niet schelen dat ze zich nog wil vastklampen aan een sprankje hoop, dat ze nog een nacht wil wakker liggen van opwinding over een nieuwe behandeling. Het kan ons niet schelen dat de laatste boodschap die de mensheid haar meegeeft, een absurdistisch, kil, grotesk antwoord is. Emma is al dood, de stichting heeft het gezegd, de rechtbank heeft het bevestigd. Iemand heeft haar al van de lijst geschrapt. De fatsoenlijke dood kan ons onfatsoen niet laten verdwijnen. Als ik Emma was, zou ik deze laatste maanden met een middelvinger omhoog rondlopen.
Den Haag Centraal, 30 maart 2017

Polen
Voor Polen heb ik altijd een zwak gehad. En grote bewondering. Voor de cynici: geargumenteerde bewondering! In de jaren tachtig, toen je achter het IJzeren Gordijn nauwelijks een piep hoorde, werd in Oost-Europa bekend dat een Lech Wałęsa een onafhankelijke vakbond had opgericht, had gestaakt totdat hij was ontslagen en met de regering in onderhandeling was! Zoiets was ongehoord in een communistisch land: je ontevredenheid over je werksituatie en het regime naar buiten brengen! In andere, minder ‘gelukkige’ communistische landen werden mensen immers al gemarteld in gevangenissen en gedood op verdenking van het bijhouden van een dagboek waarin ze hun onvrede uitten. En dan de verkiezing van de Poolse paus! Wat voor een Amerikaan de eerste stap op de maan betekende, op 21 juli 1969, was voor een Oost-Europeaan de dag van 16 oktober 1978, toen Karol Józef Wojtyła tot paus Johannes Paulus II werd verkozen. Voor de Amerikanen werd de afstand tussen maan en mens toen kleiner, voor Oost-Europa de afstand naar de vrijheid. Het was als het herleven van het moment waarop Noach een duif losliet uit zijn ark en deze weer terugkwam. Sommige mensen in Oost-Europa wisten toen dat we niet voor altijd vergeten waren, dat de eerste deur naar de vrijheid werd geopend, hoewel het nog steeds donker was. Want onze Poolse paus zou niet alleen het evangelie verspreiden, maar vooral ook ambassadeur van onze vrijheid zijn, de vrijheid die Nederland al sinds 1945 genoot – ja, mede dankzij Poolse deelname aan de geallieerde troepen!
Na de val van de Muur was het eerste boek over Europa dat ik las: ‘Geboortegrond’ van Czesław Miłosz, winnaar van de Nobelprijs in 1980, maar als prozaschrijver in Nederland vrij onbekend. Miłosz is hier meer bekend als dichter. Maar wat een geest! Dankzij zijn boek voelde ik me, als meisje uit een getraumatiseerd land, toen voor het eerst Europeaan. En dan heb ik het nog niet eens over Szymborska en Gombrowicz, de eerste ook in Nederland een gevierd schrijfster, de tweede een must! En nu, twintig jaar later, is mijn bewondering geen spat veranderd. Niet zo lang geleden keek ik in het Londense Tate Modern gefascineerd naar een film over het Poolse feminisme: tientallen vrouwen kwamen een voor een naar een spreekgestoelte op een plein, bij -20°C, verhieven hun stem en schreeuwden hun pijn uit. Je zag hun verkleumde vingers, de dampende lucht uit hun mond.
In Den Haag leven nu twaalfduizend Polen, de grootste groep Polen in Nederland! Ik hoor echter nooit iets over hen. Af en toe zie ik scholieren in de tram die in hun eigen taal spreken. De Centrale Bibliotheek heeft een Poolse collectie, van klassieken tot ‘cicklit’. Ik hoorde dat de Teresia van Avilakerk in Den Haag ’s zondags overvol is: vers bloed voor de Nederlandse kerk. Niet ver van mijn huis is een Poolse winkel; uit nostalgie heb ik er een keer boodschappen gedaan. Maar hoe komt het toch dat we zo weinig over hen weten, dat we niets over hen wíllen weten?
Den Haag Centraal, 23 maart 2017

Lord of the Flies

Het favoriete boek van de drie jongens in mijn studententijd was ‘Lord of the Flies’ van William Golding. Van ons, de veertig meisjes in dat jaar, was het ‘Nora’ van Henrik Ibsen. Ik was dat allemaal vergeten, totdat de première van Lord of the Flies in De Nieuwe Regentes dat het afgelopen weekend weer naar de voorgrond bracht.
Dit is een voorstelling voor jongeren, hoor ik op het laatste moment, na twee onrustige uren waarin ik af en toe naar de grond moet kijken om de lekkere pasta die ik voor de voorstelling heb gegeten, binnen te kunnen houden. Er gebeuren veel onsmakelijke dingen op het podium. Maar alles krijgt een betekenis als ik hoor dat de voorstelling voor jongeren is, voor de volgens het persbericht ‘vergeten doelgroep’ van 12-18. Middelbarescholieren dus, zij die gelukkig geen oorlog hebben meegemaakt. Dan begrijp ik het ook: een voorstelling als vervanger van de militaire dienstplicht. Ofwel: Leer hun snel en in één keer in welke moeilijke wereld we leven!
Het verhaal kent iedereen. Als enige overlevenden na een vliegtuigongeluk op een onbewoond eiland wacht een groep schooljongens op redding. Gaandeweg groeit de angst en ontstaan er twee groepen: zij die in normen en waarden (hm…) geloven en degenen die op het Beest jagen, zonder te beseffen dat zij zelf in het Beest veranderen. Primaire driften en ontmenselijking staan centraal.
De voorstelling is aangepast aan onze tijd, aan Nederland. Om beurten of getweeën maken de hoofdrolspelers voor de camera een overzicht van de gebeurtenissen, als een ‘Moltalk’ na een aflevering van ‘Wie is de Mol?’. En allemaal zijn ze bijzonder goed in hoe ze de feiten ‘vertalen’, vooral het personage van Jack door Sander Plukaard. Het zijn ook bijzondere acteurs die de rollen vertolken. Het was me al lang niet meer overkomen dat ik iemand op het podium instantané antipathiek vind, dat ik ‘de conventie’ tussen publiek en acteur vergeet. Er is ook veel ‘bloed’, veel grotesk, veel herrie, té veel herrie, dat had minder gekund. Belangrijke thema’s als De Ander, vrouwenonderdrukking, homo homini lupus, zaken die de jeugd moeten boeien en aanspreken. Alles wat met blokletters moet worden geschreven, vooral op de middelbare school. Ik geniet van het spel van Phi Nguyen, die zijn rol van Bril (Piggy in het oorspronkelijke boek) heel serieus neemt. Sympathiek personage, had de acteur alleen maar ‘correct’ gespeld dan was het al goed. Maar hij geeft zijn rol een hogere dimensie. Onbewust grappig heeft hij soms iets weg van een orakel.
Het is een première. Veel pers dus. Veel familie, veel bekenden. Veel jonge mensen, maar ouder dan de doelgroep. Juist hen hoor ik vaak lachen na dunne woordspelingen als bril-briljant, ze lachen op momenten waarop je eerder een traan of grimas zou verwachten. Soms ben je gewoon te oud voor in blokletters geschreven dingen.
Den Haag Centraal, 16 maart 2017

Wietteelt
Iemand vertelde me dat er in de drie weken dat ik niet in Nederland was, iets ernstigs was gebeurd: de Tweede Kamer had ingestemd met regulering van de wietteelt. Bij het horen daarvan, haalde ik mijn schouders op. Daarna bedacht ik dat het legaliseren van wiet beter is dan het legaliseren van corruptie, zoals de regering in mijn geboorteland probeert. En als je de vergelijking doortrekt, begrijp je ook dat de regeringen in beide landen iets willen legaliseren wat allang bestaat: wietteelt hier en corruptie daar. En door de vergelijking begreep ik ook waarom ik mijn schouders had opgehaald.
Zover ik weet heb ik zelf nooit drugs gebruikt en een paar jaar geleden ben ik bovendien gestopt met koffiedrinken en roken. Niet omdat ik me bewust werd van mogelijke gevolgen, maar noodgedwongen, omdat ik een bacterie in mijn maag had die door koffie en vooral door roken groter en gevaarlijker werd. Een bacterie die ik overigens zelf had ontdekt – na jaren van vruchteloze onderzoeken hier in Nederland – toen ik een wetenschappelijk artikel over een maagbacterie las en in de beschrijving mijn eigen symptomen herkende. Mijn toenmalige huisarts heb ik moeten overtuigen om me te testen op die bacterie. En, surprise: ik was positief. Maar toen ik dacht dat dat het einde zou betekenen van de periode waarin ik twee weken per maand met ernstige pijn in bed lag, kreeg ik te horen dat er geen medicatie voor bestond en dat Nederland vooral bekend was met bacteriën uit exotische landen en niet met die uit… Oost-Europa. En dan dat sardonische spel met de bacterie! Na antibioticakuren die ongeveer alle bacteriën in mij doodden, bleef de vraag: is die kwaadaardige ook dood of niet, en dat jaren achtereen, omdat de artsen de dood van de bacterie niet met zekerheid konden bevestigen. En dus opnieuw onsmakelijke onderzoeken, second opinions, et cetera. Tot ik op een dag op internet begon te zoeken naar mensen met dezelfde kwelling en na maanden surfen iemand vond die pillen uit Griekeland slikte en geen aanvallen meer had. Meteen bestelde ik die pillen ook. Ik slik ze nu een jaar, zonder te weten wat ik slik, MAAR: al een jaar lang heb ik geen dag meer in bed gelegen vanwege mijn maag.
Dit is mijn ervaring en ik hoor nu al het koor van ongelovigen en betweters.
Ik heb begrepen dat mijn pillen worden gemaakt van een boomextract dat alleen in Griekeland te vinden is. Maar als het wiet was geweest, had ik wiet geslikt. Alles, maar dan ook alles had ik geslikt voor een normaal leven zonder aan bed gekluisterd te zijn! Ook zo’n coffeeshop binnengeglipt voor wiet tegen de pijn? Ja, met mijn ervaring in de communistische rijen voor brood had ik er geen moeite mee gehad! Helpt legalisatie van de wietteelt al degenen die lijden aan depressies, artritis en weet ik welke andere ziektes om door te gaan? Ik, onverantwoordelijk maar levend, zeg: Wiet, kom maar op!
Den Haag Centraal, 9 maart 2017

Thuis

Na drie weken in Brugge kom ik naar huis. Van Brugge naar Brussel, daarvandaan met de Thalys tot Rotterdam en met de trein verder tot Hollands Spoor. Dan ben ik weer waar ik hoor te zijn en dat is in mijn ogen een heel interessant gegeven. Want ja, wat betekent tegenwoordig waar je hoort te zijn? Op mijn twintigste, in mijn geboorteland, hoorde ik voor het eerst over Den Haag, over het Internationaal Gerechtshof in Den Haag om precies te zijn. Ik had toen nog geen idee dat ik tien jaar later in de stad van dat bekende Hof zelf een nieuw leven zou beginnen.
Iedereen kent mensen die hun hele leven in de stad van hun geboorte hebben gewoond, de trots waarmee ook sommige Hagenaren zeggen te zijn ‘geboren en getogen in Den Haag’, hoewel dat iets is, denk ik, wat je steeds minder zult horen, iets wat over vijftig jaar bij de oude wereld zal horen. Misschien zal de geboorteplaats steeds minder betekenis in je leven hebben. Maar jarenlang heb ik – die op mijn dertiende moest vertrekken uit mijn dorp – gedacht dat de gelukkigste mensen op aarde degenen zijn die met trots kunnen zeggen op dezelfde plek ‘geboren en getogen’ te zijn. En die daar ook doodgaan, als bonus! Wat een geluk! Het geluk om niet gedeporteerd te zijn, niet weggestuurd, niet gevlucht. Het geluk dus dat de geschiedenis hen niet heeft weggerukt: die mensen lijken het recept van het geluk te kennen, misschien een simpel recept, maar wel gegarandeerd.
In de ogen van iemand die is ‘geboren en getogen’ in Den Haag, zal ik altijd een vreemdeling blijven, in de ogen van de mensen in mijn geboortedorp ben ik dat al dertig jaar. En allemaal hebben ze gelijk, misschien de laatsten nog meer dan de eersten. Want ik word wel steeds meer van Den Haag en intussen weet ik waar de oude bibliotheek was en ben ik getuige van de bouw van het nieuwe Onderwijs- en Cultuurcomplex, maar in mijn geboortedorp heb ik de eerste kerk niet gebouwd zien worden. Ze hebben ook allemaal gelijk omdat ik al mijn hele leven lang mijn koffer nooit helemaal uitpak. Ik laat er altijd een pyjama en een tandenborstel in zitten. En dat is meer een metafoor geworden dan een urgentie.
Thuis ga ik tulpen planten, de tuin opruimen en de grote sering in de grond zetten, ik ga wandelen met de hond, langs de Vliet, en zal de eerste paardenbloemen verwelkomen. En tijdens het verpotten van de bloemen zal ik bedenken dat de grond overal dezelfde is, dat het niet uitmaakt in welke stad of in welk dorp het lot je heeft gebracht en dat het plezier om te verpotten hetzelfde is gebleven. En dat steden overal op elkaar lijken, dat het niet uitmaakt of ze historisch, nieuw of geïndustrialiseerd zijn. Immers, als je er op de lente kunt wachten, ben je thuis. En dat moet genoeg zijn.
Den Haag Centraal, 2 maart 2017

Nederlandse zijn

 

Ik ben al twee weken in Brugge, nog een week te gaan. Ik heb hier veel Bruggelingen ontmoet, zoals de inwoners van de stad zichzelf noemen. Ik weet inmiddels waar je het lekkerste brood kunt kopen, de lekkerste augurken, het verste fruit. Ik ken de vismarkt, de beste chocolatier en weet dat je een taxi voor ’s ochtends niet de avond tevoren moet bestellen. Ze zeggen hier ‘stappen’ in plaats van ‘lopen’, een kassabon heet ‘ticketje’ en de mensen zijn trots dat ze Bruggeling zijn. Maar wat graag geven ze je een rondleiding door de stad, misschien nog meer dan je het zelf wilt! In de openbare bibliotheek kennen de bibliothecarissen Grieks en Latijn, eten en drinken mag er niet, alleen water is toegestaan. Hun stadskrant is dikker dan de Volkskrant van zaterdag, in het centrum rijden de auto’s veel te hard, alles is duurder dan in Den Haag, behalve schoenen; tijdens een lezing mag je voorlezen zo lang als je wilt en wanneer je zegt dat je uit Den Haag komt, vraagt men zonder uitzondering: ‘Den Haag Nederland?’

En toch ben ik, na deze twee weken, een paar illusies armer. Ik heb hier niemand, maar dan ook niemand gesproken die genoegen nam met ‘Ik kom uit Den Haag Nederland’. De volgende vraag was steevast: ‘Maar oorspronkelijk…?’ In Nederland word ik regelmatig gevraagd of ik soms Belgische ben of Française, iets wat ik, als geboren francofiel, altijd leuk vind. Hier was echter meteen duidelijk dat ik nooit voor Française zou kunnen doorgaan, ook al spreek ik soms beter Frans dan een Vlaming die het Frans alleen op school heeft gehad. En alle gesprekken, zowel privé als openbaar, gingen over mijn land van herkomst, hoewel ik ook heel graag had willen vertellen dat ik blij was dat Den Haag net een vrouwelijke burgemeester heeft gekregen, dat de Haagse openbare bibliotheek nog met SISO-nummers werkt, wat hier niet het geval is, en, voor de gezelligheid, dat ik – als nieuwe Nederlander – een paar leuke Belgenmoppen ken. Ik heb me lang niet meer zo Roemeens gevoeld als in Brugge.

Toen ik in een slijterij op de standaardvraag ‘maar ja, maar van origine?’ een als grappig bedoeld antwoord gaf, zei de verkoper, een man van in de zestig, heel serieus: ‘In je leven moet je dus twee dingen overbruggen: dat je geen Nederlandse bent en dat je een vrouw bent’. Ineens had ik geen trek in bubbels meer. Dat met ‘vrouw zijn’ had ik al lange tijd niet meer gehoord, goed dat het terug op tafel kwam, maar ‘geen Nederlandse’ zijn vind ik interessanter dan mijn geslachtsgedoe. Had ik soms korting gekregen als ik Nederlandse was? Had hij de moppen willen horen als ik echt Nederlandse was? Misschien is het feit dat ik ook Nederlandse ben alleen voor mij belangrijk. Misschien is Nederlander zijn zoals bij een genderissue: je moet uit de kast komen om het echt te maken.

Hm, goede vraag: Brugge, zal dat lukken in een week?

Den Haag Centraal, 23 februari 2017

 

Quo vadis?

Vanochtend stond ik buiten, naast de deur, te wachten op een taxi die me naar het Concertgebouw zou brengen. In Brugge, waar ik voor drie weken verblijf. Daarvan heb ik er nog twee te gaan, de eerste week heb ik achter de rug: een fantastische week, waarin mijn leven bestond uit schrijven en Brugge verkennen.
De taxi had ik de avond daarvoor al besteld, toen ik bedacht dat het lastig zou zijn om op hakken door de sneeuw die een avond eerder was gevallen te lopen naar het Concertgebouw, waar ik een optreden had. Maar, zoals het liedje gaat, ‘où sont les neiges d’antan?’ Waar is de sneeuw van weleer? Want buiten was aan niets meer te zien dat het de hele nacht ervoor had gesneeuwd. Met jaloezie dacht ik aan het, zoals ik hoorde, wit besneeuwde Den Haag. En toen zag ik hem, honderd meter verderop, voor me.
Hij was dun, lang en donker en kwam zichtbaar uit een land waar de even mooie, lange vrouwen zware dingen op hun hoofd vervoeren. Hij zeulde een koffer achter zich aan, stopte en keek naar mij. Alleen wij tweeën bevonden ons op straat, Brugge leek nog slaperig en ver. Hij zag eruit alsof hij helemaal niet had geslapen. Ik stond daar, in mijn witte jas, witter dan de, zoals ik hoorde, witte sneeuw in Den Haag, op hakken, klaar om Brugge mijn verhaal te vertellen. Hij stond voor me en wist niet waar hij naartoe moest. In zijn blik had hij een vraag die toeristen, ongeacht hun origine, nooit hebben. Waar zou hij kunnen slapen na deze slapeloze nacht? Wanneer had hij voor het laatst in een goed bed geslapen? Waar zou hij volgende maand slapen? Of volgend jaar? Ineens drong het tot me door dat ik een week lang alleen maar toeristen en ja, een paar winkeliers had gezien. Geen andere mensen, hem niet. Hem had ik niet gezien. Waar was hij de hele week geweest? Op een bootje? Onder een van de prachtige bruggen in Brugge? Was hij hier in zijn eentje? Had hij gegeten? Wat ging hij doen? We stonden daar, ik deed alsof ik nog op de taxi wachtte, hij deed alsof ik de eerste mens was die hij op deze nieuwe planeet Brugge had ontmoet. En misschien was dat ook zo, zo vroeg in de ochtend. Hij keek naar mijn witte jas, witter dan de, zoals ik hoorde, Haagse sneeuw en hij dacht dat ik alle antwoorden op zijn vragen had. Antwoorden helaas niet, maar zijn vragen kende ik goed. Een deel van die vragen waren ooit ook mijn vragen geweest. Vriend, had ik hem moeten zeggen, hoe gaat het met je? “Quo vadis?” vroeg de taxichauffeur abrupt, die ineens uit het niets was opgedoken. “Ik naar het concertgebouw,” zei ik. Maar hij, vroeg ik me af, waar gaat hij naartoe?
Den Haag Centraal, 16 februari 2017

Day 1 of the rest of my residency

Drie weken lang ben ik in Brugge, als ‘writer in residence’. Vanochtend vertrok ik van Hollands Spoor en al voor elven was ik in Brugge. Eenmaal buiten het station gekomen noem ik de straat waar ik naartoe wil. De taxichauffeur vraagt kort: “Amsterdam?” “Nee, Den Haag.” “Ik ben één keer in Den Haag geweest,” zegt hij, “toen ik veertien was.” “Lang geleden,” antwoord ik en hij lacht: “Nog vijf jaar en dan verhuis ik naar Zuid-Frankrijk. Adieu Brugge!” “Zou u niets missen van hier?” Hij schudt zijn hoofd overtuigend. De stad waar hij is geboren en getogen is namelijk niet meer wat hij was. “Ja, dat hoor je overal. Niets is meer wat het was.” “Dag en nacht zijn ze aan het werk, je kunt nergens meer parkeren.” Had hij in Den Haag gewoond, had hij ongetwijfeld hetzelfde gezegd, stel ik. Hij kijkt ernstig in de spiegel en bedenkt dat dat niet zijn probleem is. “Zou u echt niets missen van hier?”, herhaal ik, om hem op andere gedachten te brengen. Hetzelfde koppige gebaar. Nou ja, ik kan het niet blijven vragen. Maar ik snap niet hoe je na een heel leven op één plek te hebben geleefd, kunt denken dat je niets gaat missen.
Ik mis dag en nacht mijn dorp, waar ik op mijn dertiende vandaan werd gerukt, pijnlijk, ik mis de zomerse ochtenden in de stad van mijn internaat, ik mis Boekarest om vele redenen en juist omdat ik zoveel mis van de plekken waar ik heb gewoond, ben ik niet van plan om Den Haag ooit te verlaten. Ik zou alles missen, zelf de werklui in mijn straat die voor de derde keer de straatstenen terugleggen. Gisteren hebben ze een parkeermeter naast mijn deur geplaatst, nu irriteert het ding me nog, maar over een tijd zou ik zelfs de parkeermeter voor mijn deur missen! Vorig jaar hadden ze pal voor mijn huis zo’n wc-cabine geplaatst, omdat ze aan de nabijgelegen brug werkten, precies op de dag dat ik hoog bezoek verwachtte. Mijn man en ik hebben die wc-cabine toen richting de deur van de buurman geduwd. En de klusser die afgelopen zomer het balkon van de buurvrouw heeft geschilderd, mis ik ook al, want door hem – met in zijn ene hand een kwast en in zijn andere de telefoon – weet ik nu dat niet mijn tante uit Roemenië de grootste roddelaar ooit is. Immers, zij was na een paar uur moe, maar de klusser hield het dagenlang vol en ik ben hem nog dankbaar voor enkele subtiele nuances van sommige Nederlandse woorden. Ook de vandalen die bijna elke zaterdagnacht de bloembakken aan de veranda vernielen zou ik missen, want ze houden mijn nieuwsgierigheid levend: wie en waarom?
Oh, Den Haag, ik mis je al!
“Waar woon je?” vroeg de kersverse, Egyptische student architectuur in de trein naar Brugge.
“In The Hague.”
“Where?”
“The Hague. Den Haag.”
“Never heard of, is it a big city?”
Den Haag Centraal, 9 februari 2017

‘Normaal’

Voor iedereen is het duidelijk dat ‘normaal’ het woord van het (voor)jaar is. ‘Doe normaal!’ Voor een linguïst is het een genot om te zien hoe snel een dergelijk (normaal gesproken saai) woord populair kan worden. De afgelopen dagen was het woord immers in alle media hét onderwerp van gesprek. Al mijn vrienden en kennissen, iedereen die ik hoog heb zitten reageerde op het Woord. Ook mijn dochter en haar klasgenootjes in Den Haag schreven brieven aan de premier. Toen ze van school kwam, was haar eerste vraag of ik de brief van Rutte had gelezen. Haar mening erover kwam nog vóór de vraag.
Ja, ik had hem gelezen en nee, hij verraste me niet. Maar de reacties die de brief uitlokte, verrassen me wel. Van kookrubrieken tot sportverslagen, overal passen journalisten hun eigen onderwerp aan aan het onderwerp van de dag: ‘wat normaal is’. Het is nog niet duidelijk of wij, 2017 jaar na Christus, getuige zijn van het einde van de Europese cultuur, maar zeker is dat we getuige zijn van het einde van een dictatuur in Nederland: de dictatuur van (het woord) ‘normaal’. Want was dat niet de Nederlandse cultuur? De cultuur van ‘doe normaal, dan doe je al gek genoeg’? Het gebeurde zelden dat een brief gericht aan ‘alle Nederlanders’ respons kreeg van ongeveer ‘alle Nederlanders’. En elke ‘Nederlander’ klaagde over het Woord en attendeerde de afzender van de brief op de nieuwe specialisatie van het Woord en op de… werkelijkheid. Want de brief van de premier is een ‘normale’ (sic!) brief (hadden ‘alle Nederlanders’ soms een andere brief verwacht?). De premier was volkomen zichzelf, maar vergiste zich in de geadresseerde: in ‘alle Nederlanders’. De telescoop waarmee hij vanuit zijn torentje naar ‘alle Nederlanders’ kijkt, is echt gedateerd en de afstand tussen ‘alle Nederlanders’ en de toren is ook groter geworden.
Ondanks zijn recente populariteit gaat het niet goed met het woord ’normaal’. Tot vorige week kon je duidelijk zien of het woord ‘normaal’ blond of donker was, of het Nederlands sprak of de intentie had zich in te burgeren. Nu is het woord op sterven na dood en… zonder identiteit, je weet niet meer wat voor kleur het heeft. Ook lijkt iedereen een vervanger te hebben voor het Woord, een beter Woord, al is het nog niet duidelijk wat er precies voor in de plaats moet komen. Toch pleit ik ervoor om nog even te wachten met het hergebruik van het woord ‘normaal’. Misschien komt er nog een woord bij, in het politieke taalgebruik. Want tot nu toe lijkt het erop dat we moeten kiezen tussen ‘minder’ en ‘normaal’. Ik vertrouw al meer dan een vijfjarenplan lang op de Nederlandse taal en daarom schrap ik het arme ‘normaal’ nog niet. Immers: stel je voor dat je straks nog eens moet roepen: ‘Wilders, doe even NORMAAL.’
Den Haag Centraal, 2 februari 2017

Rich man, poor man
Naast arme mensen voel ik me op m’n gemak. Denk er niet lang over na, de verklaring ligt in mijn afkomst. Als ik een lange reis naar de maan zou boeken, zou ik liever naast een arme dan naast een rijke willen zitten. Want een rijke zwijgt de hele reis, maar de arme vertelt je zijn hele verhaal, én dat van zijn hele familie en dorp. Het is maar een voorbeeld, want de rijke zou natuurlijk in een privéraket naar de maan gaan en de arme zou zich het ticket niet kunnen veroorloven. Maar wat is arm en wat is rijk?, zou je je kunnen afvragen. In Nederland is de kloof niet zo groot of ik zie hem niet. Al jaren heb ik geen geblindeerd raam van een SUV meer naar beneden zien gaan, met een hand die sigaretten naar bedelaars gooit. De tijd van ‘Geen brood, geef ze dan taart’ lijkt in Nederland voorbij. Ik heb hier mensen ontmoet die een paar huizen hebben in de wereld, maar (nog) geen jacht. De enige Ferrari-eigenaar die ik ken, doet in het weekend werk voor de gemeenschap, voor de fun, maar zulke ‘rijken’ wil ik wel ontmoeten. Begint mijn cliché over rijk en arm barsten te vertonen?
In een weekend heb ik een paar ‘rijken’ geïnterviewd. Met winkels op ‘ons’ rijke Noordeinde. Ik had altijd gedacht dat die winkels van rijke Italianen waren, mijn nieuwsgierigheid naar hen werd nooit gewekt. Tot ik ze zelf ontmoette: immigranten die hun American Dream op het Noordeinde hebben verwezenlijkt. Succesvolle immigranten, zoals in Amerika, met een verhaal dat ze je graag vertellen. Een van hen, initiatiefnemer van veel acties voor steun aan vluchtelingen, betrokken, warm. En geen Italiaan. Geleidelijk ging tijdens het interview mijn communistische argwaan over in bewondering. Niet dat ik nu liever een rijke naast me wil hebben tijdens die hypothetische reis naar de maan. Niet dat ik de oproep in het Russisch aan de nouveau riche in de Bijenkorf minder ironisch vind of dat ik nu penvriendin van Madoff wil worden. Geld is ook maar een manier om de wereld te begrijpen. Iedereen heeft gelezen wat Jort Kelder zei, dat de cijfers van de rijken die in het tijdschrift staan, nooit kloppen. Maar misschien zijn er rijken en rijken, zeg ik tegen mezelf – die geen idee heeft wat rijk precies betekent. Ik ken mensen die met een vaag gebaar zeggen dat alle beslissingen daarboven worden genomen, en daarmee doelen ze niet op God of op de politiek. Ze bedoelen de echte rijken. Ik heb ooit uitgerekend hoeveel geld er nodig zou zijn om geen dode kinderen als gevolg van honger meer te hebben in de wereld. Het sloeg nergens op, om met de woorden van Jort Kelder te spreken. Misschien geldt dat ook voor de rijken: de cijfers slaan nergens op, wat ze voor de ander doen maakt het verschil.
Den Haag Centraal, 26 januari 2017

Sprookje

Er was eens een mooi land en een van de steden van dat land was in het bijzonder mooi: multiculti en toch dorps, open en toch ook niet; saai was het er nooit. En die mooie stad had twee koningen: naast de officiële koning die regeerde over het land was er nog een koning, de koning van de straat. De bewoners van de mooie stad waren dol op deze straatmuzikant. Het kon ook niet anders, want de straatkoning had een schorre stem en zong Amerikaanse popmuziek uit de jaren 60 en 70. Neil Young, Bob Dylan… Iedereen begreep dat de straatkoning zelf Amerikaan was en het land met de mooie stad vond alles goed als het maar uit Amerika kwam. En zo werd de straatmuzikant een straatmuzikantenkoning. Elke dag van zijn leven speelde hij gitaar en zong hij in het centrum van de mooie stad en iedereen gaf hem geld en hij verdiende, naar eigen zeggen, veertig tot vijftig euro per dag. Zo werd hij de koning en de held van de straat, iets wat hij zonder meer verdiende, hij vocht immers tegen zijn heroïneverslaving, hij moest zijn huur betalen, eten, leven en andere moeilijke dingen doen die alleen voor helden weggelegd zijn. Mensen uit het hele land waren onder de indruk van de Amerikaanse held. Sommigen kenden hem prijzen toe, anderen nodigden hem uit in hun tv-programma’s en zelfs een filharmonisch orkest speelde een keer met hem op straat. Ook ik kocht ooit een cd van hem. Als andere straatmuzikanten een plek in het centrum van de mooie stad probeerden te vinden, werden ze weggestuurd, en terecht: zij zongen immers niet die mooie liedjes van Neil Young, zij hadden geen vrijstelling van de vergunningsplicht of ze zongen in hun vreemde, achterlijke talen en niet in het Engels zoals het op straat in de mooie multicultistad betaamt! Die barbaren die niet uit Amerika kwamen, moesten eerst maar eens Nederlands leren als ze op straat wilden spelen, of, beter nog, teruggaan naar hun achterlijke landen! Zo verstreken de jaren, totdat de straatmuzikantenkoning ziek werd. De lieve mensen van de stad gingen geld inzamelen om hem te helpen, maar het lot was wreed en op een dag stierf de koning van de straat! Zijn uitvaart was op de lokale tv te zien en alle kranten brachten hem nog een hommage. Ik treur mee met iedereen, alleen vind ik het jammer dat de straatmuzikantenkoning zijn geheim heeft meegenomen in zijn graf: of hij na 21 jaar in het mooie land nu wel of geen Nederlands sprak. Maar een koning heeft privileges en één daarvan is dat hij mag zingen in welke taal hij maar wil, als die taal maar Engels klinkt.
Den Haag Centraal, 19 januari 2017

Het goede
Ik heb de gewoonte om urenlang door Den Haag te lopen, door onbekende straten, als ik een goede reden heb om blij te zijn. Zo was het afgelopen oktober: ik begon een grote wandeling, zong in mezelf en toonde op verschillende manieren dankbaarheid, sprak onbekenden aan, kocht bloemen, huppelde, etc. Alleen het weer deed niet mee, het regende dat het goot, en ergens in een dure straat liep ik een tweedehandskledingwinkel binnen. Mijn hele studententijd en ook daarna heb ik tweedehandskleding gedragen, en hoewel ik me nu nieuwe kleren permitteer, ga ik eens per jaar naar die dure tweedehandswinkel met die wat oudere verkoopster, altijd tiptop gekleed en een tikje arrogant. Ik beloonde mezelf met een kort jasje met brede riem die mooier was dan het jasje zelf. De dame was spraakzamer dan gewoonlijk, alsof ze mijn blijheid wilde delen. Ik rekende af, ging naar buiten en besloot verder te lopen door de harde regen. Toen ik thuiskwam was ik kletsnat, maar helder en vrolijk als een zomerse zaterdagochtend. Ik wilde de ‘nieuwe’ jas nog eens passen, maar stomverbaasd ontdekte ik dat de riem ontbrak. Ik zocht mijn tas wel driemaal na en wilde niet geloven dat die oude dame in een seconde, als een ervaren dief, de riem verwijderd had. Ik begreep nu ook waarom ze aardiger dan normaal had gedaan en die hele avond had ik het gevoel alsof een ijzeren naald in mijn maag prikte. Ik moest begrijpen dat de oude, elegante, een tikje arrogante eigenaresse van de dure tweedehandszaak eigenlijk een kleine, ordinaire dief was, tevreden dat ze de riem die ik betaald had, had gestolen. Zo’n miserabele streek, ik kon het niet plaatsen. Mijn eerste impuls was om meteen terug te gaan om haar hiermee te confronteren. Maar ik wist dat ik daardoor, door haar daad onder woorden te brengen, hardop te benoemen, mijn blijheid zou vertroebelen. Hoewel ik er altijd voor zou kiezen om zoiets recht te zetten, dwong ik mezelf om het nu niet te doen, om naar de mooie wang van de dag te kijken en niet naar de lelijke. Een week later kocht ik een riem ergens vlak bij het Plein. Hij moest ingekort worden en de verkoper deed het ter plekke. Hij vertelde me over zijn geboorteland, terwijl ik probeerde te pinnen. Mijn pas deed het niet en daarom ging ik snel ergens pinnen. Beschaamd kwam ik terug, omdat ik maar tien euro had kunnen opnemen. Ik verzekerde de verkoper ervan dat ik morgen kwam betalen, hij lachte aardig, gaf me de riem en zei: “Neem maar mee, kom morgen en als je niet komt is het ook goed.” Ik bedankte hem hardop voor zijn vriendelijkheid, maar in gedachten bedank ik hem nog steeds, omdat hij, zonder het te weten, het goede van de wereld groter had gemaakt dan het kwade.
Den Haag Centraal, 12 januari 2017

Babel
Een weekje in London om af te zijn van alle gekte hier, dacht ik. Natuurlijk moet je daarvoor niet in London zijn, maar ja, toen ik dat besefte was ik er al. Ik was helemaal gereed om ‘the spirit’ van nieuwjaar in me op te nemen. Maar omdat mijn hotel ver van het centrum was gelegen, zat ik steeds een halve dag in bus 12 of 36, ongeveer dertig bushaltes heen een weer, tijd genoeg dus om nieuwe dingen te ervaren. Op mijn eerste dag in Londen kreeg ik in bus 12 een serieuze uitnodiging om naar Kenia te gaan, onmiddellijk. In dezelfde bus, ’s avonds, lachte iemand die via oortjes met zijn telefoon communiceerde zó aanstekelijk dat de hele begane grond van de dubbeldekker mee moest lachen zonder te weten waarom. Hoe vaak lach je vanuit je nieren en stokt de lach ergens in je keel omdat je door de lach geen lucht meer krijgt? In dezelfde drukke bus leerde ik een paar woorden Chinees van de vrouw die tegen me aan geplakt zat en die heel urgent iets met haar man aan het andere uiteinde wilde delen. Zelf mocht ik een foto nemen van het bijzondere kapsel van een andere passagier. Door dit alles kreeg mijn beeld van wat Babylon inhoudt een grote update.
Tussen alle bussen door bezocht ik het Tate Modern, dat veel weg had van de wereld in lijn 12 en 36, en daarmee bedoel ik de hele wereld in het klein, uitgedrukt in geëngageerde kunst, die werd bekeken door een minder geëngageerd publiek. Want dat miste ik wel in het Tate, toen ik naar een film over Poolse feministen en een andere film over Al Qaida keek: het delen van emoties, op welke manier dan ook. Ik zat daar naar de film te kijken, mijn hart riep alle leuzen mee, samen met al die roepende vrouwen in de kou, ik drumde mee met het meisje dat voor een wereld zonder oorlog drumde, ik keek om me heen en besefte dat eigenlijk dát de echte definitie van het Babylon was: een doffe wereld waarin we zonder emoties naar schilderijen aan de wand kijken. Eigenlijk miste ik bus 12. Ik miste het spontane delen. Het reageren, op welke wijze dan ook.
Op oudjaarsavond was het moeilijk om in je eentje te bewegen bij het Piccadilly Circus. Of je nu wilde of niet: je moest met de menigte mee. Duizelingwekkend. Op de grond, tegen een winkel geplakt, zat een bedelaar met gesloten ogen. Wat zou hij van deze gekte vinden, van deze kluwen mensen die in een cirkel draaide om nergens heen te gaan? Hoe keek hij naar de zee van voeten, geschoeid met min of meer dure schoenen, verwikkeld in een moeilijk te doorgronden dans? Benijdde hij ons? Dacht hij dat we het allemaal beter hadden dan hijzelf? Ik riep hem. Hij opende zijn lichte ogen en zei opgewekt: ‘Happy New Year, dear!’
Hij gaf mij meer dan ik hem gaf.
Den Haag Centraal, 5 januari 2017

Knuffelhormoon in december
December is een wrede maand. December vergroot de eenzaamheid en bevestigt de gulzigheid.
Van het begin tot het eind van de maand.
Bij mijn vorige baan, in mijn vorige land, kregen we op de afdeling Actualiteiten aan het eind van de maand december de statistieken van de sterfgevallen rond de feestdagen en de oorzaken daarvan gepresenteerd. Geen vrolijk moment, maar in mijn ogen onthulden de cijfers voor altijd die andere dimensie van kerst: de eenzaamheid.
Niet iedereen gaat immers elke week in december shoppen, niet iedereen koopt in december inpakpapier, niet iedereen heeft plannen en niet iedereen is welkom bij familie. Niet iedereen vergeet en vergeeft, voor sommigen is het te laat of te vroeg, en ‘the spirit of Christmas’ raakt misschien wel andere organen, maar steeds minder het hart.
Deze week heb ik iemand ontmoet die, zo was mij van tevoren verteld, handen van oude mensen masseert. En die daar heel professioneel over kan vertellen. Over oxytocine, het ‘knuffelhormoon’, dat tijdens een handmassage in onze hersenen vrijgemaakt kan worden en dat over twee benen beschikt, ‘het ene rationeel en het andere emotioneel’. Die haar competentie voor luxe resorts inzet, maar ook, vooral nu, in de maand van de eenzaamheid, voor de gewone mens, tijdens gratis bijeenkomsten in haar wijk, Leyenburg.
Veel details die ze me heeft verteld, heb ik niet onthouden. Wel dat ‘niet iedereen van dezelfde aanraking houdt’, dat ‘het verdriet aanraken zo moeilijk kan zijn’ en dat ‘ooit machtige mensen veel verdriet kunnen hebben’. Waarover mensen haar tijdens het masseren zoal vertellen? Over hoe het in de oorlog en in de Hongerwinter was. Ik vroeg haar of ze altijd oude handen wil aanraken en ze antwoordde eerlijk, maar probeerde haar eerlijkheid mooi te verpakken: “Als ik er niet de tijd voor kan nemen, wil ik ook geen handen aanraken.”
Door haar donkere ogen kan ze ook boos kijken, verzekerde ze me. Ik geloofde haar, want ze heeft naast het bloed van haar Nederlandse vader ook het bloed van meer dan één volk van de Balkan in zich: Macedonisch, Servisch en Kroatisch bloed. De betreffende talen en dialecten spreekt ze ook allemaal en daarnaast beheerst ze ook het Torlaaks, volgens haar het oudste Slavische dialect.
Ik heb bewondering voor mensen die veel talen spreken, maar nog meer heb ik bewondering voor mensen die anderen aanraken, juist nu in december, en Stana van Ginkel doet het allebei. Het oxytocinehormoon maakt ze vrij in december, in het kader van een bijzonder project van de gemeente Den Haag in de strijd tegen eenzaamheid: Haagse Luikjes.
De eenzaamheid van de mens kunnen we niet ‘genezen’. De eenzaamheid van de buurman wel, voor even in ieder geval, in december, wanneer het knuffelhormoon zelfs al kan vrijkomen door een koffie die je samen met je buurman drinkt.
Den Haag Centraal, 22 december 2016

The Lion King
Zaterdagavond heb ik weer iets geleerd.
Proefondervindelijk, in het Circustheater in Scheveningen. En het was niet eens nodig om tot het einde van de voorstelling te blijven om gelijk te krijgen. Toch ben ik gebleven. Wat ik geleerd heb?
Niet naar de musical ‘The Lion King’ gaan!
In de eerste plaats vanwege het publiek. Onrustig publiek. Mensen die met z’n tienen als familie een hele rij komen bezetten en menen dat de honderd euro die ze voor een kaartje hebben betaald hun het recht geeft om volledig zichzelf te zijn en zich zo te uiten in de zaal. De eerste oerwoudgeluiden komen namelijk niet van het podium, maar – nog voordat de musical begint – uit de zaal: oerwoudgeluiden zoals van hooligans in een stadion tegen gekleurde spelers.
Een lid van de familie achter mij, een blond meisje van in de twintig, een kwartier voordat de show begint, tegen haar broer: ‘Veel broers en zussen van de Lion King in de zaal…’. Gelach. Ik geloof mijn oren niet. Afrika hoort op het podium, maar niet echt in de zaal? Ik kijk achterom en zie hoe de jonge vrouw vervolgens wijst naar twee gesluierde meisjes die net de zaal binnenkomen en daarbij het geluid maakt dat Marokkaanse en Turkse vrouwen op huwelijksfeesten maken met de tong. Niet te geloven, zeg!
Een rij boven hen heeft een man van vijftig net een eurekamoment wanneer hij ontdekt waar het orkest zich in een theater bevindt.
De musical begint. Ik hoop dat de zaal zich nu zal inhouden.
Vanuit de zaal bewegen fantastische Afrikaanse maskers zich naar het podium. Muziek. Dansers. Het decor. Vogels, poema’s, hyena’s, zebra’s, leeuwen en leeuwinnen, ik bedenk hoe zwaar de repetities wel niet moeten zijn geweest. Fantastische kostuums, goed uitgewerkte maskers. De mens die één wil worden met het dier. Ik hoop tijdens de voorstelling ook één met hen te worden. Ik hoop op een goede show. Maar dat valt tegen. Het is meer een beetje van alles wat. En soms een beetje té van alles. Uiteindelijk is het het decor dat de show maakt: Afrika op het podium, de dieren, de maskers, de bewegingen, de choreografie. Het verhaal kent iedereen, maar de regisseur wilde er kennelijk een drama en een komedie tegelijk van maken, wat niet mogelijk is. En er ligt te veel nadruk op de taal. Vrijwel alle spelers maken woordgrapjes en spreken met een accent. Maar waarom hebben de slechteriken altijd een Surinaams-Antilliaans accent? Waarom nooit een Brabants of een Noord-Nederlands accent? De muziek is vaak te licht, met mijn ogen dicht zie ik Marco Borsato of Jan Smit voor me. Wat ook niet helpt. Ik had meer Afrikaanse muziek verwacht, meer authenticiteit. Het is alsof Afrika niet echt Afrika mag zijn, maar alleen een Afrika vertaald naar het Nederlands. Een Afrika dat vandaag de dag meer Lampedusa’s heeft dan Lion Kings. Ik mis de ware kracht van Afrika en bij vlagen krijg ik het gevoel dat ik naar een tekenfilm voor volwassenen zit te kijken. Een stripverhaal. Mensen om me heen lachen om het feit dat de danser een antilope op zijn hoofd draagt, de schoonheid van de beweging ontgaat hun.
In de pauze haast iedereen zich om snoep te halen en tijdens het tweede deel van de voorstelling ruikt de zaal nadrukkelijk naar drop. De commentaren achter me gaan door. Als je alleen naar het publiek zou luisteren, zou je denken dat de mensen naar een race zitten te kijken. Geen spannende race, maar een race.
“Knap hoor,” zegt de man voor me hardop. En na afloop nog een keer: “Knap.” En hij heeft gelijk. Dat is het: knap werk, geen kunst.
Toch is er iets dat me, naast mijn uiterste verbazing over het publiek, is bijgebleven, iets wat je af en toe aan een publiek zoals dat van zaterdagavond zou willen vertellen: “Waar kom je vandaan?” wordt op een gegeven moment aan Simba gevraagd, waarop hij antwoordt: “Maakt niet uit. Ik ga niet meer terug.”
Den Haag Centraal, 15 december 2016

Bij Ons… in de Residentie
Veel mensen. Tien minuten later nog meer mensen.
En nog meer. Je denkt dat er nu echt niemand meer in de lounge van Hotel Des Indes naar binnen kan, maar toch: een uur later dan het op de uitnodiging genoemde tijdstip kan helemaal niemand zich meer bewegen. De serveersters kunnen geen dienblad recht voor zich houden. Er is simpelweg geen ruimte voor. Ze duwen hun lichaam naar voren om de lege champagneglazen een voor een van de hoge tafels te plukken.
Wat ik voor me zie? Mooie stoffen, dure oorbellen, hier en daar een blote schouder, onderhuidse botox en veel oude heren. Schoenen zie ik niet, je kunt immers niet bukken. Wel zie ik de burgemeester van Wassenaar, Jan Hoekema. Wethouder Boudewijn Revis die handen schudt. Marco Esser, Den Haag Marketing. Harro Knijff en andere min of meer bekende gezichten. Rumoer. Ik heb geen idee of er muziek is, het is te rumoerig. Maar de stemmen hoor ik goed: “Mijn man was consul in Oostenrijk.” “Ik heb goede dingen in de kast.” Naast me hoor ik zelfs iemand fluisteren: “Ik ben 67, dat zou je niet zeggen, hè?”. Leuke hapjes, maar de obers maken alleen rondjes om de menigte heen, erin binnendringen lukt hun niet.
Alle drukte is voor de presentatie van de zesde editie van de jaarlijkse glossy ‘Bij Ons in de Residentie’.
De langverwachte speech begint. “Goedenavond, Den Haag, wat fantastisch dat u hier bent!”, begroet Sandra Schuurhof de genoemde vertegenwoordigers van de stad. In de literatuur heet zoiets een synecdoche, in politiek ideologie. In mijn studentetijd noemde een docent wereldliteratuur ons, eerstejaars studenten letteren, eens zomaar zonder aanleiding ‘de crème de la crème’. Wij snapten er niets van, het was nog in de tijd van voor de dictatuur van de PR. Ook ‘Den Haag’ reageert wat lauw. “Wie is dat?”, vragen dure oorbellen die een heerlijk geluid maken wanneer ze in botsing komen met een glas champagne. “Geen idee,” zegt haar man, ongeïnteresseerd.
Hoofdredacteur Gijsbert Spierenburg wordt op het ‘podium’ gevraagd. “Ben je trots dat er zoveel mensen staan hier?”, vraagt Schuurhof en de vraag klinkt niet retorisch. We krijgen ook te horen hoe het is gekomen dat prinses Margarita in het tijdschrift staat: “Simpel. We hebben haar gewoon gevraagd.”
Ik kan me nu niet meer herinneren of prinses Margarita zelf ook iets gezegd heeft, maar als het zo is, was het niet meer dan één zin.
Ter compensatie kondigt de presentatrice ‘de taalvirtuoos’… Paul van Vliet aan. ‘Den Haag’ vermaakt zich. Paul van Vliet twijfelt nog, maar doet dat in verzen: “Vanavond zien we wat het wordt.” Het wordt een beetje het discours van Jan Terlouw bij ‘DWDD’, maar dan zonder de touwtjes door de brievenbus en zonder de zorgen over het milieu. Maar de boodschap is hetzelfde: “De tijd van in principe ja” is voorbij. “Vroeger, vroeger was Sinterklaas de enige vluchteling en ging hij uit zichzelf weer weg.” “Wat doet hij het goed,” zegt de mevrouw achter mij. ‘Den Haag’ applaudisseert.
Om zeven uur vertrekken de eerste gasten en kun je je weer wat bewegen: naar de bar en terug. Het valt iemand op dat de drank niet meer gratis is. “Tot 19 uur was het gratis,” zegt de ober en hij wijst naar zijn horloge. “Om te voorkomen dat het hetzelfde gebeurt als vorig jaar,” zegt hij. En hij maakt een discreet maar toch duidelijk gebaar.
Den Haag Centraal, 8 december 2016

Het verandert, maar niet snel genoeg
Niemand kwam maandagavond naar perscentrum Nieuwspoort om tijdens het Grote Sinterklaas College van Herman Pleij zijn gelijk te halen. Nee, iedereen kwam voor intellectueel vermaak. Want dat is wat de aanwezigheid van Herman Pleij garandeert: intellectueel vermaak. Niemand die ontevreden vertrok. De eerste die wegging was Pleij zelf, omdat hij zijn trein moest halen.
“Goedenavond, dames en heren, eerst een slokje.” Mensen lachen al. “Mocht u na afloop geen vragen hebben, dan stel ik mezelf enkele vragen.” De toon is gezet.
Een wat oudere man achter me lacht hardop en zal de hele avond blijven lachen, ongestoord, met de lach van een jongetje van zeven dat net begrepen heeft hoeveel fun je uit het leven kunt halen. Aanstekelijk. De hele avond verdeel ik mijn aandacht tussen de fantastische Herman Pleij en de oude heer van zeven.
Wanneer mijn aandacht naar de emeritus hoogleraar gaat, hoor ik: Sinterklaas is meer dan een kinderfeest. Het is een ventielfeest, een onderbreking van het dagelijkse leven. Zoals het carnaval. Tijdens een ventielfeest wordt de orde even verlaten. Het lijkt een revolutie, maar is het juist niet, het bevestigt de orde. Begin twintigste eeuw waren er meer rituelen die inmidd